Archief

Posts Tagged ‘Trouw’

Zoetsappig christendom

Het christelijk geloof is in Nederland op de terugtocht, zo hoor je vaak beweren. De feiten liegen niet: kerken lopen leeg, veel mensen weten vrijwel niets van het christelijk geloof en wie gelooft is inmiddels een vreemde vogel. Of valt het allemaal nog wel mee? Matthijs Haak, predikant van de Gereformeerde Kerk (vrijgemaakt) van Rotterdam-Delfshaven, schreef in een artikel in het Nederlands Dagblad van 4 januari 2014: “Je hoort zeggen dat God weer terug is in Nederland. Dat zijn comeback bijvoorbeeld te zien is in veel media-aandacht voor het christelijk geloof.” Hij wijst op een recensie van theologische boeken in het zeer seculiere NRC-Handelsblad. “Je mag weer geloven in God. Zelfs in Jezus. Die ommekeer hangt al langer in de lucht. Zo zei de alom gewaardeerde columnist J.L. Heldring bij zijn terugblik op vijftig jaar opinieschrijven dat God terug was van weggeweest (NRC Handelsblad 4 januari 2010).” Er valt ook te denken aan de waardering die seculiere politici ten toon spreiden voor de rol van kerken in de samenleving, bijvoorbeeld op het vlak van diaconale hulpverlening. Dat laatste kan gemotiveerd zijn door eigenbelang: dankzij diaconale hulp houdt de overheid geld in haar zak. Dat betekent niet dat die waardering niet oprecht gemeend kan zijn.

De vraag is dan wel: welk christendom is weer “in”? Ds. Haak relativeert die herleefde aandacht voor het christelijk geloof. Hij geeft verschillende voorbeelden waaruit een versmalling of zelfs vertekening van het christelijke geloof naar voren komt. “Het blijkt (…) dat zelfs (geloven in) Jezus weer sexy is. Maar om wélke Jezus gaat het? Nu de kerk weinig meer voorstelt, dogma’s als onwenselijk aanvoelen en ieder het geloof invult zoals hij het zelf ziet, wordt dat een heel spannende vraag.”

Het christelijk geloof is onlosmakelijk verbonden met de kerk. Ook al zijn er tegenwoordig steeds meer christenen die zeggen wel te geloven, maar niets te hebben met de kerk, vanuit de Schrift gezien zijn die twee niet te scheiden. Dat is in de ogen van veel ‘buitenstaanders’ trouwens ook het geval. Men wijst het christelijk geloof af door te wijzen op – feitelijke of vermeende – misstappen van de kerk. Dat men daarbij de verschillende kerken niet uit elkaar kan houden valt te begrijpen. Daarom slaan de misstanden in één kerk terug op alle kerken. Ook het gedrag van christenen met wie niet-gelovigen zelf in aanraking komen of over wie ze iets lezen of horen speelt een rol in de beeldvorming.

Het is voor kerken en individuele christenen dan verleidelijk zich in hun uitlatingen en gedrag voorzichtig op te stellen en alles te vermijden wat aanstoot zou kunnen geven. Daar kan de angst achter zitten niet meer voor vol te worden aangezien en niet meer op voet van gelijkheid te kunnen deelnemen aan het openbare leven en de daar plaatsvindende meningsvorming. Dat zal niet zo gauw worden toegegeven. Eerder wordt het principieel beargumenteerd: men moet alles vermijden wat mensen ervan zou kunnen weerhouden zich aan Christus en het christelijk geloof gewonnen te geven.

Maar aan welke Christus moet men zich gewonnen geven? Als alles wat aanstoot zou kunnen geven moet worden vermeden, wordt het christelijk geloof dan niet erg zoetsappig? Waar blijven de scherpe randen die ook in de prediking van Jezus ruimschoots aanwezig waren? Houden we dan nog iets anders over dan een feel good christendom?

Het is mooi wanneer de kerk haar diaconale taak serieus neemt en die niet beperkt tot het goeddoen aan de gelovigen maar ook daar te hulp schiet waar niet-gelovigen in de knel komen. Maar mag het daarbij blijven? De diaconale taak van de kerk is altijd nauw verbonden geweest met haar diepste overtuiging dat alleen Christus redding brengt in een geschonden bestaan. Sterker nog: daarin ligt haar diepste motivatie voor haar diaconale werk. Dat komt al in de eerste hoofdstukken van het boek Handelingen naar voren. Er is geen scheiding tussen de verkondigende en de diaconale taak van de kerk. Eén van de eerste diakenen, Stefanus, moest zijn vrijmoedige getuigenis met de dood bekopen.

Het is mooi wanneer de overheid haar waardering uitspreekt voor de maatschappelijke betrokkenheid van christelijke kerken. Maar van die waardering zou wel eens weinig over kunnen blijven wanneer de kerk haar aanspreekt op de manier waarop zij met haar kwetsbare onderdanen omgaat. Of wanneer de kerk zaken ter discussie stelt die inmiddels als maatschappelijke verworvenheden gelden. De kerk mag wel pleisters plakken, maar wordt verder geacht te zwijgen. De vraag van ds. Haak, die eerder geciteerd werd, is dus een heel relevante: als het over Jezus gaat, over wèlke Jezus gaat het dan? Over iemand die mensen een aai over de bol geeft of over iemand die ook zegt: Zondig niet meer?

Waartoe de angst voor een slechte naam van de kerk kan leiden bleek in december van het vorige jaar. Leden van een hervormde wijkgemeente in Zeist riepen hun broeders en zusters op twee supermarkten te boycotten, aangezien deze besloten hadden op zondag de deuren te openen. De oproep kwam in de pers terecht en de verontwaardiging was algemeen. Eén van de winkeliers repte van ‘chantage’ en een poging hem en zijn bedrijf kapot te maken. Nu kan over zo’n actie van alles gezegd worden, ook in kritische zin. Maar de maatschappelijke verontwaardiging was op z’n minst nogal hypocriet. Actiegroepen roepen regelmatig op tot een boycot van winkels vanwege de verkoop van producten die het milieu schaden of die onder erbarmelijke omstandigheden in een Derde-Wereldland zijn geproduceerd. Nog niet zo lang geleden nagelde zelfs een minister een winkelketen publiek aan de schandpaal. En daarbij gaat het dan om oproepen aan iedereen, terwijl de desbetreffende hervormden zich alleen op de eigen gemeente richtten.

Je zou mogen verwachten dat christelijke opiniemakers hier voor enige nuance zouden zorgen en in elk geval het goed recht van de actievoerders zouden verdedigen. In plaats daarvan meende Marco van der Straten, hoofdredacteur van Visie, het programmablad van de EO, dat hij de geprangde winkelier in bescherming moest nemen. Daarbij vond hij het niet eens nodig kennis te nemen van de feiten, aangezien hij meende dat de actievoerders hun visie wilden opleggen aan diegenen die er geen moeite mee hebben op zondag boodschappen te doen. In dit verband sprak hij van “intolerantie”. Ernstiger is dat hij de manier waarop Jezus met de sabbat omgaat voor zijn karretje spande. Daar blijkt hij niet veel van begrepen te hebben. Jezus verdedigt zijn werk op de sabbat, in antwoord op de kritiek van de Farizeeën, met de uitspraak dat de mens heer is over de sabbat – en daarmee bedoelde hij niet zomaar ieder mens, maar zichzelf. En dat is nu precies de reden waarom christenen als deze Zeister hervormden protest aantekenden tegen de zondagopenstelling van twee supermarkten. Jezus verdedigde zijn recht goed te doen op de sabbat. Dat is iets heel anders dan spullen verkopen om de kas te spekken.

Wie goed oplet komt steeds vaker gevallen tegen waarin christenen op een soms krampachtige manier hun best doen alles te vermijden wat aanstoot zou kunnen geven. De motieven daarvoor mogen dan heel respectabel zijn, de vraag is welk beeld van het christelijk geloof en de christelijke kerk daarmee wordt geschapen. ‘Buitenstaanders’ zouden zich weleens kunnen gaan afvragen hoe serieus christenen hun eigen geloof eigenlijk nemen.

In Trouw schrijft Beatrijs Ritsema over ‘Moderne manieren’. Ze beantwoordt vragen van lezers die haar advies willen in allerlei zaken die met de omgang tussen mensen te maken heeft. Op 5 januari beantwoordde ze een brief van iemand die met een groep mensen van de kerk was gaan klussen bij een moslimfamilie. “Toen we het klussen onderbraken voor de lunch met allerlei lekkernijen, wilde iemand van ons clubje graag bidden. Dat heeft ze ook gedaan en enkele groepsleden deden mee. Ik voelde me behoorlijk opgelaten, omdat moslims er andere gebedsmomenten op nahouden en door ons werden uitgesloten. Hadden we het bidden niet beter achterwege kunnen laten?”

