Archief

Posts Tagged ‘vrouw in het ambt’

Het gaat om jou

De gemeenteraadsverkiezingen liggen weer achter ons. In de voorbereiding daarop zond AVROTROS een serie televisieprogramma’s uit, die de lokale politiek belichtten. Dat gebeurde onder de titel ‘Ons Belang’. Die was wel passend, want in dorpen en steden lijkt het steeds vaker om de belangen van de burgers te gaan. In steeds meer gemeenten wordt de politiek door lokale partijen beheerst. Die onderscheiden zich niet in ideologie of levensbeschouwing: ze concentreren zich helemaal op de belangen van de inwoners of van een bepaald segment van de lokale bevolking.

Op een aanplakbord in mijn woonplaats Utrecht kwam ik de slogan tegen “Het gaat om jou”. Beter kan het maatschappelijke klimaat van onze dagen niet getypeerd worden. De belangen en het levensgeluk van de kiezer staan centraal. Levensbeschouwing en ideologie zijn heus niet verdwenen, maar zijn in de regel geen onderwerp van politiek debat.

“Het gaat om jou” – dat gaat de christelijke wereld niet voorbij. Ook daar wordt de individuele mens steeds belangrijker. Dat komt wellicht het meest pregnant naar voren in de evangelische beweging. Die heeft vanouds een sterke evangeliserende drive en neigt er daarom toe zich zoveel mogelijk bij moderne maatschappelijke trends aan te sluiten. Het vrijwel onvermijdelijke gevolg is dat ze ook zelf de invloed van die trends ondergaat.

In de politiek zijn de lijsttrekkers in toenemende mate de uithangborden van hun partij. Hun conterfeitsels staan levensgroot op de verkiezingsaffiches afgebeeld. De positie van voorgangers in de evangelische wereld is daarmee vergelijkbaar. Gemeenten lijken soms wel het persoonlijke project van zulke voorgangers, die hun optreden baseren op een persoonlijke roeping – die verder niemand kan of mag controleren, laat staan bekritiseren – en menen een bepaalde ‘bediening’ te hebben. Persoonlijke conflicten zijn dan bijna voorgeprogrammeerd en het uiteenvallen van gemeenten is dan ook een vaak voorkomend verschijnsel, vergelijkbaar met de vermenigvuldiging van fracties in gemeenteraden.

Het is dan niet zo verbazingwekkend dat ook de boodschap vaak nogal persoonlijk van aard is. Recent zei een predikant in een preek dat je de idealen van de moderne mens kunt samenvatten in drie woorden: geluk, gemak en genot. Die vinden hun weerslag in de boodschap van evangelische voorgangers. Het meest frappante voorbeeld daarvan is het welvaartsevangelie dat vooral in Afrika en de Verenigde Staten weerklank vindt. De boodschap is simpel: het geloof legt je geen windeieren. Wie gelooft, mag (materiële) voorspoed verwachten.

Dat welvaartsevangelie is niet typerend voor de evangelische beweging als geheel. De nadruk op gebedsgenezing is dat wel. Het is één van haar raisons d’être. Door genezing op het gebed laat God zijn macht zien en wordt de mens in zijn geloof bevestigd. Matthijs Vlaardingerbroek, een bekend spreker in evangelische kring, schrijft: “Als Nederlandse christenen lijken wij onbewust te smachten naar keiharde bewijzen van Gods bestaan en zijn kracht. Doen wij dit wellicht om onszelf houvast te geven?” Hij reageert daarmee op een verhaal dat blootlegt hoezeer die concentratie op gebedsgenezing tot theologische schreefgroei kan leiden.

Het gaat allemaal om een ‘wonderbaarlijke genezing’ tijdens Opwekking 2014. “Christenen op het festivalterrein baden voor Simon Ekkelboom, die met spierdystrofie in een rolstoel zat. Er gebeurde een wonder. Na het gebed kon hij namelijk opeens lopen. De pijn was weg. Z’n kleinzoon was zichtbaar aangeslagen. Toen Simon geen christen bleek te zijn werd hij bovendien terstond gedoopt.” Maar inmiddels is van die genezing nog maar weinig te merken. Ook in de kerk laat Ekkelboom zich inmiddels niet meer zien. Dat kerkbezoek viel hem altijd al zwaar. Jan Barendse, de voorganger van zijn gemeente, suggereert dat er wellicht verband bestaat tussen het feit dat Ekkelboom niet meer in de kerk komt en de terugkeer van de spierdystrofie. “Jan benadrukt dat Simon wellicht niet echt Jezus is gaan volgen en dat hij daardoor weer ziek is geworden. Of dat hij niet in “z’n genezing is gaan staan”. In pinksterkringen is dat een theologie die wel vaker wordt gepropageerd.”

In Zondag 23 vraagt de Heidelbergse Catechismus, nadat de Twaalf Artikelen zijn uitgelegd: “Wat hebt u er nu aan dat u dit alles gelooft?” De aanhanger van het welvaartsevangelie antwoordt daarop: “Dat we al tijdens ons leven van welvaart en voorspoed kunnen genieten”. Het antwoord van aanhangers van gebedsgenezing is niet principieel anders: “Dat we al tijdens ons leven van een goede gezondheid kunnen genieten”. Uiteraard wijzen ze op Jezus’ genezingen en zelfs opwekkingen van doden. Maar die hadden niet in de eerste plaats als doel mensen gelukkig te maken, maar de godheid en het daaruit voortvloeiende gezag van Jezus te onderstrepen. Er is alle reden kritisch te zijn over de nadruk op gebedsgenezing. Wil men in feite niet naar zich toe halen wat de gelovigen voor later in het vooruitzicht is gesteld?

Wie zichzelf tot het reformatorische christendom rekent, zoals de schrijver van deze weblog, heeft de neiging met een meewarig hoofdschudden van zulke verschijnselen kennis te nemen. Maar laten we die neiging onderdrukken. We kunnen beter de hand in eigen boezem steken en ons afvragen in hoeverre de trend om de mens en zijn geluk in het middelpunt te plaatsen, ook het gereformeerd kerkelijk leven beïnvloedt. Mijns inziens zijn er goede gronden deze vraag bevestigend te beantwoorden.

