Archief

Posts Tagged ‘VS’

De secularisatie van de Amerikaanse evangelicalen

Wat maar weinig mensen verwacht hadden is dan toch gebeurd: Donald Trump is gekozen tot 45e president van de Verenigde Staten. Het was tegen alle verwachtingen in, die vooral gebaseerd waren op opiniepeilingen, maar ook op de aanname dat een kandidaat die in zoveel opzichten afwijkt van de mainstream toch nauwelijks realistische kansen zou hebben om de presidentsverkiezingen te winnen. Goed, hij had – ook tegen de verwachtingen in – de nominatie van de Republikeinse partij binnengesleept. Maar van die partij zijn we de laatste jaren wel wat gewend, als het om extremisme gaat. De kandidaten tegen wie Trump het in de voorverkiezingen moest opnemen, waren in veel opzichten weinig beter dan hij. Maar, zo was de gedachte, de Amerikaanse kiezers zullen toch wel wijzer zijn, zeker nadat de ene na de andere onthulling ernstige karakterfouten en zelfs grensoverschrijdend gedrag aan het licht brachten. Aan zo iemand zouden de Amerikanen toch in meerderheid niet het vertrouwen geven? Dat was een misrekening. Weliswaar kreeg zijn tegenstander, Hillary Clinton, een kleine meerderheid van de stemmen, maar heel indrukwekkend was het verschil niet. Dat ook aan haar wel de nodige smetjes kleefden, werd niet als een ononverkomelijk obstakel gezien, zeker ook niet door haar partij, die niet serieus naar een alternatief zocht, dat minder weerzin opwekte.

In deze weblog gaat het me vooral om een merkwaardig fenomeen dat al heel wat pennen en tongen, zowel in de Verenigde Staten als in ons land, in beweging heeft gebracht. Trump kreeg de steun van de overgrote meerderheid van zogenaamde ‘evangelische christenen’, en dan vooral het blanke deel daarvan. Want onder de Afro-Amerikaanse christenen zag het beeld er wat anders uit, hoewel ook daar nogal wat weerstand was tegen Hillary Clinton, vooral vanwege haar liberale standpunten in ethische kwesties. Nu kan het op zichzelf niet verbazen dat blanke evangelische christenen in overgrote meerderheid geneigd zijn een Republikeinse kandidaat te steunen. Dat is al decennia lang het geval. Beide grote partijen in de VS zijn ideologisch en religieus gemêleerd. Beide kennen een waaier van opvattingen, van rechts tot links. In de loop van de laatste decennia hebben beide partijen wel een ideologische wending laten zien. De Republikeinse partij wordt gedomineerd door rechts, de Democratische door links. In beide gevallen bepaalt dat het beeld dat men van deze partijen heeft.

Ook op ethisch vlak verschillen beide partijen. Tegenstanders van een vrije abortuspraktijk – om maar eens één van de heetste hangijzers te noemen – zijn in beide partijen te vinden, maar in de Republikeinse partij krijgen zij meer voet aan de grond. Daarentegen zijn er onder de Republikeinen nogal wat die op dit punt een veel liberaler standpunt innemen maar zich vanwege het economisch beleid of uit buitenlands-politieke overwegingen bij die partij thuis voelen en het overheersende anti-abortusstandpunt op de koop toe nemen.

Voor veel evangelische kiezers in de VS zijn abortus en zaken als het homohuwelijk van doorslaggevend belang, zo komt uit de media steeds naar voren. Maar juist dat roept nogal wat vragen op. Want Donald Trump heeft nooit de indruk gewekt dat dit soort zaken hoog op zijn prioriteitenlijstje staan. Hij heeft ook helemaal geen bindingen met het evangelische deel van de Republikeinse partij. Zijn uitlatingen over het christelijk geloof en de betekenis die dat voor hem heeft lieten vooral ongemak zien en konden nauwelijks overtuigen. Het zegt veel over het kennelijk gebrek aan geloofwaardige alternatieven dat men bereid bleek dit door de vingers te zien of er een bepaalde draai aan te geven waardoor Trumps uitlatingen in een gunstiger licht kwamen te staan. Dat moet ook de reden zijn geweest dat men wilde geloven dat Trump zijn beloften op ethisch terrein zou waarmaken. Of dat ook het geval is, staat bepaald niet vast. Wat dat betreft zouden de evangelicalen nog wel eens van een koude kermis thuis kunnen komen.