Nee, vindt Ritsema. “Als de leden van uw klusgroepje gewend zijn om te bidden voor het eten, moeten ze dat vooral doen. Dat kan overal, dus ook in het huis van moslims.” Dat geldt te meer omdat de briefschrijfster zelf meedeelde dat de vrouw des huizes de overeenkomsten tussen islam en christendom beklemtoonde. Iemand reageerde: “Een moslim kan het juist waarderen dat je als christen serieus bent. Het wordt dus ook meestal als een positief gebaar ervaren dat men de gelegenheid neemt om te bidden. Zowel in de brief als in meerdere reacties hieronder komt het beeld naar voren dat niet de gastvrouw er een probleem van maakt, maar juist anderen.” Daarmee slaat de schrijver de spijker op de kop. Moslims nemen hun geloof meestal heel serieus. Het zou de waardering voor het christelijk geloof wel eens eerder kunnen bevorderen dan schaden wanneer christenen dat ook doen. Bijvoorbeeld door eerlijk en consequent uit te komen voor die aspecten die veel mensen – en, als ze eerlijk zijn, van nature ook henzelf – tegen de borst stuiten.

De neiging zich aan te passen aan wat algemeen aanvaard is en te vermijden wat irritatie zou kunnen opwekken is kennelijk sterk. Die dateert niet van vandaag of gisteren. In Nader Bekeken (december 2013) schreef ds. Henk Drost dat hij bij zijn intrede in een nieuwe gemeente geïnterviewd werd en daarbij liet weten dat hij geloofde in het laatste oordeel. “Interessant was de reactie die met name van de kant van de evangelisatiecommissie van die gemeente kwam. Die waren niet erg ingenomen met mijn eerlijkheid. Ze vonden dat het een negatieve insteek was. Ze vonden dat we als kerken moeten werken aan een positief imago. Blijkbaar past het laatste oordeel daar niet in”.

Maar de kerk en het christelijk geloof worden echt niet aantrekkelijker door de kool en de geit te sparen, zoals Sake Stoppels, docent gemeenteopbouw aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, kortgeleden opmerkte (ND, 12.2.14). Voor een houding als “hier sta ik, ik kan ook anders” zullen weinig mensen respect kunnen opbrengen. Natuurlijk wekt het weerstand, wanneer de kerk belijdt en zonder mitsen en maren uitdraagt dat pasgeboren kinderen gedoopt behoren te worden. Ze vergroot haar aantrekkingskracht niet wanneer ze haar overtuiging bijstelt en kinder- en geloofsdoop als keuzemenu aanbiedt. De kerk loopt in de ogen van de wereld achter, wanneer ze vrouwen de toegang tot het ambt ontzegt. Maar degenen die daartegen de wapens opnemen worden echt niet ontvankelijk voor de boodschap van de kerk wanneer die het ambt voor vrouwen openstelt om de moderne samenleving niet te mishagen. Wellicht zijn er goede argumenten om de tot nu toe verdedigde overtuigingen ten aanzien van de doop of het ambt bij het vuilnis te zetten, maar dat zullen dan toch echt andere argumenten moeten zijn dan zulke die ontleend zijn aan wat ‘men’ aanvaardbaar vindt.

Stoppels roept gemeenten op een “sterk profiel” te kiezen. Dat kan niets anders zijn dan de onversneden boodschap van de Schrift. Net als de meeste medicinale drankjes is die niet zoetsappig, maar wel heilzaam en geneeskrachtig.

Advertenties

U verdient eerherstel

Ik ben netjes opgevoed, al zeg ik het zelf. Mensen die ik niet persoonlijk ken, spreek ik met u aan. Dat geldt ook voor de jongeman of jongedame achter de kassa bij de supermarkt, ook al is die kennelijk de 20 nog niet gepasseerd. Wanneer zo iemand vraagt: “wil je de kassabon?”, antwoord ik: “alstublieft”.

Als ik me voorstel noem ik m’n voor- èn achternaam. Dat schijnt tegenwoordig nogal ongebruikelijk te zijn. In mijn gemeente wordt vóór de dienst de aanwezigen verzocht degenen die in hun directe omgeving zitten een hand te geven en kennis te maken. Ik probeer dat te vermijden, want ik vind dat een nogal zinloze exercitie. Soms lukt dat niet. Dan zegt iemand: “Hoi, ik ben Jan”. Dat is fijn voor hem maar niet erg informatief voor mij. Er zijn tenslotte wel meer hondjes die Fikkie heten. Je gaat bijna denken dat we terug zijn in het tijdperk toen de meeste mensen geen achternaam hadden.

Waar vroeger het tutoyeren en het aanspreken met de voornaam beperkt bleef tot de kring van familie en vrienden, gebeurt het tegenwoordig te pas en te onpas. Ik heb een abonnement op Nader Bekeken. Sinds enkele maanden weet ik nu hoe alle scribenten van voren heten. Heel interessant, maar worden de artikelen daar beter van? Krijg ik daardoor het idee dat ik hen nu beter ken? Ik dacht het niet.

We schijnen het tutoyeren en het gebruik van voornamen als winst te moeten beschouwen. Men vindt blijkbaar dat de samenleving daar leuker van wordt. Daar ben ik niet zo zeker van. Gemakkelijker wordt ze er in elk geval niet van. Mensen hebben rituelen en vaste patronen nodig om hun weg in de samenleving te kunnen vinden. Spreek je iemand die zich met de voornaam voorstelt zomaar met je aan of gebruik je toch maar u? En geeft dat de vrijheid dan ook maar zijn of haar voornaam te gebruiken of wordt het toch meneer en mevrouw? Onze koning vindt dat iedereen hem maar moet aanspreken zoals men zelf wil en waar men zich comfortabel bij voelt. Maar juist die houding heeft tot gevolg dat mensen zich oncomfortabel voelen. Die uitspraak valt daarom in de categorie ‘een beetje dom’.

Uiteraard gaan de hier geschetste tendenzen de kerk niet voorbij. Ze moet tenslotte met de tijd meegaan. En dus nemen veel voorgangers de vrijheid hun toehoorders met je en jij aan te spreken, of die nu 20 dan wel 80 zijn. Niemand heeft hun ooit gevraagd of ze dat wel goed vinden. Het is dan ook geen wonder dat de predikanten zelf ook getutoyeerd worden en met hun voornaam worden aangesproken. Veel van hen willen dat zelfs. Is dat winst? Wordt de kerkelijke samenleving daar leuker van? Daar ben ik niet zo zeker van. Beter wordt ze er in elk geval niet van.

In het dagblad Trouw loopt momenteel een serie over Respect. In de eerste bijdrage gaat Peter Henk Steenhuis uitvoerig in op het begrip respect. Hij laat zien dat dit oorspronkelijk betekende ontzag of eerbied. “De patiënt keek tegen de arts op omdat de man ervoor gestudeerd had en gezondheid een belangrijk goed was. Zo had je ook respect voor een predikant: die vertegenwoordigde iets wat voor jouw leven van belang was.” Inmiddels wordt dit begrip op een heel andere manier gehanteerd. Steenhuis verwijst naar een ethicus, volgens wie respect tegenwoordig “is gericht op een onvervreemdbare waardigheid die wij allemaal bezitten. Die waardigheid zou je ook kunnen vertalen als ‘autonomie van ieder mens, die we in acht moeten nemen’.”

Hij signaleert vervolgens een andere betekenis, die nog eens in twee tegengestelde aspecten uiteenvalt: “het respect voor de onvervreemdbare waardigheid (wij zijn allemaal gelijkwaardig) en dat voor het bijzondere dat wij allemaal menen te bezitten: wij zijn allemaal als individu ongelijkwaardig en dienen zo behandeld te worden.” Die twee aspecten zijn in feite onverenigbaar. Niettemin lijkt me dat ze wel iets gemeenschappelijks hebben: ze zijn beide ik-gericht. In beide gevallen wordt respect gevraagd of zelfs geëist, niet gegeven. Respect eisen gaat de meeste mensen wel goed af, respect betonen veel minder.