Dat blijkt soms uit heel simpele dingen, die op het eerste gezicht van ondergeschikt belang zijn. Neem nu de omgang met liturgie. Niet lang geleden vond in mijn gemeente een bezinning plaats over de liturgie en vooral de rol van de muziek daarin. Eerst werd geïnventariseerd welk muzikaal talent beschikbaar was. Dat leidde dan tot conclusies ten aanzien van de muziek die in kerkdiensten tot klinken zou moeten komen. Daarbij werd dan nog wel rekening gehouden met verschillende smaken van de kerkgangers, zodat naast ‘modern’ ook ‘traditioneel’ aan bod moet komen. Hier komt dus de wens van mensen om een aandeel in de liturgie te leveren, in feite centraal te staan. Die wens valt positief te waarderen, maar mag niet leidend worden in het beleid ten aanzien van de liturgie. Men is in deze bezinning aan de verkeerde kant begonnen. Eerst had aan de orde moeten komen wat de bijbel over de kerk zegt en wat dit voor het karakter van de kerkdienst betekent. Daaruit volgen dan consequenties voor de inrichting van de liturgie en daaruit weer de keuze van het te zingen liedrepertoire.

Ik schreef dat dit op het eerste gezicht van ondergeschikt belang is. Op het eerste gezicht, inderdaad, want in feite is de liturgie een wezenlijk onderdeel van het kerkelijk leven. Dat geldt ook voor andere verschijnselen die hier genoemd moeten worden. In de kerken van de Reformatie geldt formeel nog steeds dat het lidmaatschap van de gemeente door geografische grenzen wordt bepaald. Maar in de praktijk wordt daarmee in toenemende mate de hand gelicht. Steeds meer gemeentegrenzen zijn geperforeerd, wat betekent dat kerkleden kunnen kiezen bij welke gemeente ze willen horen, afhankelijk van haar ‘ligging’. Dat was vroeger iets van de Nederlands Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken (synodaal), maar dit verschijnsel rukt ook op in de Christelijke Gereformeerde Kerken en de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt). Hoezeer het persoonlijke doorslaggevend is geworden, komt ook daarin naar voren dat nog maar weinigen de wenkbrauwen fronsen als gemeenteleden die gaan verhuizen, aankondigen dat ze in hun nieuwe woonplaats op zoek gaan naar een kerk die “bij hen past”.

Ook het bezoeken van kerkdiensten is een persoonlijke zaak geworden. Of men een kerkdienst bijwoont of niet, hangt voor een groeiend aantal kerkleden ervan af of men er behoefte aan heeft. Vooral de middagdiensten zijn daarvan het slachtoffer geworden. Het is in dit verband wel merkwaardig dat niet zelden ook diegenen, die beklemtonen hoe belangrijk de kerk als gemeenschap is en zich sterk maken voor bijvoorbeeld huiskringen, er geen probleem mee hebben de middagdiensten te verzuimen, terwijl de gemeenschap van de heiligen toch juist in de zondagse samenkomsten begint.

Het probleem met voorgangers, zoals de evangelische wereld die kent, hebben gereformeerde kerken niet. Daar werpt niemand zich als zodanig op, maar worden predikanten door een gemeente geroepen. Ook de binding aan de belijdenis voorkomt dat gemeenten ten prooi vallen aan de persoonlijke inzichten en ambities van voorgangers. Maar hoe lang blijft dat zo? Want in de gereformeerde wereld is de binding aan de belijdenis niet meer zo vanzelfsprekend als die ooit was en in elk geval heel wat minder strikt dan vooral in de Christelijke Gereformeerde Kerken en de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) het geval was. In de Nederlands Gereformeerde Kerken is men op dat punt altijd wat coulanter geweest en dat virus tast ook met haar verwante kerken aan. Het valt te verwachten dat de voorgenomen fusie tussen NGK en GKV dat proces zal versterken. Daarmee krijgen voorgangers grotere vrijheid hun persoonlijke inzichten uit te venten.

De GKV zijn op dit moment verwikkeld in een proces van bezinning over de vraag of de ambten van predikant en ouderling voor vrouwen opengesteld moeten worden. Die bezinning is het gevolg van een besluit van de laatste Generale Synode, die deze vraag bevestigend beantwoordde. In de discussie is ook de vraag aan de orde gesteld, of en in hoeverre opvattingen in de seculiere samenleving mede ten grondslag liggen aan de verschuiving in de meningen over dit onderwerp. Daarbij wordt vaak gewezen op de veranderde opvattingen over de rol van de vrouw. Dat valt niet uit te sluiten, maar er zijn redenen voor scepsis. Want theoretisch staan in de samenleving vrijwel alle functies open voor vrouwen, van een strikt gelijke behandeling is nog altijd geen sprake. Mannen en vrouwen worden nog niet altijd gelijk beloond voor gelijk werk. En er wordt niet voor niets gesproken over het ‘glazen plafond’, waardoor vrouwen moeilijk tot de hoogste echelons van bijvoorbeeld het bedrijfsleven doordringen.

Bovendien wordt daarmee het onderwerp van ‘man, vrouw en ambt’ geïsoleerd van andere verschijnselen. Veranderde opvattingen over de rol van de vrouw kunnen niet verklaren, waarom ook op andere gebieden de opvattingen die decennia lang met verve werden verdedigd, nu steeds meer aan erosie onderhevig zijn. Dat betreft de visie op ethische zaken, zoals homoseksualiteit, samenwonen versus trouwen en echtscheiding, maar ook de manier waarop de bijbel gelezen en uitgelegd moet worden (hermeneutiek) en de opvattingen over de historiciteit van wat in de eerste hoofdstukken over de oorsprong van de aarde en de schepping van de mens wordt meegedeeld.

Verschuivingen op hermeneutisch vlak spelen ongetwijfeld een sleutelrol. Daarin wordt aan de mens – de lezer en uitlegger van de bijbel – een grotere rol toegekend dan tevoren het geval was. Dat past in een trend, die zich ook op ethisch vlak manifesteert. Moet je mensen als norm voorhouden dat ze bij elkaar moeten blijven, ook als de liefde is verkild? En wanneer mensen van hetzelfde geslacht van elkaar houden, moeten we dan echt aannemen dat God bezwaar heeft tegen hun verbintenis? Wanneer je je in de gemeente, waarvan je lid bent, niet thuis voelt, vraagt God dan echt van je dat je daarvan toch lid blijft? En wanneer je als vrouw de gaven hebt om de gemeente te dienen in het ambt van predikant of ouderling, is het dan echt de wil van God dat je daarvan afziet, omdat Hij het ambt voor mannen heeft gereserveerd?