Was de steun voor Trump vanwege zijn achtergrond en zijn uitlatingen over het geloof al enigszins dubieus, het werd nog vreemder toen duidelijk werd dat zijn levensstijl in veel opzichten haaks staat op wat door evangelicalen als christelijk ideaal wordt uitgedragen. Kan iemand die zich herhaaldelijk heeft misdragen en blijk geeft van een gebrek aan moreel besef, met name in zijn opstelling ten opzichte van vrouwen, een geloofwaardige kandidaat van christenen zijn? Een aantal christelijke leiders en opiniemakers distantieerde zich van Trump. Sommigen deden dat al voor die onthullingen, waarbij ze ook wezen op eerdere uitlatingen ten aanzien van minderheden, zoals Afro-Amerikanen en latino’s, en religieuze minderheden, met name moslims. Anderen keerden zich van hem af als direct gevolg van de genoemde onthullingen. Maar vele evangelische leiders bleven Trump steunen.

Daarvoor zijn twee verklaringen.

De eerste is dat men de zonden van Trump weliswaar erkende, maar tegelijk het gewicht ervan bagatelliseerde. “We zijn allemaal zondige mensen”, werd gezegd, daarmee een christelijke waarheid gebruikend om het straatje van de zondaar schoon te vegen. Bovendien was niet de levensstijl, maar waren vooral de politieke ideeën van de kandidaat van belang. Daarbij schroomde men niet de bijbelse koning David als voorbeeld te gebruiken. Ook diens levensstijl was bepaald niet smetteloos maar desondanks was hij een “man naar Gods hart”. Hier valt niet alleen de inconsequentie op – politici van een andere politieke oriëntatie mogen op heel wat minder coulantie rekenen – maar ook het misbruik de Schrift voor politieke doeleinden. Ik kom daar wellicht binnenkort nog afzonderlijk op terug.

De tweede verklaring is meer politiek van aard. In het politieke denken van de Amerikaanse evangelicalen speelt het Hooggerechtshof een doorslaggevende rol. Al lange tijd scheiden zich de geesten over de interpretatie van de grondwet. Omdat die uit een andere tijd stamt, geeft die niet op alle vragen een pasklaar antwoord. Dus moeten de leden van het Hooggerechtshof – die voor het leven worden benoemd door de president, overigens na instemming van het Congres – steeds zoeken naar een zodanige interpretatie dat aan de bedoeling van de grondwet recht gedaan wordt. Hierbij staan twee lijnen tegenover elkaar. De conservatieve lijn is dat de grondwet moet worden geïnterpreteerd naar de bedoeling van de opstellers. De liberale lijn is dat rechters de bestaande maatschappelijke opvattingen moeten verdisconteren. In het eerste geval is de grondwet statisch, in het tweede geval dynamisch.

Uiteraard zijn de evangelicalen voorstander van de eerste lijn. Zij zien daarin een garantie dat christenen optimale godsdienstvrijheid behouden, die hun het recht geeft in hun persoonlijk leven en in hun beroepsuitoefening zich te distantiëren van wat door anderen – misschien zelfs de meerderheid van de bevolking – als normaal wordt beschouwd. Ook zien ze in de conservatieve interpretatie van de grondwet een middel om de legalisering van het homohuwelijk tegen te houden dan wel terug te draaien en een vrije abortuspraktijk te beteugelen. Uit uitlatingen van evangelicale leiders die Trump door dik en dun steunden, bleek steeds weer dat de personele bezetting van het Hooggerechtshof van cruciale betekenis werd geacht. Niet alleen moet Trump één van de opengevallen plaatsen bezetten, maar gezien de leeftijd van een aantal rechters is de kans groot dat hij tijdens zijn ambtstermijn nog één of meer benoemingen zal moeten doen. Daarom zien evangelicalen dit als een uitgelezen kans om voor jaren of zelfs decennia het Hooggerechtshof naar hun hand te zetten.

Dit laat zien dat de evangelicale beweging in de VS in hoge mate gepolitiseerd is. De volledige concentratie op macht en machtsuitoefening laat allerlei andere factoren naar de achtergrond verdwijnen. In feite wordt de persoonlijke ethiek van politieke ambtsdragers – in dit geval de president – geheel ondergeschikt gemaakt aan de mogelijkheid politieke macht uit te oefenen. Dit is om meerdere reden een fatale vergissing.

