Archief

Posts Tagged ‘vrijgemaakt’

Modern is ouderwets

“Verontruste kerkleden zijn eigenlijk modern”, staat als kop boven een artikel in de bijlage ‘Gulliver’ van het Nederlands Dagblad van 18 januari j.l. Dat is nog eens wat anders dan te worden weggezet als ‘ouderwets’ of ‘niet van deze tijd’. Maar dat is schijn. De auteur, Maarten J. Verkerk, bijzonder hoogleraar christelijke wijsbegeerte aan enkele universiteiten, gebruikt de term ‘modern’ in filosofische zin en zet die tegenover ‘postmodern’. Met behulp van deze begrippen wil hij de tegenstellingen binnen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) analyseren. Hij spreekt in dit verband van een “clash tussen een ‘moderne’ en een ‘postmoderne’ kerk”. Die ziet hij geïllustreerd in de tegenstelling tussen de ‘verontrusten’ die vorig jaar in Bunschoten bijeen kwamen en de kerkplantingsgemeente ‘Stroom’ in Amsterdam, die in het kerkverband wilde worden opgenomen, ondanks afwijkende kerkelijke praktijken.

Het kan zeker zinvol zijn met behulp van filosofische begrippen verschijnselen in kerkelijke kring te analyseren. Het is dan wel van belang die begrippen goed te definiëren en na te gaan of die definities wel passen bij de beschreven verschijnselen. Verkerk geeft wel een karakterisering van de door hem gehanteerde begrippen ‘modern’ en ‘postmodern’, maar wanneer hij die vervolgens gaat toepassen op de door hem genoemde ‘stromingen’, slaat hij de plank mis. Ik zal me hier niet gaan bezighouden met de vraag of, bijvoorbeeld, de ‘Stroom’-gemeente zich herkent in het beeld dat Verkerk van een ‘postmoderne’ kerk schetst. Vertegenwoordigers van die gemeente en degenen, die haar na staan, kunnen voor zichzelf spreken. Ik concentreer me op het beeld dat Verkerk van de ‘verontrusten’ schetst. Het feit dat hij die term gebruikt, doet al vermoeden dat zijn sympathie niet aan die kant ligt. De ‘verontrusten’ willen niets anders dan gewoon gereformeerd blijven. Ik zal daarom de term ‘gereformeerden’ voor hen gebruiken.

Wat moeten we, volgens Verkerk, onder ‘modern’ en ‘postmodern’ verstaan? Hij maakt dat duidelijk door drie begrippenparen, die de tegenstelling tussen beide karakteriseren: “kennis versus beleving, uniformiteit versus diversiteit en beheersing versus ontwikkeling”. De eerstgenoemde begrippen acht hij karakteristiek voor de gereformeerden.

De tegenstelling tussen ‘kennis’ en ‘beleving’ is heel herkenbaar. We leven in een tijdperk waarin ‘beleving’ centraal staat. In een artikel op Trouw.nl van 20 januari j.l., getiteld “God boven de ikken”, schrijft de rooms-katholieke priester Antoine Bodar heel treffend: “We leven van de beleving en daardoor veelal van de sensationalisering. Een uur zonder emotie is een verloren uur.” Het heeft ook consequenties ten aanzien van de manier waarop met normen wordt omgegaan. Er bestaat een wijdverbreide allergie tegen van boven opgelegde normen. Ieder maakt zelf uit wat goed en wat fout is. Doorslaggevend is vooral wat ‘goed voelt’. De daaruit afgeleide normen staan in feite niet meer ter discussie. Ze onttrekken zich aan de categorieën ‘juist’ of ‘onjuist’. Daar tegenover staat dan ‘kennis’; gereformeerden hanteren die, volgens Verkerk, op een ‘moderne’ manier. Het is veelzeggend dat hij hieraan tussen haken ‘belijden’ toevoegt. Kennelijk ziet hij het belijden – zoals dat vooral in de gereformeerde belijdenisgeschriften tot uiting komt – als iets waarin ‘kennis’ centraal staat en dat tegenover ‘beleving’ staat. Gereformeerden die hun belijdenis lief hebben, herkennen dat in het geheel niet. De Heidelbergse Catechismus – dit jaar 450 jaar oud – werd en wordt vaak het “troostboek van de kerk” genoemd. De inzet maakt direct duidelijk dat het hier niet om een abstracte uiteenzetting van de leer van de kerk gaat, maar de gelovigen aanspreekt midden in hun leven van elke dag. Het gaat om het hart van de mens. De Catechismus verkondigt het Woord en vraagt om een antwoord. Kennis en beleving horen bij elkaar.