Dat ik dit zo formuleer zal wel protest oproepen bij degenen die de boven beschreven opvattingen huldigen. Velen van hen zullen oprecht zijn in hun wens recht te doen aan de Schrift. Maar uiteindelijk is dat niet doorslaggevend. Het gaat er niet om of je de Schrift recht wilt doen, maar of je dat daadwerkelijk doet. De argumenten voor de hier gereleveerde opvattingen zijn meestal niet houdbaar bij een zorgvuldige lezing en uitleg van de Schrift, zowel van afzonderlijke bijbelteksten als van de doorgaande lijn in de Schrift. De wens de gaven van vrouwen voor de gemeente, ook in de ambten, te kunnen inzetten, heeft onmiskenbaar groot gewicht in de discussie over ‘man, vrouw en ambt’. Net als in het bovengenoemde geval van de liturgie begint de bezinning daarmee aan de verkeerde kant.

Hier ligt het gevaar van een ‘nieuwe hermeneutiek’: dat de wens de vader van de exegese wordt. Het gaat om jou, tenslotte.

Advertenties

Kerkelijke betonrot

28 december 2017 1 reactie

De besluiten van de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) (GKV) met betrekking tot de toelating van vrouwen tot de ambten van predikant, ouderling en diaken liggen zo’n half jaar achter ons. Ze hebben veel pennen in beweging gebracht, aanleiding gegeven tot bijeenkomsten van verontruste kerkleden en geleid tot de lancering van een website, die de bezinning op de genomen besluiten wil stimuleren. Op plaatselijk niveau zijn kerkenraden met de besluiten aan de slag gegaan en dat heeft tot heel verschillende uitkomsten geleid.

Terwijl sommige kerkenraden besloten direct tot uitvoering van de synodebesluiten over te gaan, maakten anderen pas op de plaats of besloten het proces van revisie in te gaan. Dat laatste is de kerkrechtelijk juiste weg, wanneer men bezwaren heeft tegen besluiten van kerkelijke vergaderingen. In die zin valt daartegen geen bezwaar te maken. Tegelijk roept dit proces de nodige vragen op. In de afgelopen maanden is bij mij de scepsis ten aanzien van dit proces toegenomen. Dat heeft niet alleen te maken met twijfel aan de uitkomst ervan; daarover valt nauwelijks iets met zekerheid te zeggen. Het betreft ook het proces zelf en de gevolgen ervan voor de eenheid binnen gemeenten en binnen het kerkverband.

Wat beogen kerkenraden, die in revisie gaan tegen de genomen besluiten? Ik heb geen inzicht in de activiteiten die op dit punt al zijn ondernomen of worden voorbereid, maar ik zie hier twee opties. De eerste is dat men de eerstvolgende reguliere Generale Synode verzoekt uit te spreken dat de toelating van vrouwen tot de ambten van predikant en ouderling strijdig is met de Schrift (naar mijn indruk is er weinig bezwaar tegen de uitoefening van het ambt van diaken door vrouwen). Daarmee vraagt men de synode in feite uit te spreken dat de vorige GS het principieel bij het verkeerde eind had. De kans dat het tot zo’n uitspraak komt, lijkt me nihil. Het zou dramatische gevolgen hebben en zeker tot een breuk leiden. Want zo’n uitspraak impliceert dat al die afgevaardigden, die op de laatst gehouden synode de voorstellen betreffende de toelating van vrouwen tot de ambten hebben gesteund, daarmee onschriftuurlijk gehandeld hebben en dat hun opvattingen als onschriftuurlijk worden bestempeld. Wat zal dat betekenen voor hun positie binnen de kerken?

Het maximaal haalbare lijkt me de tweede optie: de komende GS vragen uit te spreken dat het door de laatste GS genomen besluit onvoldoende is gemotiveerd en dat de aangevoerde gronden niet als argument ten gunste van de genomen besluiten kunnen dienen, ten dele ook doordat daaraan onjuiste of niet overtuigende exegeses ten grondslag liggen. Daarmee wordt de situatie van vóór de Generale Synode hersteld en kan een nieuw traject van studie en bezinning worden ingegaan. Daarbij doet zich uiteraard wel het probleem voor dat een aantal gemeenten inmiddels vrouwelijke ambtsdragers heeft. Wat zijn de consequenties voor hun positie? Bovendien hebben ze bij hun bevestiging verklaard ervan overtuigd te zijn dat God zelf hen tot hun ambt heeft geroepen. Moet dit achteraf dan als op z’n minst twijfelachtig worden beschouwd? Nog problematischer wordt de situatie, als vóór de eerstvolgende reguliere synode vrouwen als predikant zijn bevestigd.

Het is niet ondenkbaar dat dit ertoe zal leiden dat de synode zal terugschrikken voor de consequenties van een intrekking van de genomen besluiten, zelfs wanneer ze daartoe op principiële gronden geneigd zou zijn. Het gevaar is niet denkbeeldig dat de praktijk de principes zal verdringen. Daarom is het niet onbegrijpelijk dat in elk geval enkele kerkenraden streven naar het bijeenroepen van een bijzondere synode om de bezwaren tegen de besluiten van de GS te bespreken.

Desondanks lijkt me dit niet de meest aangewezen weg. Terwijl op een reguliere synode meerdere kwesties aan de orde komen, zal het bij een bijzondere synode maar over één kwestie gaan. Mindere vergaderingen moeten daarvoor de afgevaardigden aanwijzen. Het ligt voor de hand dat men zich bij de keuze zal laten leiden door de vraag welke opvatting eventuele afgevaardigden in deze kwestie toegedaan zijn. Een sterke polarisatie is onvermijdelijk en daaruit zullen ongetwijfeld partijschappen voortkomen. Dat zal de eenheid binnen de kerken – die toch al flinke averij heeft opgelopen – wellicht onherstelbaar beschadigen. Een bijzondere synode zal een kerkscheuring dichterbij brengen, nog helemaal afgezien van de besluiten die zo’n synode zal nemen.

Laten we geen illusies koesteren over de gevolgen van een proces van revisie, hoe dit ook eindigt. De Generale Synode heeft zich met haar besluiten over vrouw en ambt in een wespennest gestoken. Iedereen weet dat je daar niet ongeschonden uitkomt.