Alles mag dan politiek zijn, maar politiek is niet alles. Men vergist zich wanneer men denkt met machtsmiddelen maatschappelijke ontwikkelingen te kunnen keren; daarvoor is een verandering van mentaliteit nodig. Wanneer christenen het denken over ethische kwesties, zoals abortus, willen veranderen, zullen ze het maatschappelijke debat moeten aangaan. Verscherping van de abortuswetgeving is slechts te bereiken wanneer daarvoor een maatschappelijk en vervolgens ook politiek draagvlak wordt gecreëerd. Ik haal hier met instemming Anton de Wit aan, die in een column op de site van de EO schreef: “Ik vind het zelfs meer dan kwalijk dat christenen het abortusvraagstuk tot hamvraag van de verkiezingskeuze hebben gemaakt. Niet omdat abortus niet belangrijk genoeg is om politiek te zijn, maar juist omdat het te belangrijk is om politiek te zijn. De grote makke van de pro-lifebeweging is dat het abortus zo heeft gepolitiseerd. Het is bijna puur een strijd om beleidsvorming en wetgeving geworden, waar het eigenlijk een strijd om de harten van mensen zou moeten zijn. Door Trump nu als dubieuze mascotte te kiezen, heeft de pro-lifebeweging zichzelf nog verder in de hoek van de hartelozen geduwd.” De strijd tegen abortus moet dan ook onderdeel uitmaken van een breed pakket aan maatregelen, o.a. op het vlak van voorlichting en hulpverlening, zoals we dat in Nederland kennen.

Op deze wijze wordt christelijke politiek van haar geloofwaardigheid beroofd. Wie pretendeert in de samenleving op te komen voor christelijke waarden, compromitteert zichzelf, wanneer hij tegelijk iemand te vuur en te zwaard verdedigt en zelfs als een geschikte kandidaat voor het presidentschap aanprijst, die een aantal van deze waarden met voeten treedt. Het verwijt van hypocrisie is dan geheel terecht.

Het streven via machtsmiddelen de samenleving weer op het ‘rechte’ spoor te krijgen is ook kortzichtig. Op korte termijn zal men wellicht bepaalde ontwikkelingen kunnen tegenhouden, maar veel meer dan vertraging zal het niet zijn, wanneer het draagvlak ontbreekt. Eén van de oorzaken van de radicalisering van delen van de Republikeinse partij en van een deel van de kiezers is de minachting voor hun opvattingen door wat men ‘de elite’ noemt, die men vooral bij de Democratische partij zoekt. Maar het radicalisme van de Republikeinen – waarmee men de Democraten met gelijke munt terugbetaalt – zal op termijn de tegenstellingen alleen maar verder verscherpen. Dan kan eventuele winst van een Republikeins presidentschap onder een volgende president zomaar helemaal te niet worden gedaan.

De onderschikking van de ethiek aan de politiek zou je als de secularisatie van het Amerikaanse evangelicalisme kunnen beschouwen. Maar wellicht zit het probleem nog veel dieper. Want tot nu toe zijn we er hier vanuit gegaan – en dat is de overheersende mening in de media, inclusief de christelijke – dat voor Amerikaanse evangelicalen de christelijke ethiek een doorslaggevende rol speelt en hun stemgedrag bepaalt. Maar er zijn redenen daar grote vraagtekens bij te zetten.

De Amerikaanse website Christianity Today publiceerde een interessante analyse van het stemgedrag en de motieven van verschillende groepen christenen. Daaruit zijn allerlei belangwekkende gegevens te halen, zoals het feit dat een substantieel deel van de aanhang van beide presidentskandidaten zich heeft laten leiden door afkeer van de andere kandidaat. Dat speelt altijd een rol, maar bij deze verkiezingen wellicht meer dan ooit tevoren. De cijfers laten ook allerlei opvallende verschillen zien, bijvoorbeeld tussen denominaties en tussen evangelicalen van verschillende etniciteit.

Daaraan zouden allerlei interessante beschouwingen gewijd kunnen worden. Maar op dit moment wil ik me beperken tot twee aspecten. Die zouden overigens wel eens kunnen samenhangen met het uit de cijfers naar voren komende verschil tussen voorgangers en wat ik maar ‘leken’ zal noemen.

De eerste is de beoordeling van de kandidaat op de punten van geloof en persoonlijke ethiek. In 2011 antwoordde 64% van de blanke evangelicalen bevestigend op de vraag of het voor hen belangrijk was dat een presidentskandidaat een “sterk geloof” heeft; in 2016 is het percentage gedaald tot 49. Dit verklaart voor een deel dat een substantieel deel van hen Trump steunde, terwijl niet minder dan 48% van degenen die zich born again Christians noemen, van mening was dat noch Clinton noch Trump als authentic Christian kan worden beschouwd.

Ten aanzien van de persoonlijke ethiek tekent zich een vergelijkbaar patroon af. In 2011 vroeg Christianity Today of iemand die in een publiek ambt gekozen is, ethisch kan handelen terwijl hij zich in zijn persoonlijk leven immoreel heeft gedragen. Daarop gaf 30% een bevestigend antwoord; in 2016 is dat percentage gestegen tot 72 en niet minder dan 42% antwoordt dat een buitenechtelijke affaire geen verschil zou maken voor het stemgedrag.

