Archief

Posts Tagged ‘Universele Verklaring van de Rechten van de Mens’

Moraal zonder fundament

De bekering van de Amerikaanse atheïstische blogger Leah Libresco heeft veel stof doen opwaaien, zoals het Nederlands Dagblad op 26 en 30 juni j.l. meldde. Op de weblog waarop zij placht te schrijven en haar bekering tot de rooms-katholieke kerk bekendmaakte kwamen in korte tijd meer dan duizend reacties binnen. Sommige van haar vroegere medestanders betwijfelden of ze ooit wel een echte atheïste geweest was. Voordat we nu het hoofd schudden over zoveel onbegrip of onwelwillendheid is het goed ons af te vragen hoe wij zouden reageren wanneer een gemeentelid dat we als een gelovige broeder of zuster kenden, die zich actief inzette in de gemeente, de kerk en het geloof vaarwel zegt. Hebben we dan ook niet de neiging te denken dat de betrokkene wellicht niet ècht gelovig was of dat zijn of haar geloof niet erg diep zat?

Het is beter zich bij een ommekeer in iemands denken en overtuiging af te vragen waardoor die is veroorzaakt. In het onderhavige geval wordt dat door de betrokkene zelf onthuld. Ze huldigde allerlei ethische standpunten, daaronder ook enkele die ze met christenen deelde. Maar het geloof in een persoonlijke God was voor haar een brug te ver. Het keerpunt was toen haar gevraagd werd wat volgens haar de oorsprong van de moraal was. Daarop moest ze het antwoord schuldig blijven. “In haar laatste bijdrage aan het atheïstische forum legt Libresco haar lezers uit dat ze niet langer uit de voeten kon met moraal als een abstract en afstandelijk gegeven. Dat verklaart namelijk niet waarom een menselijke moraal het goede voor mensen zoekt. ‘Voor mij blijkt daaruit dat het een Persoon moet zijn, of een Waarheid.’ En ja, schrijft ze, ‘er is één religie die de meest beloftevolle route aangeeft hoe die levende Waarheid te ontdekken”’ (ND, 30.6.12).

In de confrontatie tussen gelovigen en ongelovigen speelt de ethiek of moraal een belangrijke rol. Ongelovigen verwijten gelovigen – en vooral orthodoxe christenen – dat ze het alleenrecht op de moraal claimen. Die lijken van mening te zijn dat ongelovigen er geen moraal op na houden. Het is de vraag of christenen dat echt denken, maar in elk geval ervaren ongelovigen dat wel zo. Dat moet serieus genomen worden, want wie als christen met ongelovigen echt in gesprek wil, zal hun wel recht moeten doen. Het is dus belangrijk zorgvuldig te zijn in de manier van argumenteren en zich serieus te verdiepen in wat de gesprekspartners echt vinden.

Onlangs publiceerde Boris van der Ham, Tweede-Kamerlid voor D66, een boekje waarin hij uitlegt dat ook mensen zonder geloof een moraal hebben. Zo’n boekje is ongetwijfeld goede leesstof voor wie een zinvol gesprek met ongelovigen over de moraal wil voeren. Daarbij moet wel bedacht worden dat er ongelovigen in soorten en maten zijn en dus ook veel verschillende ethische opvattingen. Dat is in christelijke kring overigens niet eens zo anders. Maar daarbij stuiten we dan wel op een belangrijk verschil. Christenen zijn aanspreekbaar op de bron waaruit ze putten. Dat geldt in elk geval voor degenen die hun ethische normen uit de Schrift halen. En juist hier ligt het probleem van de moraal van ongelovigen. Dat was ook wat voor Leah Libresco de doorslag gaf afscheid te nemen van het atheïsme. Ze hield er wel een moraal op na, maar vond geen antwoord op de vraag waarop die gebaseerd was.

De meeste ongelovigen vinden met Boris van der Ham dat ook zij een moraal hebben. Beter dan die bewering ter discussie te stellen is het naar de fundering van die moraal te vragen. Wanneer ongelovigen ethische opvattingen hebben, waarop zijn die dan gebaseerd? Wat is hun reikwijdte en hun gewicht?