Maar we moeten nog een spade dieper steken. Laten we aannemen dat men in goede harmonie tot de conclusie komt dat de Generale Synode overhaast en op twijfelachtige gronden een besluit heeft genomen en dat het nodig is ons eerst nog eens uitvoerig over deze kwestie te bezinnen. Dan is daarmee de kou nog niet uit de lucht. Want diverse tegenstanders van de GS-besluiten zijn van mening dat aan de soms heel tegengestelde interpretaties van Schriftgedeelten en individuele teksten een verschil in hermeneutiek ten grondslag ligt. Daarmee krijgt de kwestie een heel andere dimensie. Maar zolang men het er niet over eens kan worden of en zo ja, in welke zin sprake is van verschillen op hermeneutisch vlak, wordt het vrijwel onmogelijk tot een consensus in de onderhavige kwestie te komen. Dan zal verdere discussie over vrouw en ambt geen helderheid brengen, maar alleen tot nog grotere spraakverwarring leiden.

Ik heb al eerder gewezen op allerlei andere verschijnselen die zorgen baren. Daartoe behoort de voorgenomen fusie met de Nederlandse Gereformeerde Kerken (NGK). De tendensen, waarover ‘bezwaarde’ kerkleden zich zorgen maken, zullen hierdoor alleen maar versterkt worden. De samenwerking met de Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK) biedt daaraan geen tegenwicht. Dat is deels het gevolg van het feit dat de problemen die binnen de GKV spelen, ook in dat kerkverband te signaleren zijn. Daarnaast is door de laatste GS-besluiten die samenwerking onder druk komen te staan. Als puntje bij paaltje komt zal de GKV de eenheid met de NGK zwaarder laten wegen dan de banden met de CGK.

De GKV lijden aan iets dat men kan vergelijken met betonrot. Dat is een verschijnsel, waarbij de wapening in beton begint te roesten, wat er uiteindelijk toe leidt dat het beton gaat barsten. We zien het voor onze ogen gebeuren. Dat proces is niet eenvoudig tegen te houden door besluiten betreffende de vrouw en het ambt in te trekken. Dat is slechts het topje van de ijsberg.

De afgelopen maanden ben ik steeds sceptischer geworden over het proces van revisie. Kerkrechtelijk klopt het allemaal en ik ben de laatste om te zeggen dat dit proces niet moet worden ingezet. Maar ik zou de verwachtingen willen temperen. De kans dat de gewraakte besluiten worden ingetrokken, lijkt me klein. Maar ook als dat gebeurt, is dat nog geen teken van een ommekeer en van een terugkeer van een weg die al jaren geleden is ingeslagen. Daaraan lagen overigens meestal geen formele besluiten ten grondslag en mede daardoor bleef een principiële verantwoording uit. Sterker nog, door allerlei opinieleiders binnen de GKV wordt in woord en geschrift glashard ontkend dat de GKV wezenlijk veranderd zijn. Dan wordt het vrijwel onmogelijk fundamentele zaken aan de orde te stellen en is een echt hervormingsproces heel ver weg.

Van alle kanten wordt beweerd dat men hoopt en ernaar streeft, de eenheid van de kerk te bewaren. Dat lijkt in toenemende mate een illusie. Er is een tijd om te scheuren en een tijd om te herstellen. Wanneer de wil om te herstellen in Schriftuurlijke en confessionele zin ontbreekt, zou de tijd van scheuren wel eens dichterbij kunnen zijn dan men verwacht.

Categorieën:christendom, kerk Tags: , , ,

Een kerk op dwaalwegen

Van 15 tot 17 juni j.l. heeft de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) (GKV) een aantal besluiten genomen die diepe sporen trekken binnen de kerkelijke gemeenschap. Besloten werd de ambten van diaken, ouderling en predikant open te stellen voor vrouwen. Terwijl het eerstgenoemde besluit vrijwel unaniem werd genomen, liet de stemverhouding ten aanzien van de twee andere zaken zien dat de kerken over deze kwesties diep verdeeld zijn. De reacties op de besluiten van voor- en tegenstanders bevestigden dat beeld. De komende maanden – en vooral na de zomervakantie, wanneer kerkenraden zich over de synodebesluiten zullen gaan buigen – zal menige discussie gevoerd worden, niet alleen binnen kerkenraden maar ook in de gemeenten. Volgens het Reformatorisch Dagblad hebben de GKV een wissel omgezet. Is dat een juiste analyse?

Ja en nee. Om met het laatste te beginnen, de besluiten van de Generale Synode passen in een proces dat al jaren gaande is. Stukje bij beetje hebben de GKV hun koers verlegd. De veranderingen zijn vrijwel altijd op lokaal niveau begonnen. Gemeenten en kerkenraden hebben zich een steeds grotere mate van vrijheid toegeëigend om hun koers te bepalen in zaken, waarover tevoren altijd op het niveau van meerdere vergaderingen, en speciaal dat van generale synoden, werd gediscussieerd en besloten. Die betreffen niet alleen ontwikkelingen op liturgisch gebied – die wellicht het meest in het oog springen – maar ook zaken als de contacten met andere kerken en samenwerking op het gebied van evangelisatie, de pastorale omgang met ongehuwd samenwonenden en homosexuele relaties en de toelating van gasten aan het avondmaal. Hoewel er duidelijke kerkverbandelijke afspraken bestaan dat in de regel ’s zondags twee kerkdiensten plaatsvinden, dat in de morgendienst de wet gelezen wordt, dat alleen kerkverbandelijk toegelaten liturgische formulieren gebruikt worden en dat gemeenten alleen diegenen als lid aanvaarden die op hun grondgebied wonen, gaan ook daarin gemeenten hun eigen gang. Die grotere plaatselijke eigenzinnigheid heeft de vorige Generale Synode in feite van een stempel van goedkeuring voorzien door de aanvaarding van een nieuwe kerkorde, waarin veel minder is vastgelegd. Eerder werd de grotere diversiteit al gestimuleerd door bijvoorbeeld af te zien van duidelijke regels met betrekking tot het liedrepertoire.

Het feit dat de hierboven geschetste ontwikkelingen geleidelijk plaatsvonden en zich vaak op plaatselijk niveau voltrokken, verklaart ook, zoals ik op dit weblog al eens heb gesignaleerd, dat een expliciete verantwoording van gewijzigde standpunten en handelwijzen meestal ontbreekt. Dat is vooral dan een ernstige omissie, wanneer het gaat om zaken waarover nog maar enkele decennia geleden ferme tegenovergestelde standpunten werden gehuldigd en uitgedragen.