De manier waarop het postmodernisme met ‘kennis’ omgaat heeft alles te maken met de visie op wat ‘waarheid’ is. Ik verwijs naar een artikel dat op 17 januari j.l. verscheen in Trouw. De filosoof Sebastien Valkenberg schreef dit naar aanleiding van de bekentenissen van wielrenner Lance Armstrong, vele malen winnaar van de Tour de France. Veel wielerliefhebbers voelen zich bedrogen na zijn bekentenis dat hij jarenlang (verboden) prestatiebevorderende middelen gebruikte. Valkenberg trekt een vergelijking met de affaire-Stapel, toen veel wetenschappers zich bedrogen voelden door diens jarenlange manipulatie van onderzoeksgegevens.

Valkenberg spreekt zijn verbazing uit over de algemene verontwaardiging. “Hoeveel recht heeft het publiek eigenlijk om zich bekocht te voelen? De afgelopen decennia heeft het postmodernisme ons immers ingeprent dat er niet zoiets bestaat als de waarheid. Het begrip zou een overblijfsel zijn uit de tijd van de Verlichting. Logischerwijs wordt het lastig om iemand van leugens, bedrog en frauduleus gedrag te beschuldigen. Als een begrip zijn bestaansrecht heeft verloren, is het niet langer mogelijk om dit geweld aan te doen. Zonder waarheid ook geen leugens.” Over het postmodernisme schrijft hij verder: “Deze filosofische stroming heeft vele vertegenwoordigers, maar zonder uitzondering pleiten ze ervoor het klassieke waarheidsbegrip te schrappen. Er zou slechts een veelheid aan perspectieven bestaan – zoveel als er mensen zijn. Het ene perspectief kan geen hoger waarheidsgehalte claimen dan het andere.” Als Valkenbergs analyse van het ‘postmodernisme’ juist is, hoe kan een kerk dan ‘postmodern’ zijn? Het kan in elk geval geen belijdende kerk zijn. Verkerk suggereerde dat al door ‘belijden’ met een ‘modern’ begrip als kennis te verbinden.

Is de tegenstelling tussen ‘kennis’ en ‘beleving’ al problematisch, de andere begrippenparen zijn dat al evenzeer. Verkerk stelt de ‘uniformiteit’ van de ‘moderne’ kerk tegenover de ‘diversiteit’ van de ‘postmoderne’. Daar komen we in het onderhavige geval niet veel verder mee. Gereformeerden herkennen zich niet in de suggestie dat zij naar ‘uniformiteit’ streven. De Gereformeerde Kerken hebben altijd diversiteit gekend. Over zaken waarover de belijdenisgeschriften zich niet uitlaten en waarover geen kerkelijke uitspraken zijn gedaan, bestaat in beginsel vrijheid van meningsuiting, ook onder predikanten. De vrijheid van de exegese heeft bij gereformeerden altijd hoog in het vaandel gestaan. Verkerk typeert ‘diversiteit’ met “laat veel bloemen bloeien”. Dat willen gereformeerden ook. Maar er is geen ruimte voor onkruid. Daarom is de vrijheid van exegese niet onbegrensd. Er gaat een dogmatisch vooroordeel aan vooraf: de overtuiging dat de Schrift het Woord van God is. Zonder dat vooroordeel verwordt de vrijheid van exegese tot anarchie. Daarvan zijn de gemeente en haar leden de slachtoffers. In een ‘postmoderne’ kerk kunnen geen grenzen aan die vrijheid worden gesteld. Want wie heeft het recht te claimen dat hij de waarheid kent, laat staan die op papier te zetten en voor iedereen bindend te verklaren?