Ook de kerk wordt daarmee geconfronteerd. Tegen geloven wordt geen bezwaar gemaakt, maar de kerk moet vooral niet de pretentie hebben te beschikken over de waarheid en waarden en normen uit te dragen die voor iedereen gelden. Daarmee zou ze zich niet alleen verheffen boven andere krachten in de samenleving, maar laat ze het bovendien ontbreken aan respect voor andersdenkenden.

Ook binnen de kerk wordt respect gevraagd en soms zelfs opgeëist. Kerkleden vinden het in toenemende mate moeilijk broeders en/of zusters aan te spreken op hun opvattingen of gedragingen. Er is een sfeer ontstaan waarin iedereen zelf moet bepalen wat hij gelooft en hoe hij zijn leven inricht. Kritiek daarop wordt steeds minder geaccepteerd. Daarmee hebben ook ambtsdragers te maken. Het feit dat ze een ambt bekleden speelt nauwelijks meer een rol in de manier waarop wordt omgegaan met wat zij – naar hun overtuiging op grond van de Schrift – naar voren brengen.

Het valt echter te vrezen dat ze dit soms zelf ook in de hand werken. Durven ze zich nog als ambtsdrager te presenteren en geloven ze nog dat het ambt hun gezag verleent? Het feit dat steeds meer predikanten zich met de voornaam laten aanspreken en laten tutoyeren wijst er niet op dat ze een sterk besef van hun ambt en het daarmee gepaard gaande gezag hebben. De nadruk op de gelijkheid tussen ambtsdragers en de ‘ambteloze burgers’ in de kerk ondermijnt het besef dat ambtsdragers met gezag bekleed zijn en dat ze daarmee principieel niet gelijk zijn aan anderen.

Het gebruik van de achternaam of de ambtstitel – zoals ‘dominee’ – en de aanspraak met u worden tegenwoordig als afstandelijk gezien. Dat lijkt me niet terecht. Afstandelijkheid zit ‘m niet in de aanspraak maar in de omgang: ook mensen die elkaar met u en met de achternaam aanspreken kunnen vriendschappelijk en zelfs vertrouwelijk met elkaar omgaan.

Een ambtsdrager mag zich tegenover de gemeente en individuele gemeenteleden niet afstandelijk gedragen. Maar dat betekent niet dat enige afstand niet gewenst is. Dat heeft niet alleen te maken met de gevaren die in een te grote vertrouwelijkheid schuilen. Een gebrek aan afstand maakt het ook moeilijk gemeenteleden te vermanen wanneer dat nodig is. Het spreekwoord zegt: “Het is een vriend die mij mijn feilen toont”. In dat geval wordt iemand aangesproken door iemand die principieel zijn gelijke is. Hij kan de kritiek aanvaarden, omdat die van een vriend afkomstig is. Hij kan ook de vriendschap op het spel zetten door de kritiek te verwerpen. Bij het optreden van een ambtsdrager ligt dit principieel anders. Een gemeentelid dient deze kritiek niet te aanvaarden omdat die van een vriend – en dus van zijn gelijke – komt, maar omdat de ambtsdrager – op grond van de van God ontvangen roeping – de taak heeft hem te vermanen. Dat vermaan moet broederlijk zijn en vanuit de Schrift geargumenteerd worden, maar mag niet vrijblijvend zijn. Daarvoor is dan wel nodig dat zijn gezag aanvaard wordt.

Er is daarom alle reden het besef van de betekenis van het ambt en het daarmee gepaard gaande gezag te herstellen. Maar dan moeten ambtsdragers – en dat geldt in het bijzonder voor predikanten – hun gezag niet laten uithollen door al te familiair te worden. Om een echte herder te zijn hoeft een predikant zich niet met zijn voornaam te laten aanspreken en zich te laten tutoyeren. U verdient eerherstel, zeker in de kerk.

Modern is ouderwets

“Verontruste kerkleden zijn eigenlijk modern”, staat als kop boven een artikel in de bijlage ‘Gulliver’ van het Nederlands Dagblad van 18 januari j.l. Dat is nog eens wat anders dan te worden weggezet als ‘ouderwets’ of ‘niet van deze tijd’. Maar dat is schijn. De auteur, Maarten J. Verkerk, bijzonder hoogleraar christelijke wijsbegeerte aan enkele universiteiten, gebruikt de term ‘modern’ in filosofische zin en zet die tegenover ‘postmodern’. Met behulp van deze begrippen wil hij de tegenstellingen binnen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) analyseren. Hij spreekt in dit verband van een “clash tussen een ‘moderne’ en een ‘postmoderne’ kerk”. Die ziet hij geïllustreerd in de tegenstelling tussen de ‘verontrusten’ die vorig jaar in Bunschoten bijeen kwamen en de kerkplantingsgemeente ‘Stroom’ in Amsterdam, die in het kerkverband wilde worden opgenomen, ondanks afwijkende kerkelijke praktijken.

Het kan zeker zinvol zijn met behulp van filosofische begrippen verschijnselen in kerkelijke kring te analyseren. Het is dan wel van belang die begrippen goed te definiëren en na te gaan of die definities wel passen bij de beschreven verschijnselen. Verkerk geeft wel een karakterisering van de door hem gehanteerde begrippen ‘modern’ en ‘postmodern’, maar wanneer hij die vervolgens gaat toepassen op de door hem genoemde ‘stromingen’, slaat hij de plank mis. Ik zal me hier niet gaan bezighouden met de vraag of, bijvoorbeeld, de ‘Stroom’-gemeente zich herkent in het beeld dat Verkerk van een ‘postmoderne’ kerk schetst. Vertegenwoordigers van die gemeente en degenen, die haar na staan, kunnen voor zichzelf spreken. Ik concentreer me op het beeld dat Verkerk van de ‘verontrusten’ schetst. Het feit dat hij die term gebruikt, doet al vermoeden dat zijn sympathie niet aan die kant ligt. De ‘verontrusten’ willen niets anders dan gewoon gereformeerd blijven. Ik zal daarom de term ‘gereformeerden’ voor hen gebruiken.

Wat moeten we, volgens Verkerk, onder ‘modern’ en ‘postmodern’ verstaan? Hij maakt dat duidelijk door drie begrippenparen, die de tegenstelling tussen beide karakteriseren: “kennis versus beleving, uniformiteit versus diversiteit en beheersing versus ontwikkeling”. De eerstgenoemde begrippen acht hij karakteristiek voor de gereformeerden.

De tegenstelling tussen ‘kennis’ en ‘beleving’ is heel herkenbaar. We leven in een tijdperk waarin ‘beleving’ centraal staat. In een artikel op Trouw.nl van 20 januari j.l., getiteld “God boven de ikken”, schrijft de rooms-katholieke priester Antoine Bodar heel treffend: “We leven van de beleving en daardoor veelal van de sensationalisering. Een uur zonder emotie is een verloren uur.” Het heeft ook consequenties ten aanzien van de manier waarop met normen wordt omgegaan. Er bestaat een wijdverbreide allergie tegen van boven opgelegde normen. Ieder maakt zelf uit wat goed en wat fout is. Doorslaggevend is vooral wat ‘goed voelt’. De daaruit afgeleide normen staan in feite niet meer ter discussie. Ze onttrekken zich aan de categorieën ‘juist’ of ‘onjuist’. Daar tegenover staat dan ‘kennis’; gereformeerden hanteren die, volgens Verkerk, op een ‘moderne’ manier. Het is veelzeggend dat hij hieraan tussen haken ‘belijden’ toevoegt. Kennelijk ziet hij het belijden – zoals dat vooral in de gereformeerde belijdenisgeschriften tot uiting komt – als iets waarin ‘kennis’ centraal staat en dat tegenover ‘beleving’ staat. Gereformeerden die hun belijdenis lief hebben, herkennen dat in het geheel niet. De Heidelbergse Catechismus – dit jaar 450 jaar oud – werd en wordt vaak het “troostboek van de kerk” genoemd. De inzet maakt direct duidelijk dat het hier niet om een abstracte uiteenzetting van de leer van de kerk gaat, maar de gelovigen aanspreekt midden in hun leven van elke dag. Het gaat om het hart van de mens. De Catechismus verkondigt het Woord en vraagt om een antwoord. Kennis en beleving horen bij elkaar.