In dat licht is het winst dat de Generale Synode nu duidelijke uitspraken heeft gedaan. Daarmee hebben de GKV een bepaalde positie gemarkeerd die je, met de commentator van het Reformatorisch Dagblad, als het omzetten van een wissel mag beschouwen. Want met deze besluiten is in ieder geval ten aanzien van de toelating van vrouwen tot de ambten vastgelegd wat nu als het standpunt van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) mag gelden. Dat moet inderdaad zo geformuleerd worden, allerlei uitlatingen ten spijt die ten doel hebben de pil voor de tegenstanders wat te vergulden en hun vertrek uit de kerkelijke gemeenschap te voorkomen. In zijn interview met het Nederlands Dagblad trekt de preses van de GS, dr. M.H. Oosterhuis, een rookgordijn op.

Ten aanzien van de genomen besluiten over de toelating van de vrouw tot de ambten zegt hij: “We hebben heel lang geleefd bij de schijnzekerheid dat de Bijbel klip en klaar was over dit thema. De synode doet niets anders dan een stap terug zetten en erkennen dat het ingewikkelder ligt. Je mag elkaar niet binden aan iets waarover geen nadrukkelijke zekerheid bestaat. Je mag de ander niet binden aan jouw Bijbeluitleg.” Op deze weergave van wat zich heeft afgespeeld, valt wel wat aan te merken. Als de synode inderdaad van mening was de de bijbel geen helderheid over dit onderwerp geeft – wat op zichzelf ook een vorm van exegese is – had ze moeten uitspreken dat er meer tijd van studie en meningsvorming nodig was. Maar ze heeft duidelijk stelling genomen en dat is wat anders dan een stap terug zetten. Het is een stap vooruit, naar mijn overtuiging in de verkeerde richting.

En of de synode de kerken niet heeft gebonden aan een bepaalde uitleg van de bijbel is nog maar de vraag (*). Ze heeft uitgesproken “dat er Schriftuurlijke gronden zijn om naast mannen ook vrouwen te roepen tot de dienst in het opzicht, het pastoraat en het onderwijs en daardoor tot het ambt van ouderling” (Besluit 5) en “dat er Schriftuurlijke gronden zijn om naast mannen ook vrouwen te roepen tot de dienst van verkondiging en onderwijs en daarmee tot het ambt van predikant” (Besluit 6). Nee, daarmee legt de synode niet een bepaalde exegese van specifieke bijbelteksten aan de kerken op. Maar haar besluiten zijn wel gebaseerd op een bepaalde lezing van de Schrift en een bepaalde weging van Schriftgedeelten en specifieke teksten. Hoeveel vrijheid is er binnen de kerken dan nog om uit te dragen dat de besluiten van de synode in strijd zijn met de Schrift en berusten op een principieel onjuiste lezing daarvan?

De synode besloot ook “ruimte te geven aan de plaatselijke kerken om zelf te bepalen of en zo ja op welke wijze en wanneer ze in de lijn van deze besluiten willen handelen” (Besluit 7). Dit besluit schept onvoldoende duidelijkheid. Het gebruik van het woord of suggereert dat kerkenraden mogen besluiten geen vrouwen tot de ambten toe te laten – niet maar tijdelijk, maar voor altijd. Hebben ze ook de vrijheid daarvoor principiële gronden aan te voeren en uit te spreken dat de openstelling van de ambten van ouderling en predikant voor vrouwen in strijd is met de Schrift? Of worden ze dan – op grond van de synodebesluiten – tot de orde geroepen, bijvoorbeeld wanneer leden van de gemeente in beroep gaan tegen het beleid van hun kerkenraad?

Laten we aannemen dat kerkenraden inderdaad die vrijheid hebben. Het is de vraag of dat de vrede in de gemeente dient. De vrede in het kerkverband dient het in elk geval niet. Want een gemeente is geen eiland. Gemeenten zijn op allerlei manieren met elkaar verbonden, via attestaties, meerdere vergaderingen en kanselruil. Wat zijn de consequenties van de synodebesluiten voor het samenleven als kerkverband? Wie het spreken van de belijdenis over de kerk en de gemeenschap van de heiligen serieus neemt, kan zich uiteindelijk niet neerleggen bij allerlei ‘pragmatische’ oplossingen, die in andere kerkverbanden, zoals de PKN, worden gehanteerd. Het zou ook ongeloofwaardig zijn, gezien de kritiek op deze ‘oplossingen’ die in het nog niet zo verre verleden vanuit de GKV klonk. Ook hier lijkt een principiële verantwoording van een eventuele koerswijziging geen overbodige luxe.

Zo’n koerswijziging kan weinig anders inhouden dan de keuze voor het model van de plurale kerk. Dat betekent dat in de ene gemeente vanaf de kansel en in het pastoraat als Schriftuurlijk mag worden uitgedragen wat in een andere gemeente als in strijd met de Schrift wordt bestempeld. Het vereist nogal wat geestelijke rek- en strekoefeningen om dat in te passen in wat de gereformeerde belijdenissen over de kerk zeggen.

Gezien de hier geschetste ontwikkelingen is het begrijpelijk dat leden van de GKV zich afvragen: wat nu?

Voor een definitief antwoord op die vraag lijkt de tijd me nog niet rijp. Dat geldt in elk geval voor mij. Als lid van een GKV zit ik nog midden in het proces van overweging en overdenking. De komende maanden is het vakantietijd en gebeurt er weinig op kerkelijk terrein. Dat geeft gelegenheid in alle rust de ontwikkelingen te overwegen. Pas na de vakantie zullen kerkenraden met de genomen besluiten aan de slag gaan en zullen ze wellicht daarover met de gemeente in gesprek gaan. Ik zet hieronder een paar elementen op een rijtje die in elk geval in mijn overwegingen een rol spelen.

Het is begrijpelijk dat de synodebesluiten over de ambten nu alle aandacht krijgen, want daarover heeft de Generale Synode uitspraken gedaan die nu als de officiële standpunten van de Gereformeerde Kerken mogen worden beschouwd. Maar er is meer aan de hand. Zoals hierboven al geschetst, maken deze besluiten deel uit van een proces. Het is dus nodig ze in een breder kader aan de orde te stellen. In dit verband wil ik wijzen op de besluiten die genomen zijn ten aanzien van de contacten met andere kerken. Er wordt nu gestreefd naar een fusie met de Nederlandse Gereformeerde Kerken (NGK). Door een minderheid van de Deputaten Kerkelijke Eenheid is er terecht op gewezen dat de binding van ambtsdragers aan de belijdenis binnen de NGK de nodige vragen oproept. Ik voeg daaraan toe dat een fusie tussen GKV en NGK de ontwikkelingen waarover GKV’ers zich zorgen maken en waarvan ik er aan het begin van dit stuk een aantal heb opgesomd, niet zal afremmen maar eerder versnellen. Ik herinner ook aan de plannen om de contacten met de PKN te intensiveren (zie daarover mijn blog ‘Kerkelijke eenheid – kiezen of delen’).