Het laatste begrippenpaar betreft ‘beheersing’ en ‘ontwikkeling’. Het eerste ziet Verkerk als kenmerkend voor een ‘moderne’ kerk. Hij ziet het, net als de hiervoor genoemde zaken, als “wapen” om het kerkelijk leven te “sturen”. In dit verband gebruikt hij het begrip ‘top-down’, in tegenstelling tot ‘bottom-up’, dat karakteristiek zou zijn voor de ‘postmoderne’ kerk. Maar is dat wel zo? Hoe ‘bottom-up’ is een ‘postmoderne’ kerk eigenlijk? Komen nieuwe ideeën wel echt van onderop? Hebben veel mensen – met alle respect gesproken – toch vaak niet dezelfde opvattingen als degene van wie ze het laatste iets hebben gelezen? In de kerkelijke wereld van vandaag circuleren veel ideeën die vaak niet of nauwelijks verenigbaar zijn met de gereformeerde leer. Die komen toch meestal echt uit boekjes of van websites die zijn geproduceerd door theologen of door mensen die zich als ‘geestelijke leiders’ met een ‘bediening’ opwerpen. En juist waar een gereformeerde kerkstructuur ontbreekt, wordt de gemeente vatbaar voor wat vanaf kansel of katheder als waarheid wordt gepresenteerd. Want het mag dan ‘postmodern’ zijn een vraagteken te zetten achter de kenbaarheid of zelfs het bestaan van ‘waarheid’, aan het aplomb waarmee nieuwe ideeën worden gepropageerd zou je dat niet aflezen.

Zet daar de gereformeerde belijdenis eens tegenover. Komt die van bovenaf? De belijdenisgeschriften zijn producten van de strijd van de kerk om de waarheid. Ze zijn kerkelijk geijkt, niet omdat ze in een hiërarchische kerkstructuur aan de gemeenten werden opgelegd, maar omdat de kerk die in haar meeste vergaderingen – waar alle kerken vertegenwoordigd zijn – als waarheid hebben aanvaard. En nog altijd hebben kerken de volle vrijheid zich te onttrekken aan een kerkverband waarin die belijdenis als toetssteen wordt gehanteerd. Wanneer gereformeerden ernaar streven dat de kerk gereformeerd blijft, is dat geen poging het kerkelijk leven te sturen. Het is geen theologenbeweging, maar een beweging van ‘gewone’ gereformeerden die hun belijdenis lief hebben en geloven dat die in overeenstemming is met de leer van apostelen en profeten. Voor een gereformeerde is de belijdenis die hij wil hooghouden niet alleen de belijdenis van de kerk, maar vooral zijn belijdenis.

Tegenover ‘beheersing’ of ‘sturing’ stelt Verkerk ‘ontwikkeling’ als kenmerk van de ‘postmoderne’ kerk. Daarmee suggereert hij dat in gereformeerde kring van ‘ontwikkeling’ geen sprake is. Maar ‘ontwikkeling’ is nu juist typisch gereformeerd. Het is de bereidheid zich steeds te reformeren. Zelfs de belijdenis is geen dichtgetimmerd bouwwerk. Ze staat niet naast, maar onder de Schrift. Wie meent dat de belijdenis afwijkt van de Schrift of meer zegt dan schriftuurlijk verantwoord is, heeft recht op een open oor en een eerlijke toetsing van zijn bezwaren. Die toetsing vindt dan wel plaats op basis van wat uiteindelijk de doorslag geeft: de Schrift als Woord van God. Alleen dat Woord is ‘top-down’.