De manier waarop het postmodernisme met ‘kennis’ omgaat heeft alles te maken met de visie op wat ‘waarheid’ is. Ik verwijs naar een artikel dat op 17 januari j.l. verscheen in Trouw. De filosoof Sebastien Valkenberg schreef dit naar aanleiding van de bekentenissen van wielrenner Lance Armstrong, vele malen winnaar van de Tour de France. Veel wielerliefhebbers voelen zich bedrogen na zijn bekentenis dat hij jarenlang (verboden) prestatiebevorderende middelen gebruikte. Valkenberg trekt een vergelijking met de affaire-Stapel, toen veel wetenschappers zich bedrogen voelden door diens jarenlange manipulatie van onderzoeksgegevens.

Valkenberg spreekt zijn verbazing uit over de algemene verontwaardiging. “Hoeveel recht heeft het publiek eigenlijk om zich bekocht te voelen? De afgelopen decennia heeft het postmodernisme ons immers ingeprent dat er niet zoiets bestaat als de waarheid. Het begrip zou een overblijfsel zijn uit de tijd van de Verlichting. Logischerwijs wordt het lastig om iemand van leugens, bedrog en frauduleus gedrag te beschuldigen. Als een begrip zijn bestaansrecht heeft verloren, is het niet langer mogelijk om dit geweld aan te doen. Zonder waarheid ook geen leugens.” Over het postmodernisme schrijft hij verder: “Deze filosofische stroming heeft vele vertegenwoordigers, maar zonder uitzondering pleiten ze ervoor het klassieke waarheidsbegrip te schrappen. Er zou slechts een veelheid aan perspectieven bestaan – zoveel als er mensen zijn. Het ene perspectief kan geen hoger waarheidsgehalte claimen dan het andere.” Als Valkenbergs analyse van het ‘postmodernisme’ juist is, hoe kan een kerk dan ‘postmodern’ zijn? Het kan in elk geval geen belijdende kerk zijn. Verkerk suggereerde dat al door ‘belijden’ met een ‘modern’ begrip als kennis te verbinden.

Is de tegenstelling tussen ‘kennis’ en ‘beleving’ al problematisch, de andere begrippenparen zijn dat al evenzeer. Verkerk stelt de ‘uniformiteit’ van de ‘moderne’ kerk tegenover de ‘diversiteit’ van de ‘postmoderne’. Daar komen we in het onderhavige geval niet veel verder mee. Gereformeerden herkennen zich niet in de suggestie dat zij naar ‘uniformiteit’ streven. De Gereformeerde Kerken hebben altijd diversiteit gekend. Over zaken waarover de belijdenisgeschriften zich niet uitlaten en waarover geen kerkelijke uitspraken zijn gedaan, bestaat in beginsel vrijheid van meningsuiting, ook onder predikanten. De vrijheid van de exegese heeft bij gereformeerden altijd hoog in het vaandel gestaan. Verkerk typeert ‘diversiteit’ met “laat veel bloemen bloeien”. Dat willen gereformeerden ook. Maar er is geen ruimte voor onkruid. Daarom is de vrijheid van exegese niet onbegrensd. Er gaat een dogmatisch vooroordeel aan vooraf: de overtuiging dat de Schrift het Woord van God is. Zonder dat vooroordeel verwordt de vrijheid van exegese tot anarchie. Daarvan zijn de gemeente en haar leden de slachtoffers. In een ‘postmoderne’ kerk kunnen geen grenzen aan die vrijheid worden gesteld. Want wie heeft het recht te claimen dat hij de waarheid kent, laat staan die op papier te zetten en voor iedereen bindend te verklaren?

Het laatste begrippenpaar betreft ‘beheersing’ en ‘ontwikkeling’. Het eerste ziet Verkerk als kenmerkend voor een ‘moderne’ kerk. Hij ziet het, net als de hiervoor genoemde zaken, als “wapen” om het kerkelijk leven te “sturen”. In dit verband gebruikt hij het begrip ‘top-down’, in tegenstelling tot ‘bottom-up’, dat karakteristiek zou zijn voor de ‘postmoderne’ kerk. Maar is dat wel zo? Hoe ‘bottom-up’ is een ‘postmoderne’ kerk eigenlijk? Komen nieuwe ideeën wel echt van onderop? Hebben veel mensen – met alle respect gesproken – toch vaak niet dezelfde opvattingen als degene van wie ze het laatste iets hebben gelezen? In de kerkelijke wereld van vandaag circuleren veel ideeën die vaak niet of nauwelijks verenigbaar zijn met de gereformeerde leer. Die komen toch meestal echt uit boekjes of van websites die zijn geproduceerd door theologen of door mensen die zich als ‘geestelijke leiders’ met een ‘bediening’ opwerpen. En juist waar een gereformeerde kerkstructuur ontbreekt, wordt de gemeente vatbaar voor wat vanaf kansel of katheder als waarheid wordt gepresenteerd. Want het mag dan ‘postmodern’ zijn een vraagteken te zetten achter de kenbaarheid of zelfs het bestaan van ‘waarheid’, aan het aplomb waarmee nieuwe ideeën worden gepropageerd zou je dat niet aflezen.

Zet daar de gereformeerde belijdenis eens tegenover. Komt die van bovenaf? De belijdenisgeschriften zijn producten van de strijd van de kerk om de waarheid. Ze zijn kerkelijk geijkt, niet omdat ze in een hiërarchische kerkstructuur aan de gemeenten werden opgelegd, maar omdat de kerk die in haar meeste vergaderingen – waar alle kerken vertegenwoordigd zijn – als waarheid hebben aanvaard. En nog altijd hebben kerken de volle vrijheid zich te onttrekken aan een kerkverband waarin die belijdenis als toetssteen wordt gehanteerd. Wanneer gereformeerden ernaar streven dat de kerk gereformeerd blijft, is dat geen poging het kerkelijk leven te sturen. Het is geen theologenbeweging, maar een beweging van ‘gewone’ gereformeerden die hun belijdenis lief hebben en geloven dat die in overeenstemming is met de leer van apostelen en profeten. Voor een gereformeerde is de belijdenis die hij wil hooghouden niet alleen de belijdenis van de kerk, maar vooral zijn belijdenis.

Tegenover ‘beheersing’ of ‘sturing’ stelt Verkerk ‘ontwikkeling’ als kenmerk van de ‘postmoderne’ kerk. Daarmee suggereert hij dat in gereformeerde kring van ‘ontwikkeling’ geen sprake is. Maar ‘ontwikkeling’ is nu juist typisch gereformeerd. Het is de bereidheid zich steeds te reformeren. Zelfs de belijdenis is geen dichtgetimmerd bouwwerk. Ze staat niet naast, maar onder de Schrift. Wie meent dat de belijdenis afwijkt van de Schrift of meer zegt dan schriftuurlijk verantwoord is, heeft recht op een open oor en een eerlijke toetsing van zijn bezwaren. Die toetsing vindt dan wel plaats op basis van wat uiteindelijk de doorslag geeft: de Schrift als Woord van God. Alleen dat Woord is ‘top-down’.

Het probleem dat gereformeerden met veel hedendaagse opvattingen – ‘modern’ of ‘postmodern’ – hebben, is niet dat ze nieuw of ongewoon zijn. Het probleem is dat ze vaak niet beargumenteerd worden vanuit de Schrift of dat ze gebaseerd zijn op een Schriftexegese die die naam niet of nauwelijks verdient. Het is geen bezwaar wanneer inzichten veranderen, zolang die het resultaat zijn van een verdiept inzicht in de Schrift. Maar het gaat in veel gevallen eerder om hoogstpersoonlijke inzichten die aan de schriftuurlijke toetsing van de gemeente en het kerkverband worden onttrokken.

De begrippen ‘modern’ en ‘postmodern’ zijn te schematisch om daarmee kerkelijke ontwikkelingen te analyseren. Uiteindelijk is het artikel van Verkerk niet meer dan een pleidooi voor een ‘postmoderne’ kerk. Hij vraagt zich af of de strijd van de ‘verontrusten’ geen “achterhoedegevecht” is. Daarmee zijn de gereformeerden die het etiket ‘modern’ kregen opgeplakt, tenslotte toch weer ‘ouderwets’. George Orwell laat groeten.

De regie van de tijdgeest

Het zal de in kerkelijke zaken geïnteresseerden niet ontgaan zijn: de Church of England – in de wandeling: de Anglicaanse Kerk – heeft de vorige week op haar synode het recht van vrouwen tot bisschop benoemd te worden, afgewezen. Erg overtuigend waren de stemverhoudingen niet. In elk van de drie categorieën synodeleden – bisschoppen, priesters en leken – moest tenminste tweederde vóór stemmen. Bij de twee eerstgenoemde categorieën werd die meerderheid ruimschoots gehaald, maar bij de leken ontbraken slechts zes stemmen voor de benodigde tweederde meerderheid. Maar volgens de regels was het voorstel wel afgewezen.