Formeel is de enige manier om de genomen besluiten van tafel te krijgen een verzoek om revisie bij de eerstvolgende Generale Synode. Die weg moet inderdaad gevolgd worden, maar het is de vraag of die enig soelaas biedt. Een revisieverzoek heeft geen opschortende werking, dus de hiervoor geschetste problemen worden daarmee niet opgelost. Bovendien moeten er nieuwe argumenten aangedragen worden, maar veel argumenten voor en tegen zijn al onderwerp van discussie geweest, ook ter synode. Verschillende scribenten hebben er op gewezen dat achter de meningsverschillen over de toelating van de vrouw tot de ambten een hermeneutisch verschil van mening zit. Volgens hen is er geen eenstemmigheid over de vraag hoe de bijbel gelezen moet worden en welke rol onze cultuur in de exegese moet of mag spelen. Het lijkt me daarom van groot belang vooral dat onderwerp op de eerstkomende synode aan de orde te stellen. Daar moet dan de vraag aan gekoppeld worden op welke manier de Schrift normatief is op ethisch terrein. Want ook op dat vlak zijn verschuivingen waarneembaar.

Juist omdat de besluiten betreffende de ambten in een breder verband staan, moeten ze niet als een soort sjibbolet gaan fungeren. Of je er voor of tegen bent, is niet een soort lakmoesproef om te bepalen of iemand wel of niet ‘Schriftgetrouw’, ‘confessioneel betrouwbaar’ of ‘goed gereformeerd’ is. Er zijn nogal wat kerkleden die bezwaren hebben tegen een aantal ontwikkelingen in de GKV, maar over dit onderwerp (nog) geen afgeronde eigen visie hebben. Er zijn er ook die de toelating van de vrouw tot het ambt positief waarderen, maar problemen hebben met de daarvoor aangevoerde gronden en daarin bedenkelijke tendenzen waarnemen. Kortom, er is alle reden de communicatie gaande te houden.

Dat brengt me bij een belangrijk element in de overwegingen over wat ‘bezwaarde’ leden van de GKV te doen staat. We zijn als leden van de kerk voor elkaar verantwoordelijk. Die verantwoordelijkheid betreft in de eerste plaats onze eigen gemeente. Maar ze beperkt zich daar niet toe. Als kerken zijn we niet alleen formeel met elkaar verbonden, maar in de eerste plaats geestelijk. Kerken hebben zich vrijwillig tot een kerkverband aaneengesloten, omdat ze op hetzelfde geestelijke fundament staan. Dat komt bijvoorbeeld tot uiting in de drie formulieren van eenheid – die uitdrukking is veelzeggend. Van die verantwoordelijkheid mogen we ons niet gemakkelijk afmaken, bijvoorbeeld door nu direct maar de uitgang van de kerk op te zoeken.

Maar verantwoordelijkheid heeft ook een andere kant, die je misschien voor de duidelijkheid aansprakelijkheid zou kunnen noemen. Gereformeerde kerken zijn niet van bovenaf, maar van onderop georganiseerd. Leden van gemeenten hebben daarmee de mogelijkheid de leer en de manier waarop de Schrift in prediking en pastoraat gehanteerd wordt, langs de kerkelijke weg aan de orde te stellen. De logische consequentie is dat ze daarmee ook aangesproken kunnen worden op wat de kerk leert en welke besluiten kerkelijke vergaderingen nemen. En daar wringt de schoen. Want als kerklid moet ik me de vraag stellen of, en zo ja, hoe lang en op welke punten ik op de kerkelijke leer en praktijk aangesproken wil worden. Beslissend is daarbij niet, of ik er zelf gelukkig mee ben, maar of ze in het licht van de Schrift en de belijdenis te verantwoorden zijn. Er kan een moment komen dat de last van die aansprakelijkheid te zwaar wordt.

De spanning tussen verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid zal vooral gevoeld worden door diegenen die vanwege hun ambt – predikant of ouderling – geroepen zijn geestelijk leiding te geven aan de gemeente. Maar ook wie geen ambt bekleedt, zal die spanning ervaren. Bovendien: de eerste verantwoordelijkheid van iedere gelovige is die voor zijn eigen geestelijk welbevinden. Dat kan ernstig geschaad worden wanneer men te lang meeloopt met een kerkelijke gemeenschap die zich op dwaalwegen begeeft.

(*) De besluiten van de GS betreffende “m/v en ambt” zijn hier te downloaden.

Slecht voorbeeld

Al decennia wordt er onderzoek gedaan naar jongeren en het geloof en jongeren in de kerk. Vele rapporten, artikelen, brochures en boeken zijn eraan gewijd. Dat wijst erop dat er een ‘jongerenprobleem’ bestaat. Elk jaar verlaten vele jongeren de kerk waarin ze zijn opgegroeid en dat gaat niet zelden gepaard met een afscheid van het christelijk geloof.

Met de ouderen loopt het zo’n vaart niet. Tenminste, dat zou je denken gezien de relatief geringe aandacht die aan het thema ‘ouderen en het geloof’ of ‘ouderen in de kerk’ wordt besteed. Misschien leeft hier en daar de gedachte dat ouderen er wel komen en dat aan hun geestelijk welbevinden geen speciale aandacht hoeft te worden gegeven. Er zijn nogal wat gemeenten waar men een jongerenpastoraat in het leven heeft geroepen en speciale ambtdragers voor de jongeren heeft aangesteld. Vergelijkbare voorzieningen voor ouderen zijn er veel minder, misschien uitgezonderd in die gemeenten waar het aantal ouderen substantieel is. Wellicht gaat dat veranderen wanneer de vergrijzing zich ook in de kerk steeds nadrukkelijker doet gevoelen.