Wanneer het over moraal gaat moet duidelijk zijn wat daaronder precies wordt verstaan. Vrijwel iedereen heeft bepaalde morele principes waarnaar hij probeert te leven. Dat hoeft niet te betekenen dat men die principes ook van anderen verwacht. In één van de reacties op het artikel van Leah Libresco stelt iemand: “Er is geen universele moraal”. Dat betekent dat men nooit kan zeggen: “gij zult”. Daarin ligt een fundamenteel verschil tussen gelovigen en ongelovigen. Dat heeft alles te maken met wat men als oorsprong van de moraal ziet. De christelijke ethiek heeft haar wortels in de Schrift en is daarom per definitie universeel. De Tien Geboden zijn daarvan het meest sprekende voorbeeld. Die universaliteit berust uiteindelijk op het feit dat de bron van de christelijke ethiek buiten de mens ligt. Waardoor ongelovigen zich in hun ethische keuzes ook laten inspireren, uiteindelijk ligt de bron van hun ethiek in de mens zelf. De mens is de maat van alle dingen.
De conclusie dat er geen universele moraal bestaat is dan onontkoombaar.

In het bovenstaande ging het over de personele ethiek. Wanneer die gebaseerd is op menselijke overtuigingen, hoe zit het dan met de publieke ethiek? Een belangrijk deel van de wetgeving brengt de publieke moraal tot uitdrukking: bepaalde gedragingen worden als gewenst dan wel ongewenst aangemerkt. Uiteraard komt wetgeving tot stand via politieke meerderheden. De daarin tot uiting gebrachte moraal is daarmee in feite de moraal van de meerderheid. Toch zullen maar weinig politici dat als doorslaggevend argument voor wetgeving gebruiken. Ze zijn van mening dat de desbetreffende wetgeving goed is voor de samenleving. Daarmee brengen ze in feite tot uitdrukking dat bepaalde ethische opvattingen wel degelijk universeel zijn.

Sommigen beperken die universaliteit tot de eigen maatschappij of eventueel de internationale cultuur waartoe zij behoort. Ze menen dat andere culturen het recht hebben er andere ethische normen op na te houden. In dit verband spreekt men wel van cultuurrelativisme. Daartegenover staan degenen die menen dat bepaalde ethische normen universeel zijn en de verschillen tussen de culturen overstijgen. Dat komt bijvoorbeeld tot uitdrukking in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens.

Het zal duidelijk zijn dat dit een problematische positie is. Ongelovigen beweren soms dat wie zich op het christelijk geloof – en uiteindelijk de Schrift – beroept, zich in feite buiten de discussie plaatst, omdat de bron niet ter discussie staat. Die kritiek slaat op henzelf terug, want hun ethische bron – de mens zelf – staat evenmin ter discussie. Ooit werd via de radio een spotje van het Humanistisch Verbond uitgezonden, waarin expliciet werd gezegd dat humanisten geloven in de mens. Voor ongelovigen mag een beroep op de Schrift irrelevant zijn, voor christenen is een beroep op de mens als maat van alle dingen dat evenzeer.

Niet toevallig kwam Leah Libresco vanuit de vraag naar de oorsprong van de moraal bij het christelijk geloof terecht. Zonder een stevig fundament dat buiten de mens zelf ligt komt de personele en de publieke moraal in de lucht te hangen. Dat valt me steeds weer op bij het lezen van de krant. Neem nu het interview met de Australische ethicus Peter Singer in het Nederlands Dagblad van 7 juli j.l. Hij ziet geen fundamenteel verschil tussen mens en dier en geeft de mens het recht een kind te doden, wanneer naar de mening van ‘deskundigen’ en ouders de kwaliteit van het leven negatief is. Het valt moeilijk in te zien hoe zijn opvattingen kunnen worden weerlegd vanuit een moraal die – evenals die van Singer – zijn oorsprong vindt in de mens zelf. In het kader van de noodzakelijke bezuinigingen richten sommige politieke partijen hun pijlen op de ontwikkelingssamenwerking. Daarover wordt in de pers geschreven, maar daarbij gaat het – behalve over de vraag naar de effectiviteit van die uitgaven – vooral over het effect van bezuinigingen op de Nederlandse invloed in de wereld. De ethische dimensie blijft meestal onderbelicht. Dat is geen wonder: wanneer de bijbelse notie van het recht van de armen uit het zicht verdwijnt, blijven er alleen nog maar pragmatische argumenten voor of tegen over. Ook over onderwerpen als immigratie en integratie valt uiteindelijk niet zinvol te discussiëren zonder een bijbelse visie op begrippen als land, volk en natie.

In de confrontatie tussen christenen en ongelovigen gaat het uiteindelijk niet om de vraag wat hun ethische opvattingen zijn, maar vooral om de vraag waarin die gefundeerd zijn. Een moraal die gebaseerd is menselijke inzichten, kan geen aanspraak maken op universele geldigheid.

Advertenties