De druiven waren zuur voor het kerkelijke establishment. De aftredende aartsbisschop Rowan Williams werd geciteerd met de woorden: “We hebben heel wat uit te leggen” (Trouw, 23.11.12). Wat en aan wie, vraag je je dan af. Alles is toch volgens de regels verlopen? Er was een voorstel dat ook vrouwen in de toekomst het ambt van bisschop zouden mogen bekleden. Dat werd aan de synode voorgelegd. Die heeft bepaalde regels ten aanzien van de stemverhoudingen. Die hebben het genoemde resultaat opgeleverd. Wat valt daar eigenlijk aan uit te leggen?

Misschien bedoelt Williams dat er inhoudelijk iets uit te leggen is. Maar je mag toch aannemen dat ter synode over het voorstel is gediscussieerd. Daarbij hadden de voor- en tegenstanders de gelegenheid uit te leggen waarop hun respectievelijke standpunten zijn gebaseerd. Wie vragen heeft over de motieven van de tegenstanders moet de notulen van de synodevergadering maar lezen. Overigens valt nauwelijks aan te nemen dat die standpunten nog niet bekend waren. Over deze kwestie wordt al jaren gediscussieerd en in de media zullen de opvattingen van voor- en tegenstanders wel aan de orde gekomen zijn. Dus zoveel nieuws zal het lezen van de notulen van de desbetreffende synodevergadering wel niet opleveren.

De geciteerde zinsnede heeft uiteraard een andere bedoeling. Wat Williams eigenlijk wil zeggen is: dit valt niet uit te leggen. Dat wordt wel duidelijk uit een eerdere uitlating die uit zijn mond werd opgetekend. “Buitenstaanders zouden volgens hem weinig begrip kunnen opbrengen voor een instituut dat ‘oostindisch doof lijkt’ voor moderne ontwikkelingen.” (Trouw, 23.11.12). Daar wringt dus de schoen. Iets meer dan een derde van de lekenleden van de synode heeft het aangedurfd ‘nee’ te zeggen tegen wat door de publieke opinie als ‘modern’ wordt beschouwd. Daarbij kan men zich afvragen of dit werkelijk de ‘publieke opinie’ is of eerder wat kerkelijke – en politieke – smaakmakers denken dat de publieke opinie is.

Ik betrek hier niet voor niets politieke smaakmakers bij. Want ook de politiek in het Verenigd Koninkrijk roerde zich. In hetzelfde nummer van Trouw stond te lezen: “Labour-parlementariër Ben Bradshaw spreekt van een ‘gevaarlijk moment’ voor de kerk. ‘De Church of England moet verantwoording afleggen aan het parlement’, waarschuwde [hij] tijdens een uitzending van de BBC. ‘Als de synode dit zelf niet kan afhandelen, zullen we moeten ingrijpen.’ Bradshaw liet in het midden wat hij precies onder ingrijpen verstaat. Mogelijk wordt de kerk aangesproken op gelijkheidsbeginselen: het niet toestaan van vrouwen voor een bepaalde functie zou immers kunnen neerkomen op discriminatie.”

Niet alleen blijft onduidelijk welke maatregelen de desbetreffende parlementariër in gedachten heeft, maar ook waarop hij een eventueel ingrijpen door de overheid zou willen baseren. Hierbij dient bedacht te worden dat de Church of England staatskerk is: de Britse koningin is formeel hoofd van de kerk. Dat geeft de kerk aan de ene kant een stevige maatschappelijke positie, aan de andere kant maakt het haar ook kwetsbaar, zoals nu blijkt. Er is alle reden de verdere ontwikkelingen nauwlettend te volgen. Wanneer een ingrijpen vanuit de politiek bijvoorbeeld beargumenteerd zou worden met de opvatting dat ook kerken zich moeten onderwerpen aan het non-discriminatiebeginsel dat in de maatschappij geldt, dan wordt het ook voor andere kerken – in het Verenigd Koninkrijk, maar ook elders – ineens een heel actuele kwestie. Het is onwaarschijnlijk dat de bemoeienis van de politiek zich dan tot de Church of England zal beperken. Dan komt het hele beginsel van de scheiding van kerk en staat op de tocht te staan.

Inmiddels zijn de reacties op de uitslag van de stemming ter synode wel onthullend. Sommigen menen dat de besluitvormingsprocedure veranderd moet worden. De voormalige aartsbisschop George Carey “zet nu zijn vraagtekens bij het beslistraject van de synode. ‘Een tweederde meerderheid krijgen is erg lastig. Ik vraag me af hoeveel politieke partijen kunnen regeren met een tweederde meerderheid.'” De regels kunnen natuurlijk altijd veranderd worden. Het was wel geloofwaardiger geweest, wanneer die in een eerder stadium ter discussie waren gesteld. Dat die nu onder vuur genomen worden is niet erg overtuigend. Careys reactie is die van een slechte verliezer. Voor een ruime meerderheid is alles te zeggen. Als ik het wel heb gelden in Nederland in veel kerken vergelijkbare regels bij het beroepen van een predikant. Een ruime meerderheid moet haar stem aan een beroep geven; dat is essentieel voor het draagvlak en dus voor de vrede in de gemeente. De eis van een tweederde meerderheid bemoeilijkt manipulatie en verkleint de armslag van lobbyisten. Zo gek is die regel dus niet.

Ook het Conservatieve Lagerhuislid Tony Baldry liet zich lelijk in de kaart kijken. “Een ander beslistraject zou moeten leiden tot meer representativiteit.” Die kritiek zou hout snijden wanneer de geestelijken – bisschoppen en priesters – er een positief besluit hadden doorgedrukt tegen de wil van de meerderheid van de leken in. Hoe kan een parlementariër er bezwaar tegen hebben dat de wil van de ‘gewone’ kiezer – in dit geval de leken ter synode – de doorslag geeft? Daar heeft hij – nota bene gekozen in een districtenstelsel – zijn Lagerhuislidmaatschap aan te danken.

Het meest onthullend is de hele gang van zaken echter voor de toestand van de Anglicaanse kerk. De afwijzing van de benoeming van vrouwen tot bisschop geeft geen enkele reden tot blijdschap. Het is uiteindelijk niet meer dan een achterhoedegevecht. In 1992 werd het ambt van priester opengesteld voor vrouwen. Daarmee werd de wissel ten aanzien van de bekleding van kerkelijke ambten omgezet. Het is dan weinig logisch het ambt van bisschop voor vrouwen gesloten te houden. In die zin hebben de tegenstanders ter synode het één en ander uit te leggen. De uitsluiting van vrouwen van het ambt van bisschop verandert ten principale ten slotte helemaal niets.

Maar het probleem van de Church of England zit uiteindelijk niet in deze kwestie, maar veeleer in de manier waarop met de Schrift wordt omgegaan. De al eerder geciteerde Rowan Williams gaf onbedoeld precies aan wat er scheef zit: de kerk moet zich in haar opvattingen aanpassen aan ‘moderne ontwikkelingen’. Dat is de logische uitkomst van de ontwikkeling die zijn kerk de laatste decennia heeft doorgemaakt. De Schrift heeft al lang niet meer het laatste woord. En dan duurt het niet lang voordat de tijdgeest de regie overneemt. Dan is het einde niet in zicht. Ook allerlei andere zaken zullen dan moeten worden geofferd op het altaar van de publieke opinie – of wat daarvoor doorgaat.

De Schrift verdraagt zich niet met de tijdgeest en een kerk die het gezag van de Schrift hooghoudt dus ook niet.

De boodschap van Sandy

Noord-Amerika en een groot deel van de wereld waren de vorige week in de ban van de orkaan Sandy. Weliswaar is men in dat gebied wel iets gewend als het om stormen en orkanen gaat, maar de manier waarop Sandy huishield was zelden eerder vertoond. Het is niet meer dan logisch dat men zich bij zo’n verschijnsel achter de oren krabt en zich afvraagt of hier misschien specifieke oorzaken aan ten grondslag liggen.