In het licht van het bovenstaande is het opmerkelijk dat het Nederlands Dagblad een speciaal onderzoek wijdde aan de vraag hoe vijftigplussers met het geloof omgaan en of en in welk opzicht zich hun opvattingen en gedrag over een periode van 25 jaar hebben gewijzigd. Uit het onderzoek springen twee punten naar voren. Het eerste is dat bij een substantieel deel van degenen die de verstuurde enquête hebben ingevuld, het gedrag en de opvattingen ten aanzien van een aantal zaken nogal zijn veranderd. Het tweede is dat een aantal respondenten de vrees uitspreekt dat toekomstige generaties minder betrokken zullen zijn bij de kerk. De intrigerende vraag is of er een verband tussen het één en het ander bestaat. Ik wil proberen op die vraag een antwoord te vinden. Bij mijn analyse kan ik slechts uitgaan van de gegevens die de krant op 23 april j.l. publiceerde. Daarbij past dus enige voorzichtigheid want sommige gegevens zou je nader gespecificeerd willen zien om er iets meer over te kunnen zeggen.

Bij het onderzoek passen wel een paar kanttekeningen. Daar is allereerst – zoals bij elk onderzoek van dit soort – de vraag of de geselecteerde groep geënqueteerden representatief is. Die vraag laat zich op basis van de publicatie in het ND niet beantwoorden. Bovendien is dit een technische kwestie waarover alleen ter zake kundigen een oordeel kunnen vellen. Vermelding verdient wel het feit dat slechts iets meer dan de helft van degenen die benaderd werden, de enquete hebben geretourneerd.

Vervolgens moet gewezen worden op het feit dat de geselecteerde groep erg omvangrijk is wat betreft de leeftijd: iedereen van 50 jaar en ouder. Daar valt dus iemand van 55 onder, maar ook iemand van 85. Daar zit 30 jaar tussen en daarmee behoren ze tot verschillende generaties. Het zou interessant zijn te weten hoe de antwoorden op de gestelde vragen verschillen per leeftijdscategorie. In de ND-publicatie zijn de antwoorden niet uitgesplitst, met uitzondering van die betreffende de kerkgang.

Zo’n uitsplitsing is met name van belang omdat daardoor meer inzicht verkregen kan worden over de periode in het leven van de respondenten waarin zich eventuele veranderingen hebben voltrokken. Gevraagd werd naar veranderingen in gedrag en opvattingen over een periode van 25 jaar. Daarin kan veel gebeuren. Wanneer iemand van 55 andere opvattingen heeft dan 25 jaar geleden ligt het voor de hand te veronderstellen dat de omslag zich op middelbare leeftijd heeft voltrokken. Dat is de tijd dat veel mensen opgroeiende kinderen hebben en dat kan grote invloed hebben op de ontwikkeling van meningen en gedragingen. Iemand kan mogelijkerwijs precies vertellen wat het verschil tussen ware en valse kerk is, maar houdt hij die opvatting staande wanneer zijn kinderen ‘gemengd’ trouwen en elders kerkelijk onderdak vinden?

Je zou ook graag willen weten onder invloed van welke factoren veranderingen hebben plaatsgevonden. Waren het persoonlijke ervaringen? Heeft het te maken met wat men gehoord of gelezen heeft? Heeft men zich door argumenten laten overtuigen of was het gevoel de doorslaggevende factor? Juist de kwesties waarover de respondenten hun mening moesten geven – ongehuwd samenwonen, homoseksuele relaties, de vrouw in het ambt en de kerkgang – laten zich niet reduceren tot een simpel ‘ja’ of ‘nee’ dan wel ‘voor’ of ‘tegen’. Daar zou je graag willen weten hoe men tot een antwoord komt en welke argumenten men daarvoor gebruikt. Er worden wel enkele deelnemers aan het woord gelaten, maar die zijn op geen enkele manier representatief.

Zeker voor de kerk lijkt het me van wezenlijk belang te weten te komen op welke manier mensen tot hun standpuntbepaling komen. Uit artikelen in de pers komt herhaaldelijk naar voren hoezeer wat goed voelt doorslaggevend is. Toen het Nederlands Dagblad nog de mogelijkheid bood digitaal op artikelen te reageren, bleek hoe vaak mensen zich door hun gevoel laten leiden. Degenen bij wie dat het geval is accepteren niet dat wat goed voelt wellicht naar Schriftuurlijke normen niet goed genoemd mag worden. Niet zelden geeft het eigen voorstellingsvermogen de doorslag: ik kan me niet voorstellen dat God een homoseksuele relatie in liefde en trouw zou afkeuren – om maar eens een voorbeeld te noemen.

Natuurlijk zijn er ook die zich serieus met een onderwerp bezighouden en zich in de literatuur die daarover verschenen is, oriënteren. Er is tegenwoordig van alles te krijgen en wat men niet in bladen of boeken vindt, kan men op het internet tegenkomen, tot aan pennevruchten van hier verder niet bekende auteurs uit verre landen aan toe. Dat is onvermijdelijk: ook in dit opzicht is de wereld een dorp geworden. Het is ook niet verkeerd. De vraag is wel of men altijd voldoende kritische zin meebrengt bij het tot zich nemen van wat uit allerlei bronnen opwelt. Kritisch lezen – en dat betekent in dit geval: met een door de Schrift aangereikte bril – is niet ieder gegeven. Juist daarom is het belangrijk dat meningsvorming over ‘hete hangijzers’ niet alleen maar in de binnenkamer plaatsvindt, maar ook – en vooral – in de gemeenschap van de kerk.

En daar zit een groot probleem. De antwoorden op de vraag naar de kerkgang laten zien dat het niet meer vanzelfsprekend is dat alle kerkdiensten – voorzover mogelijk – worden bezocht. In toenemende mate lijkt men zelf te willen uitmaken of het zinvol is aan een kerkdienst deel te nemen. Daarmee komt dus de meningsvorming in de gemeenschap van de kerk onder druk te staan. Weliswaar staan daar dan andere dingen tegenover – bijvoorbeeld samenkomsten van een kleine groep, zoals een huiskring – maar daar komt slechts een gedeelte van de gemeente waartoe men behoort. Bovendien is in zulke structuren het gevaar reëel dat het vooral gelijkgezinden zijn die elkaars gezelschap zoeken. Dat staat diametraal tegenover wat kenmerkend is voor de kerk: een gemeenschap van mensen die in allerlei opzichten heel verschillend zijn en uit zichzelf nooit elkaar zouden hebben opgezocht maar door God zelf bij elkaar zijn gezet.