Het probleem dat gereformeerden met veel hedendaagse opvattingen – ‘modern’ of ‘postmodern’ – hebben, is niet dat ze nieuw of ongewoon zijn. Het probleem is dat ze vaak niet beargumenteerd worden vanuit de Schrift of dat ze gebaseerd zijn op een Schriftexegese die die naam niet of nauwelijks verdient. Het is geen bezwaar wanneer inzichten veranderen, zolang die het resultaat zijn van een verdiept inzicht in de Schrift. Maar het gaat in veel gevallen eerder om hoogstpersoonlijke inzichten die aan de schriftuurlijke toetsing van de gemeente en het kerkverband worden onttrokken.

De begrippen ‘modern’ en ‘postmodern’ zijn te schematisch om daarmee kerkelijke ontwikkelingen te analyseren. Uiteindelijk is het artikel van Verkerk niet meer dan een pleidooi voor een ‘postmoderne’ kerk. Hij vraagt zich af of de strijd van de ‘verontrusten’ geen “achterhoedegevecht” is. Daarmee zijn de gereformeerden die het etiket ‘modern’ kregen opgeplakt, tenslotte toch weer ‘ouderwets’. George Orwell laat groeten.

Open avondmaal in de GKV?

11 maart 2010 2 reacties

Binnen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) bestaat nogal wat onrust. Allerlei redenen daarvoor komen in de pers naar voren. Soms leidt de verontrusting tot een zich onttrekken aan de gemeenschap van deze kerken of tot afscheiding van een deel van een gemeente. Maar ook onder kerkleden die zover niet willen gaan, groeit de afstand tot de kerk. Dat kan leiden tot verminderd kerkbezoek of een zich grotendeels afzijdig houden van kerkelijke activiteiten.

Eén van de onderwerpen waarover ongerustheid bestaat is de avondmaalsviering. En daarbij gaat het dan vooral om de vraag wie tot het avondmaal wordt toegelaten. Aan de orde is niet de vraag of niet teveel gemeenteleden aan het avondmaal gaan. Dat is vooral bij de bevindelijke kerken een belangrijk onderwerp. Hier gaat het om de vraag of kerkgangers die niet tot een zusterkerk behoren, niet te gemakkelijk tot de avondmaalsviering worden toegelaten. Kennelijk zijn er leden van de GKV die deze vraag bevestigend beantwoorden. Dat kan althans worden opgemaakt uit een artikel van ds. L.W. de Graaff in de Gereformeerde Kerkbode, waaruit het Nederlands Dagblad van 6 maart j.l. citeerde.

Binnen de GKV waren de regels altijd strikt: in principe werden alleen belijdende leden van zusterkerken – dat wil zeggen: andere gemeenten binnen het kerkverband – tot de viering van het avondmaal toegelaten. Daarbij werd ook nog eens verlangd dat men een attest van de eigen kerkenraad kon overleggen, waaruit bleek dat men in de eigen gemeente gerechtigd was het avondmaal te vieren. In 2005 stelde de Generale Synode nieuwe regels vast waarin plaatselijke kerken de vrijheid werd gelaten ook gasten uit kerken waarmee geen zusterkerkrelatie wordt onderhouden, toe te laten. Volgens critici is dat de oorzaak dat er soms sprake is van een (half) open avondmaalstafel.

Ds. De Graaff is van mening dat men zich daarvoor niet op de synoderegels kan beroepen. “Als er hier en daar sprake van openstelling zou zijn, komt dat niet door de bewuste synode-uitspraken.” Hij concludeert uit die uitspraken: “De kerken hebben in hun vergaderingen uitgesproken dat voor mensen uit nietzusterkerken dezelfde toelatingseisen gelden als voor hen die via hun openbare geloofsbelijdenis toetreden tot de viering van het Heilig Avondmaal. En van belang is dat deelname dienstbaar is aan de opbouw van het lichaam van Christus, de plaatselijke kerk. Toevallige passanten uit niet-zusterkerken kunnen niet zomaar na een kort gesprekje of na ondertekening van een formulier aanschuiven aan het avondmaal.”