Sommigen hadden hun antwoord gauw klaar. In de interneteditie van de Belgische krant Het Laatste Nieuws las ik de volgende kop: “Sandy is de schuld van Obama en de homo’s”. De krant verwees daarmee naar het commentaar van John McTernan, één van de vele Amerikanen die zichzelf opwerpen als spreekbuis van evangelicaal Amerika. Ook Trouw maakte melding van de uitlatingen van McTernan op zijn weblog. Als je zoiets leest zou je je bijna schamen christen te zijn. Je zult maar met zo iemand geassocieerd worden.

De vraag mag wel gesteld worden hoe christelijk McTernan wel is. Hij noemt president Obama een “harde linkse fascist” en beschuldigt hem ervan onder één hoedje te spelen met de Moslim Broederschap met het doel Israël te vernietigen. Ik neem aan dat McTernan de Tien Geboden kent, maar het vijfde en het negende daarvan gelden kennelijk niet voor hem.

Maar heeft hij wel ongelijk dat Sandy een straf op de zonde is? Nee, daar heeft hij helemaal gelijk in. Natuurrampen zijn een gevolg van de zondeval en elke ramp drukt ons met de neus op die werkelijkheid. Maar dat geldt niet alleen voor een ramp van uitzonderlijke omvang, zoals deze. Dat geldt voor elke natuurramp. Ook voor natuurrampen die elders plaatsvinden. Waarom zou Sandy een straf zijn op de tolerantie ten aanzien van homosexualiteit in de Verenigde Staten, zoals McTernan meent? Voordat de storm in zijn land huishield, waren er in Haïti en Cuba al slachtoffers gevallen. Wat was hùn zonde? Het Nederlands Dagblad van 1 november wist te melden dat vrijwel tegelijkertijd delen van Azië door zware stormen geteisterd werden, die ook veel mensen het leven kostte. Wat hadden zij misdaan? Tolerantie ten aanzien van homosexualiteit kan hun moeilijk worden aangewreven, want in die gebieden heeft men daarover doorgaans wat andere opvattingen dan in de westerse wereld. De term ‘westerse wereld’ gebruik ik met opzet, want de heersende opvattingen in de VS en die in West-Europa verschillen op dat vlak niet fundamenteel. Waarom bleef Europa dan gespaard?

Zou God toch niet een specifieke bedoeling met een natuurramp kunnen hebben en die zelfs kunnen gebruiken om de wereld te straffen? Natuurlijk zou dat best kunnen. Maar wij kunnen niet in zijn draaiboek kijken. Het staat niet aan ons te speculeren over zijn bedoelingen. Bovendien gaan mensen dan al gauw hun eigen stokpaardjes berijden. Dat blijkt wel uit de uitlatingen van McTernan. Waarom zouden de opvattingen over homosexualiteit bij uitstek de toorn van God opwekken? Zijn er soms ook geen andere dingen waarover Hij zich boos kan maken? Om in de Verenigde Staten te blijven: hoe staat het met de zorg voor armen en zieken? Zou God zich wellicht ook boos kunnen maken over het materialisme en de hebzucht, die onder andere in het massaal kopen op krediet tot uiting komt? Waar is de wereldwijde kredietcrisis ook al weer begonnen? En hoe staat het met de zorg voor de schepping? Dat lijkt hier bij uitstek relevant, want volgens deskundigen hebben de frequentie waarmee zware stormen zich manifesteren en de kracht ervan te maken met de opwarming van de aarde. Maar juist daarvan – en vooral van de rol van de mens daarin – willen veel christenen in Amerika niets weten. Je krijgt ook niet bepaald de indruk dat ze erg voorop lopen in de bescherming van de schepping tegen uitbuiting door de mens.

Wanneer iemand van mening is dat een natuurramp een straf op de zonde is en meent daaraan uiting te moeten geven, is daar niets op tegen. Maar dan zou hij wel een voorbeeld moeten nemen aan Oudtestamentische figuren als Daniël en Nehemia. Wanneer ze God hun nood klagen, wijzen ze niet anderen als schuldigen aan. Ze betrekken zichzelf er nadrukkelijk bij. Niet zij – “de schare die de wet niet kent” – maar wij hebben gezondigd en gedaan wat kwaad is in Gods ogen (Daniël 9; Nehemia 1). Dat is wat anders dan naar bepaalde bevolkingsgroepen of personen wijzen en zichzelf buiten schot laten. Daniël en Nehemia spreken ook andere taal dan McTernan wanneer zij hun zondigheid en die van het volk waarmee ze zich verbonden voelen niet beperken tot specifieke zonden, maar de houding ten aanzien van de geboden van God als oorzaak voor zijn toorn en straf aanwijzen. McTernan zou er goed aan doen Lukas 13 eens te lezen. Jezus herinnert zijn toehoorders aan “die achttien die stierven doordat de Siloamtoren op hen viel – denken jullie dat zij schuldiger waren dan alle andere mensen die in Jeruzalem wonen? Zeker niet, zeg ik jullie, maar als jullie niet tot inkeer komen, zul je allemaal net zo sterven als zij”.

Natuurrampen zoals Sandy leren de mens ook bescheidenheid, zoals de Amerikaanse rabbijn Benjamin Blech op zijn weblog schreef (Nederlands Dagblad, 30.10.12). “Wij denken te weten waar we naartoe gaan, maar in werkelijkheid kunnen we dat nooit met zekerheid zeggen. Om de zoveel tijd moeten we daaraan herinnerd worden.” De les van Sandy is dat God de wereld regeert. Dankzij Sandy zien we de waarheid achter het gezegde dat de mens wikt en God beschikt.

Of we natuurrampen als Sandy nu interpreteren als een straf van God of als een les in bescheidenheid, de boodschap van Sandy is niet alleen maar voor anderen bestemd, maar toch in de eerste plaats voor onszelf.

Een lege huls

We leven in een tijd van economische crisis. Het woord ‘bezuinigen’ ligt op de lippen van vrijwel elke politicus bestorven. Dat er bezuinigd moet worden staat vast. De vraag is alleen: waarop? En dan beklimmen politieke partijen en hun vertegenwoordigers hun stokpaardjes. De noodzaak tot bezuinigen wordt dan al gauw een stok om de hond te slaan waaraan men toch al een hekel had. VVD en PVV lopen te hoop tegen ontwikkelingssamenwerking en ook de publieke omroep moet flink gekortwiekt worden. De inmiddels demissionaire minister Van Bijsterveld, die verantwoordelijk is voor omroepzaken, heeft de publieke omroepen tot fusies gedwongen. Dat leidt onder andere tot het samengaan van KRO en NCRV.

Er zullen wel niet veel luisteraars en kijkers zijn die het idee hebben dat hiermee iets wezenlijks verloren gaat. Er zullen wel verschillen zijn in presentatie en er is ook nog zoiets als ‘nestgeur’, maar inhoudelijke verschillen zijn nauwelijks te ontwaren. De vraag is gewettigd waarom nu uitgerekend deze omroepen gaan fuseren. Zou de NCRV, bijvoorbeeld, niet net zo goed met de AVRO een nieuwe omroep kunnen vormen? De laatste is weliswaar levensbeschouwelijk ‘neutraal’ – wat dat dan ook mag zijn – maar men mag zich afvragen of de NCRV dat in feite ook niet is.

Op 1 april van dit jaar schreef Willem Pekelder, tv-recensent van Trouw, een artikel in zijn eigen krant, waarin hij KRO en NCRV verwijt geen raad te weten met hun christelijke wortels. De titel van zijn artikel is veelzeggend: “De lege huls van KRO en NCRV”. “Hilversum weet zich geen raad met het christendom. Om het omroepbestel te redden, zouden NCRV en KRO zich juist op dat punt moeten onderscheiden. Maar die huren liever een marketingbureau in.”

De KRO zet in op ‘leefstijlgroepen’. “Voor veel geld worden elke vijf jaar nieuwe imagocampagnes gelanceerd waarin de omroepverenigingen ons vertellen wat nu weer hun nieuwe gezichten en bijbehorende slogans zijn. (…) Met deze saus overgieten de omroepen hun programma’s, zodat ze, elk op hun eigen manier, naar het pijpen van de de leefstijlgroepen kunnen dansen.” Maar: “Zodra er iets ‘echt katholieks’ kan worden verteld, haakt de KRO af.”

Volgens hem is het met de NCRV nog treuriger gesteld. “De NCRV wil, onder Haagse dwang, een fusie aangaan met de KRO, maar is Human, de Humanistische Omroep, niet veel geschikter? Het programma ‘Man bijt hond’ kan zo meeverhuizen. En het enthousiasme van de NCRV over de jaarlijkse ‘Week van de euthanasie’ zou ook heel goed bij de humanisten passen. Toen NCRV-presentatrice Jetske van den Elsen kortgeleden uitlegde hoe je je moet laten ‘ontdopen’, was er geen twijfel meer mogelijk: dit is een filiaal van de Human. De NCRV-slogan ‘Wij geloven in de mensen’ past er perfect bij.”