Wijst dit op een fundamentele verandering in opvattingen in de richting van een scheiding van geloof en politiek? Of moeten we dit vooral interpreteren als een pragmatische opstelling of een poging het eigen stemgedrag te rechtvaardigen? Je kunt moeilijk zeggen dat onethisch gedrag een verhindering is een bepaalde kandidaat te steunen en dan vervolgens iemand in het Witte Huis kiezen die in onethische gedragingen grossiert.

Er is nog een statistiek die van belang is en misschien komen we dan dichter bij de kern van de zaak. De tiende vraag die Christianity Today aan de geënquêteerde evangelicalen voorlegde was, welke kwesties voor hen het zwaarste wogen. De lijst met percentages is hoogst interessant. Want wie denkt dat zaken als abortus en het homohuwelijk wel hoog zullen scoren, komt bedrogen uit. De economie scoort het hoogst, gevolgd door nationale veiligheid. Wanneer we dan naar de cijfers voor de blanke evangelicalen kijken, is de lijst nog onthullender. Bovenaan staan terrorisme, de economie en – ex aequo – immigratie en buitenlandse politiek. Deze worden gevolgd door gun policy – wat geïnterpreteerd moet worden als het recht een wapen te dragen – en benoemingen voor het Hooggerechtshof. Waar staat abortus? Op een elfde plaats – dit issue haalt net een meerderheid van 52% van de ondervraagden als ‘heel belangrijk’ bij de keuze voor een bepaalde kandidaat. Het zegt iets over de prioriteiten van blanke evangelicalen dat economie, immigratie en het recht een wapen te dragen hoger scoren dan abortus. Het zegt ook veel dat de behandeling van raciale en etnische minderheden slechts 51% scoort en het milieu een magere 34%. Veel Amerikaanse (blanke) evangelicalen lijken daarmee in de eerste plaats geïnteresseerd te zijn in het eigen (materiële) welbevinden, meer dan in de publieke moraal. Ook nationalisme speelt een belangrijke rol, zoals uit het gewicht van immigratie blijkt.

Als bezwaar tegen christelijke politiek in de VS is vaak ingebracht dat die wordt versmald tot enkele kwesties: abortus, gezin, Israël. Maar de hier aangehaalde cijfers laten zien dat de situatie veel ernstiger is. De genoemde kwesties zijn voor veel evangelicale leiders en opiniemakers – degenen die zich in de media manifesteren en ons beeld van de Amerikaanse evangelicale wereld in hoge mate bepalen – wellicht inderdaad doorslaggevend. Maar voor veel evangelicale ‘leken’ lijkt christelijke politiek niet meer dan een masker waarachter zich politieke standpunten verbergen die met het christelijk geloof weinig tot niets van doen hebben of daar zelfs haaks op staan. De gekozen vice-president Mike Pence beweerde dat hij in de eerste plaats christen was en pas dan Amerikaan. Het is niet aan mij om dat te beoordelen. Maar wie naar de cijfers kijkt kan niet anders dan concluderen dat veel Amerikaanse evangelicalen eerst Amerikaan zijn en pas dan christen. Het valt overigens te vrezen – en dat is misschien nog erger – dat velen daartussen geen verschil zien en die met elkaar vereenzelvigen.

Op grond van de hier gereleveerde gegevens lijkt me de conclusie gewettigd dat een substantieel deel van de Amerikaanse evangelicalen – en dan vooral het blanke deel daarvan – in sterke mate geseculariseerd is. Dat de VS een in hoge mate door het christendom gestempelde samenleving zou zijn, krijgt steeds meer de trekken van een mythe.
De te pas en te onpas gebruikte wens “God bless America” verandert daar niets aan.

Advertenties

Het gif van het nationalisme

Wie heeft het gedaan? Dat is de vraag die politici, pers en publieke opinie bezighoudt na de ramp met MH17 boven Oost-Oekraïne op donderdag 17 juli j.l. Dat hier sprake is van een daad van terrorisme wordt niet serieus betwijfeld. Of ooit kan worden vastgesteld wie de schuldigen zijn is de grote vraag. De omstandigheden waarin het onderzoek moet plaatsvinden geven weinig reden tot optimisme. Vooral in Nederland bestaat grote woede en verontwaardiging. Het verreweg grootste aantal slachtoffers was in het bezit van een Nederlands paspoort en dat maakt het begrijpelijk dat juist hier met argusogen en met ongeduld gekeken wordt naar de afwikkeling van deze ramp.