Vooral de middagdienst staat onder druk. In veel gemeenten laat de deelname daaraan ernstig te wensen over. Sommige kerkenraden leggen het hoofd in de schoot: overtuigd dat het schip niet meer te keren is, schaffen ze de middagdienst af. Dat was traditioneel het moment waarop de leer van de Schrift – gewoonlijk aan de hand van de Heidelbergse Catechismus – werd uiteengezet en verkondigd. Wanneer de middagdiensten verder in verval raken of van de zondagse agenda worden afgevoerd, zal de verkondiging van de leer van de kerk nog verder worden ondermijnd. Daarmee verdwijnt ook de mogelijkheid de gemeenteleden te begeleiden in de confrontatie met wat op de al dan niet christelijke markt aan meningen wordt aangeboden. Naarmate ook christenen meer en meer bezwijken voor de verleiding zich aan te passen aan wat volgens de dominante maatschappelijke opvattingen normaal is, moet in de prediking de confrontatie met die heersende meningen worden aangegaan. Waar de verkondiging en uitleg van de leer van de kerk in verval raakt, moet men zich over de middelpuntvliedende krachten in de meningsvorming van de gemeenteleden niet verbazen.

De vraag is overigens wel of een frequenter kerkbezoek tot een grotere eenheid in gedrag en denken zou leiden. Want dan moeten voorgangers wel duidelijke taal spreken en de Schrift en de belijdenis aan het woord laten komen. Ze moeten – naar de eis van hun ambt – geestelijk leiding geven. Ze waken immers over de zielen van de hun toevertrouwde gelovigen, volgens het bevestigingsformulier voor predikanten. Maar gevreesd moet worden dat nogal wat voorgangers het op dit punt laten afweten. Wie per artikel in de pers een pleidooi voert voor een grotere invloed van het charismatische denken in de gereformeerde kerken, zoals onlangs in het Nederlands Dagblad te lezen was, stuurt hen de verkeerde kant op.

Wellicht is hier ook enige angst in het spel. Voorgangers durven misschien niet meer openlijk te zeggen waar het op staat, uit angst dat gemeenteleden bij wie de boodschap verkeerd valt, afhaken. Wie vanaf de kansel verkondigt dat het bijwonen van twee diensten per zondag de regel is en dat die gewoonte heel goed vanuit de Schrift te beargumenteren valt, zal niet op algemeen applaus hoeven te rekenen. Hij mag blij zijn dat aanvaard wordt dat hij het zegt. Of ernaar geluisterd, laat staan gehandeld wordt, is een heel andere vraag. Het is tegenwoordig niet meer gebruikelijk over een verschil van mening met argumenten te debatteren. Men geeft er de voorkeur aan zich van de boodschap niets aan te trekken.

Dat heeft ook met het toegenomen individualisme te maken: ieder mag voor zichzelf uitmaken wat hij vindt en hoe hij zich gedraagt. Dat maakt concrete prediking en huisbezoek nogal problematisch. Sommige ambtsdragers vallen degenen die zulke opvattingen huldigen, ook nog bij. Nog niet zo lang geleden was in het Nederlands Dagblad een ingezonden brief van een voorzitter van een kerkenraad te lezen – niet op persoonlijke titel, maar onder vermelding van zijn kerkelijke functie – waarin met zoveel woorden werd betoogd dat je uit de bijbel eigenlijk geen algemeen geldende regels kunt afleiden.

De kern van het individualisme is dat ieder individu zelfstandig zijn normen en waarden bepaalt die dan ook alleen voor hemzelf gelden. Je kunt niet tegen een ander zeggen: “gij zult”, maar zo’n uitspraak wordt ook niet van anderen geaccepteerd. Nu zal men zelden openlijk zeggen dat men de kerkelijke gemeenschap niet belangrijk vindt. Er bestaat in de maatschappij als geheel een duidelijk verlangen naar gemeenschap. Het is één van de drijvende krachten achter het populisme. Maar daarbij zoekt men dan wel een gemeenschap die voldoet aan bepaalde voorwaarden: het moet wel een gemeenschap zijn van gelijkgezinden. Voor het rechts-radicale populisme betekent dit dat wie geen Nederlandse wortels heeft die minstens drie generaties terug reiken, er niet bij hoort. Een gemeenschap op voorwaarden: dat is ook een gemeente waarvan de voorganger gemeenteleden die het kerkenraadsbeleid bekritiseren, dringend adviseert maar op te krassen – en dat is dan nog een gekuiste weergave. Daarmee verwordt de kerk tot een secte.

Die staat diametraal tegenover wat het wezenlijke is van de kerk volgens de gereformeerde kerkorde, die overigens geworteld is in de Schrift. Daarin zitten mensen die elkaar niet hebben uitgezocht en elkaar misschien niet eens sympathiek vinden. Maar ze hebben wel boodschap aan elkaar en willen van elkaar leren. Waar die wil ontbreekt, verwordt de gemeente tot een groep van mensen die nog wel een aantal fundamentele leerstellingen delen, maar zich verder in leer en leven zodanig van elkaar verwijderen dat het woord ‘gemeenschap’ niet meer echt van toepassing is.

Veel geënqueteerden spraken als hun verwachting uit dat toekomstige generaties minder kerkelijk betrokken zijn. Ik zou graag willen weten hoeveel van hen minder frequent de kerkdiensten bezoeken en of hun opvattingen in de loop van de tijd zijn losgeraakt van wat hun kerk belijdt. Want wanneer men zelf het verkeerde voorbeeld geeft, moet men zich niet beklagen wanneer volgende generaties een stap verder gaan of de uiteindelijke consequenties trekken. Sommigen lieten weten dat hun minder frequente kerkbezoek hun geloof niet heeft verzwakt. Maar om welk geloof gaat het dan? Het geloof waarvan men de inhoud hoogstpersoonlijk – zonder inbreng van de kerkelijke gemeenschap – bepaalt? Niet de individuele gelovige maakt uit wat geloof is. Dat wordt in de gemeenschap van de kerk bepaald. Aan de kerk is het Woord toevertrouwd, hier vindt de ‘bediening van de verzoening’ – om een oude term van stal te halen – plaats en hier worden de sleutels van het hemelrijk gehanteerd.

Er is een uitdrukking die zegt: “Goed voorbeeld doet goed volgen”. Dat geldt ook voor de manier waarop men gelooft en zich beweegt binnen de kerkelijke gemeenschap. Het omgekeerde is echter ook waar: slecht voorbeeld doet slecht volgen. Daarom moet ieder zich afvragen of hij wel een voorbeeld geeft dat navolgenswaard is. Wie de regelmatige kerkgang laat verslonzen, moet zich niet verbazen dat jongeren nog veel minder vaak de kerk van binnen zien. Er zal best een jongerenprobleem zijn, maar wellicht is dat voor een deel – en in toenemende mate – een ouderenprobleem.