Het hier geschetste beeld is heel herkenbaar. Nederland had ooit veel christelijke organisaties, die op allerlei terreinen van het maatschappelijke leven actief waren, van scholen tot vakbonden. Veel van die organisaties zijn inmiddels gefuseerd. Soms waren dat fusies tussen protestantse en rooms-katholieke organisaties (denk aan het CNV en het CDA), soms ook ging een christelijke organisatie in een ‘algemene’ op. Maar ook nog bestaande christelijke organisaties hebben vaak een karakter waarin maar weinig specifiek christelijks is te ontdekken. Veel scholen zijn alleen nog door hun naam als christelijk te herkennen, maar nauwelijks of niet meer in de inhoud van het onderwijs. Veel ouders kiezen dan ook voor zulke scholen vanwege hun kwaliteit en niet vanwege hun ‘christelijke’ karakter. Het is dan geen wonder dat het bestaansrecht van zulke scholen ter discussie wordt gesteld. Naarmate er meer bezuinigd zal moeten worden, zullen ongetwijfeld ook op het vlak van het onderwijs vragen gesteld worden. Moet de overheid christelijk onderwijs subsidiëren, wanneer het zich niet principieel van het openbaar onderwijs onderscheidt?

Dat seculieren de zin van christelijke organisaties ter discussie stellen is logisch. Zij zien meestal de zin van religie helemaal niet en begrijpen niet wat daarvan de betekenis is. Daarover hoeven we ons niet te verbazen of op te winden. Ernstiger is – en dat is de strekking van Pekelders artikel – dat de christelijke organisaties zelf met hun ‘christelijkheid’ in de knoop zitten. De bovengenoemde omroepen zijn niet de enige. Het Nederlands Dagblad kopte op 2 juni: “CDA formuleert ‘christelijke’ standpunten wollig”. De partij presenteerde het verkiezingsprogramma onder de titel ‘Iedereen’. Dat is niet zo verschillend van de slogans die KRO en NCRV gebruiken: ‘Samen op de wereld’ en ‘Goed leven’. De partij richt zich niet meer alleen op christenen. Dat hoeft helemaal geen probleem te zijn: veel christelijke idealen kunnen ook weerklank vinden bij niet-christenen, zij het vanuit andere motieven. Maar dat is nog geen reden de eigen motivatie te verzwijgen en de eigen idealen zo te formuleren dat de christelijke oorsprong ervan onder het kleed verdwijnt. Christelijke organisaties lijken bevangen door de angst expliciet te verwijzen naar de bron waaruit ze zijn voortgekomen. Nu past het christenen zeker bescheiden te zijn, vooral wanneer men regelmatig wordt geconfronteerd met situaties in eigen kring die zich maar moeilijk met het christelijk geloof laten rijmen. Maar dat is geen reden dan maar helemaal in je schulp te kruipen en het belang van het christelijk geloof zodanig te relativeren dat er niets van overblijft.

Met de titel ‘Iedereen’ wil het CDA tot uitdrukking brengen dat iedereen meetelt. Dat is een uitstekend uitgangspunt voor een politieke partij, zeker in een tijd waarin mensen of groepen mensen door bepaalde partijen achteruitgesteld worden. Dezelfde motivatie drijft ook KRO en NCRV, en ook daartegen is niets in te brengen. Het is zelfs de taak van een christelijke omroep te proberen iedereen te bereiken. Het uitgangspunt dat iedereen meetelt mag er echter niet toe leiden dat dan alle opvattingen en leefstijlen gelijkgesteld worden en alle principiële verschillen worden uitgewist. Het valt te vrezen dat veel ‘christelijke’ organisaties zich hebben laten wijsmaken dat het niet gepast is de eigen overtuiging als de waarheid te presenteren. Die opvatting werd in een artikel in Trouw van 25 mei j.l. verwoord in een artikel van Herman van Koetsveld, theoloog en predikant, en Enis Odaci, voorzitter van de stichting Humanislam. Volgens hen worden jodendom, islam en christendom verbonden door één centraal begrip: liefde. “De liefde voor God is de liefde voor ieder mens naast je, als fundament voor een samenleving van recht, welzijn, vrede en compassie. De tijd is rijp om vanuit dit ‘gemeenschappelijke woord’ de godsdiensten grondig te hervormen. (…) Allereerst zullen wij moeten leren de religieuze claim op de waarheid los te laten. Het is eenvoudig vast te stellen dat er talloze manieren zijn om God, of het goddelijke, te zoeken. Niet alleen als een fenomeen, maar ook als een geestelijke werkelijkheid.”

Je hoeft geen overtuigd christen te zijn om in te zien dat deze redenering innerlijk tegenstrijdig is. De liefde wordt in feite geproclameerd als een nieuw dogma dat de typisch christelijke, islamitische en joodse dogma’s vervangt. De drie genoemde godsdiensten moeten hun claim op de waarheid laten vallen, maar de auteurs stellen daar een nieuwe claim tegenover, namelijk de liefde als “fundament voor een samenleving van recht, welzijn en compassie”. Het probleem is dat iedereen onder liefde iets anders verstaat. Zolang het begrip niet concreet wordt ingevuld, is het als fundament voor de samenleving ondeugdelijk.

De uitwerking die ze er zelf aan geven, is een hoogst persoonlijke toepassing die met veel aplomb naar voren wordt gebracht als iets waarover iedereen het vanzelfsprekend eens is en die daarom geen nadere argumentatie behoeft. Zo’n argumentatie ontbreekt dan ook in het artikel. In feite is maar weinig van wat ze beweren zonneklaar en onomstreden.

Vraag aan een zaal vol mensen wie er tegen ‘de liefde’ is en er zal geen enkele hand omhoog gaan. Maar daarmee is nog niet gezegd dat die ook daadwerkelijk in het samenleven van mensen functioneert. Veel mensen zijn best bereid tot naastenliefde. Maar die moet dan wel wederkerig zijn. Wanneer ze niet beantwoord wordt, is het met de naastenliefde meestal snel gedaan. Wanneer het aan de mens zelf wordt overgelaten het begrip liefde in te vullen, wordt het een speelbal van persoonlijke, hoogst subjectieve gevoelens.

De liefde kan ook zo worden ingevuld dat geen grenzen worden gesteld en bijna alles met de mantel van de liefde wordt bedekt. Dat is logisch, wanneer in de liefde de mens en zijn behoeften en verlangens in het middelpunt staan, ook wanneer die helemaal niet zo gezond zijn, voor de betrokkene zelf of voor de samenleving. De opvoeding draagt daar de sporen van. Er wordt de laatste tijd nogal eens geklaagd over ‘betutteling’ door de overheid, bijvoorbeeld als het gaat om drankgebruik of eetgewoonten, met name van jongeren. Die ‘betutteling’ is het gevolg van het feit dat ouders geen grenzen (durven) stellen. Liefde is vaak de motivatie voor vrijwel onbeperkte vrijheid en tolerantie, met alle gevolgen van dien.

Liefde, in het bijzonder naastenliefde, is een uitstekend uitgangspunt voor christelijke organisaties, of dat nu politieke partijen, maatschappelijke instellingen, scholen of omroepen betreft. Het betekent dat men het goede voor alle mensen zoekt, en dat is niets anders dan een bijbelse opdracht. Maar dat betekent dan ook dat die naastenliefde vanuit de bron, de Schrift, moet worden ingevuld. Jezus vat de Tien Geboden van het Oude Testament samen in de bekende tweeslag: het liefhebben van God en het liefhebben van de naaste. Het tweede heeft haar wortel in en wordt ingevuld vanuit het eerste. Daarmee staat de naastenliefde altijd in het kader van de geboden van God, die het welzijn van de mens op het oog hebben.

De naastenliefde wist de grenzen tussen goed en kwaad niet uit, integendeel. Het lijkt heel menslievend iedereen te laten doen wat hem goeddunkt. Die ‘liefde’ is vaak een schaamlap voor wat in feite ongeïnteresseerdheid is. Echte naastenliefde laat mensen niet hun gang gaan in wat volgens de Schrift tot hun ondergang leidt. De mogelijkheden corrigerend op te treden in de samenleving zijn beperkt en maatschappelijke organisaties en politieke partijen kunnen vaak niet meer dan zaken aan de orde stellen en proberen anderen van de juistheid van hun inzichten te overtuigen. Maar dat kan alleen wanneer ze zelf ervan overtuigd zijn dat de bron waaruit ze putten, niet zomaar een mening is maar een geopenbaarde waarheid.