Er kan wel geconcludeerd worden dat er iets is veranderd ten aanzien van de toelating tot het avondmaal. Daarvan zijn de genoemde regels van 2005 het bewijs. Of er inderdaad hier en daar sprake is van een ‘(half) open avondmaalstafel’ is niet zonder meer duidelijk. Voor de gemeente is het niet goed mogelijk zicht te krijgen op de criteria die gehanteerd worden. De beslissingsbevoegdheid ligt bij de kerkenraad. Dat geldt overigens ook wanneer doopleden belijdenis gaan doen en langs die weg toegang krijgen tot het avondmaal. Weliswaar kan de gemeente bezwaar maken tegen openbare geloofsbelijdenis, maar alleen kerkenraadsleden zijn aanwezig bij het onderzoek naar kennis en motivatie. Ook wanneer iemand van buiten de kerk toetreedt tot de gemeente, is het de kerkenraad die daarover beslist.

Het is niet doenlijk bij iedere gast uit een kerk waarmee geen zusterkerkrelatie bestaat, publiek te motiveren waarom hij wordt toegelaten. Hier wordt van de gemeente vertrouwen in de kerkenraad gevraagd. Maar uiteraard gaat de maatschappelijke tendens alles en iedereen te wantrouwen, ook aan de kerk niet voorbij.

Dat neemt niet weg dat het gewenst is het handelen van de kerkenraad in dezen kritisch te volgen. Kerkenraden kunnen ook wantrouwen ten aanzien van hun toelatingsbeleid opwekken, wanneer ze twijfel laten bestaan over de manier waarop bijvoorbeeld met de belijdenis over de kerk wordt omgegaan. Want dat heeft directe gevolgen voor de toelating tot het avondmaal. Gezamenlijk avondmaal vieren is immers een uitdrukking van gemeenschappelijk geloof. Niet voor niets gaat aan de viering van het avondmaal het belijden van het geloof vooraf. Wie al te snel leden van andere kerken het etiket ‘broeder’ of ‘zuster’ opplakt en verschillen in belijdenis negeert, zal niet zoveel problemen hebben met gasten aan het avondmaal die de gereformeerde belijdenis niet onderschrijven.

In dit verband moet op een misverstand worden gewezen dat nogal eens naar voren komt in discussies over dit en aanverwante onderwerpen. Bij het vieren van het avondmaal wordt één van de oecumenische belijdenisgeschriften gebruikt, de Apostolische Geloofsbelijdenis of de Geloofsbelijdenis van Nicea. Sommigen menen dat het dan ook voldoende is wanneer gasten deze onderschrijven. Wie zich realiseert hoeveel kerken deze belijdenis hanteren, begrijpt dat dan in feite iedereen die zich christen noemt, kan worden toegelaten. In de rooms-katholieke kerk is de Geloofsbelijdenis van Nicea zelfs een vast onderdeel van de mis. Maar waarschijnlijk zal niemand bepleiten ook rooms-katholieken tot de avondmaalsviering toe te laten.

Als je gezamenlijk avondmaal viert, is het immers ook van belang dat er eenheid is in de visie op de betekenis van het avondmaal, zoals die met name in de avondmaalsformulieren wordt verwoord. En daarover lopen de opvattingen van Rome en Reformatie nog steeds fundamenteel uiteen. En de visie op het avondmaal staat op haar beurt weer niet los van andere elementen van de belijdenis. Het ligt dus voor de hand dat van een gast verwacht wordt dat hij de leer van de kerk waar hij aan het avondmaal wil deelnemen, onderschrijft.

Er is nog een reden gasten niet te gemakkelijk toe te laten tot de viering van het avondmaal. Wanneer men wel samen avondmaal viert, maar desondanks kerkelijk gescheiden optrekt, wringt er iets. Kerkelijke verdeeldheid en gemeenschappelijk avondmaal staan in wezen haaks op elkaar. Samen avondmaal vieren mag de pijn van de kerkelijke verdeeldheid niet wegnemen. Het zou die pijn juist extra voelbaar moeten maken. Bij de toelating van gasten aan het avondmaal zal dat ter sprake moeten komen, zeker wanneer het om mensen gaat die regelmatig als gast het avondmaal meevieren.