Wanneer naastenliefde wordt losgemaakt van haar bron wordt ze tot een lege huls. Ze kan niet dienen als fundament voor de samenleving, want ze is op zand gebouwd: het zand van het ‘geloof in de mens’. Om als fundament te kunnen functioneren dient ze gebouwd te zijn op de rots. En die rots is Christus (1 Cor. 10,4). Hij presenteert zichzelf als “de weg, de waarheid en het leven” (Joh. 14,6). Wanneer christenen de waarheid claimen, doen ze dat niet uit eigen beweging, maar in navolging van hem. Daarover valt geen compromis te sluiten. Dat is ook in het belang van de samenleving. Van Koetsveld en Odaci hopen dat godsdienst de “voedingsbodem (kan) worden voor een toekomst die gegrondvest is op de beginselen van de humaniteit”. Echte humaniteit ligt in de navolging van Christus. Dat is de boodschap die christelijke organisaties niet mogen verzwijgen.

Gereformeerd of fundamentalistisch

Het dagblad Trouw heeft, na de Calvijn-test en de Relitest, een Funditest ontworpen. Aan de hand van 14 stellingen wordt bepaald hoe fundamentalistisch de deelnemer is. In mijn politieke weblog Dingen van de Dag heb ik uitgelegd dat op deze test van alles aan te merken is. Het belangrijkste bezwaar is dat nergens duidelijk gemaakt wordt welke definitie van fundamentalisme wordt gehanteerd. De test is ontworpen in samenwerking met medewerkers van de Vrije Universiteit. Juist zij, met hun wetenschappelijke kennis, zouden toch moeten weten dat over de definitie van fundamentalisme bepaald geen eenstemmigheid bestaat.

Ik vermoed dat de meeste gereformeerden die deze test maken, een hoge score zullen halen. Hoewel een aantal keuzemogelijkheden onduidelijk is, heb ik de test gedaan en kwam boven de 80 procent. Het oordeel was dat ik een “doorgewinterde fundamentalist” ben. Ik lig daar niet wakker van, maar toch wekt zo’n oordeel weerzin op. Gereformeerden houden er niet van als ‘fundamentalist’ te worden beschouwd. Ze zien zichzelf bepaald niet als fundamentalistisch.

Dat heeft allereerst natuurlijk te maken met de negatieve associaties die deze term oproept, zoals intolerantie en zelfs geweld en terrorisme. Aan dat laatste maken weliswaar vooral moslimfundamentalisten zich schuldig, maar dat is een nuance die in de publieke opinie niet altijd wordt waargenomen. En dat soms een Amerikaanse abortusarts het slachtoffer wordt van een moordaanslag van een ‘christenfundamentalist’ maakt het er niet beter op.

Maar dat gereformeerden het liefst afstand bewaren tot het fundamentalisme heeft nog een diepere reden. Die komen we op het spoor door terug te gaan naar de oorsprong van het christelijke fundamentalisme. In een begeleidend artikel herinnert Pauline Weseman daaraan.
“De term was er wellicht niet eens gekomen zonder de rijke zakenmannen Milton en Lyman Stewart, afkomstig uit de bible belt van Californië. De broers, rijk geworden in de oliebusiness, financierden drie miljoen exemplaren van ’The Fundamentals: A Testimony to the Truth’. Dat was een serie van negentig essays in twaalf boeken die tussen 1910 en 1915 werden verspreid onder protestantse leiders, wetenschappers, studenten en uitgevers in Amerika en Engeland. Centraal erin staan vijf dogma’s: de onfeilbaarheid van de Bijbel, de maagdelijke geboorte en de goddelijke natuur van Christus, zijn plaatsvervangend en verzoenend lijden, zijn lichamelijke opstanding en wonderen, en zijn wederkomst.”

Tegen die vijf ‘fundamentals’ is op zich niets in te brengen. Ze roepen herkenning op, en gereformeerden van ‘orthodoxe’ snit zullen ze wel onderschrijven. Maar ze roepen ook scepsis op. Waarom nu uitgerekend deze punten? Er staat toch wel meer in de bijbel? Waar is het verbond, waar is de kerk, waar zijn de sacramenten, waar de ambten? En waar is de Bergrede gebleven?
Het is mooi wanneer de onfeilbaarheid van de Schrift wordt beleden, maar wat heb je daaraan wanneer in die Schrift wordt gewinkeld en daaruit een aantal ‘onopgeefbare waarheden’ worden geselecteerd?

In de praktijk trekt het fundamentalisme eerder de aandacht vanwege ethische dan vanwege dogmatische standpunten. In een tweede artikel wordt erop gewezen dat de levensstijl een centraal thema in het fundamentalisme is. Godsdienstsocioloog Hyme Stoffels zegt: “Misschien ken je die tekeningetjes waarbij de letters IK op een troon staan getekend. Dat ’ik’ bepaalt alles, is koning in zijn rijkje. Dat is het foute model. Het goede model is waar God op de troon zit en waar jij als zijn dienaar zijn geboden uitvoert. Het eigen ik wordt gewantrouwd, het is het meest ultieme slagveld waar God en de duivel met elkaar vechten.” De schrijfster concludeert: “Vandaar dat christenfundamentalistische strijdpunten meestal liggen op het micro-ethische vlak: homoseksualiteit, abortus, echtscheiding.”

De keuze van de ‘fundamentals’ is het gevolg van een selectief en eenzijdig gebruik van de Schrift. De sterke nadruk op zaken die de sexuele en medische ethiek raken wijzen in dezelfde richting. Het verbaast dan ook niet dat onder fundamentalisten op het terrein van de geloofsleer allerlei opvattingen te vinden zijn, die bepaald niet verenigbaar zijn met wat gereformeerden als de leer van de Schrift beschouwen. En het is evenmin verbazingwekkend dat vooral onder Amerikaanse fundamentalisten ethiek zich vaak beperkt tot zaken rond huwelijk en gezin. Zodra de wijdere wereld in beeld komt, is van een doorwerking van het geloof vaak niet veel te merken. Ten aanzien van zaken als economie en milieubeleid hebben veel Amerikaanse fundamentalisten meer gemeen met de Nederlandse VVD dan met de ChristenUnie.

Eén en ander rechtvaardigt dat gereformeerden liefst wat afstand tot het fundamentalisme bewaren. Het probleem is niet dat het fundamentalisme bepaalde leerstukken als onopgeefbaar beschouwt. Ook gereformeerden hebben dogma’s. Die zijn bijvoorbeeld in de belijdenisgeschriften te vinden. Maar die staan niet op zichzelf; ze functioneren binnen het totaal van de gereformeerde leer die gebaseerd is op een zorgvuldig lezen van de hele Schrift.

In de gereformeerde Schriftbeschouwing staan twee principes centraal: alleen de Schrift en heel de Schrift. Met het eerste principe positioneren gereformeerden zich tegenover de rooms-katholieke kerk, met het tweede tegenover het fundamentalisme dat zich vooral in evangelische stromingen doet gelden. De gereformeerde belijdenisgeschriften laten zien hoe deze manier van omgaan met de Schrift ons behoedt voor de eenzijdigheden die het gevolg zijn van een selectief lezen van de Schrift.

Voor dat gevaar zijn gereformeerden bepaald niet immuun. Natuurlijk, het plaatsvervangend en verzoenend lijden van Christus is het centrum van de Schrift. Het is dan ook heel schriftuurlijk daar alle nadruk op te leggen. Maar dat betekent niet dat alles wat daaraan niet direct gerelateerd is, slechts van relatief belang is en nooit kerkscheidend zou mogen zijn. Het gaat in de kerk immers om heel de Schrift. En daarin lezen we ook hoe Jezus tijdens zijn verblijf op aarde de mensen leerde. In zijn prediking greep Hij voortdurend terug op de wet en de profeten.

De ‘leer van Christus’ is daarom niets anders dan de leer van de Schrift. En die is in de gereformeerde belijdenis samengevat. Daarom moet een kerk, die zich verre wil houden van het fundamentalisme en haar selectieve en eenzijdige Schriftgebruik, de gereformeerde belijdenis in ere houden en met verve uitdragen en verdedigen.