Het is waarschijnlijk niet realistisch te verwachten dat de achtergronden anders dan vanuit een – begrijpelijk – vooringenomen standpunt worden geanalyseerd. Toch zal het uiteindelijk er wel van moeten komen dat hier van wat meer afstand naar gekeken wordt. Dan mogen we niet de ogen sluiten voor de mogelijkheid dat de verschijnselen die tot deze ramp leidden niet zover van ons vandaan staan als we wellicht denken of graag zouden willen.

De ontwikkelingen in Oekraïne maken deel uit van een groter geheel. Uiteraard zijn er specifieke omstandigheden die met het land, de cultuur en de geschiedenis van Rusland en Oekraïne te maken hebben. Maar het zou van naïviteit getuigen te denken dat wat zich daar afspeelt elders niet zou kunnen voorkomen. We moeten onder ogen zien dat we ons in een tijdperk bevinden waarin het nationalisme herleeft. We dachten misschien dat die ideologie na de Tweede Wereldoorlog voorgoed ten grave gedragen was, maar de ontwikkelingen sinds de eeuwwisseling laten een tegenovergesteld beeld zien.

Na de val van het IJzeren Gordijn aan het eind van de jaren 1980 stonden landen, die lange tijd formeel zelfstandig waren maar in feite naar het pijpen van Moskou dansten, voor de taak hun eigen identiteit te hervinden. Dat ging niet altijd even gemakkelijk en de ontwikkelingen in Oost-Europa laten een zeer gavarieerd beeld zien. Enkele landen ontwikkelden zich tot redelijk stabiele democratieën, maar in andere kregen allerlei krachten de overhand die met de democratie niet veel op hadden. In enkele heeft zich een vorm van nationaal besef ontwikkeld dat gekenmerkt wordt door het verheerlijken van één specifieke culturele identiteit die gepaard gaat met een zich afzetten tegen wat daarvan afwijkt. De positie van de Roma in verschillende landen van het voormalig Oostblok is bepaald niet rooskleurig. Ook de Hongaarse minderheid in Roemenië wordt niet voor vol aangezien. En, zoals altijd wanneer het nationalisme zich laat gelden, groeit in verschillende landen ook het antisemitisme.

Dat het nationalisme ook gewelddadige vormen kan aannemen werd niet alleen in de beide wereldoorlogen van de 20e eeuw gedemonstreerd, maar nog recenter in de oorlog op de Balkan. Wat voor beschaving doorging bleek niet meer dan een dun laagje vernis dat afbladderde toen het gif van het nationalisme er vat op kreeg. Die oorlog liet zien waartoe nationalisme kan leiden, en de huidige ontwikkelingen in met name het oostelijke, door pro-Russische krachten beheerste deel van Oekraïne bevestigen dat beeld. Mensen die met elkaar in vrede leefden, komen ineens onverzoenlijk tegenover elkaar te staan. Ze zijn zelfs bereid elkaar het leven onmogelijk te maken, desnoods letterlijk, met wapengeweld. Het adagium “right or wrong, my country” wordt tot in het extreme doorgevoerd. De compromisloze vaderlandsliefde smoort elke vorm van kritiek op het eigen denken en handelen. Nationalisme is per definitie ondemocratisch en autoritair: wie vraagtekens zet bij de heersende ideologie en de wijze waarop deze wordt toegepast, krijgt al snel het label ‘landverrader’ opgeplakt. Nationalisme tast het vermogen tot empathie aan: mensen worden gereduceerd tot pionnen op een schaakbord. De ontmenselijking waartoe het nationalisme leidt werd recent wel heel schrijnend gedemonstreerd in de weinig piëteitvolle omgang van Oekraïnse separatisten met de slachtoffers van de vliegtuigramp en hun bezittingen.

Wij in het beschaafde Westen wenden ons vol walging hiervan af en spreken met een mengeling van verontwaardiging en minachting over deze praktijken. Wij zouden ons nooit tot zo’n niveau verlagen, zijn we wellicht geneigd te denken. Maar dan kennen we de geschiedenis niet. De Tweede Wereldoorlog begon in wat wij nu als West-Europa beschouwen. Er zijn nog maar weinig mensen die de gruwelen van die oorlog bewust hebben meegemaakt. Maar er wordt op allerlei, vaak indringende, manieren aandacht aan besteed. Voor een gebrek aan kennis van wat zich toen heeft afgespeeld is geen excuus. Wie zich daarvan rekenschap geeft zal niet zo hoog van de toren blazen over onze ‘beschaving’.

Nu zou men wellicht kunnen denken dat we sindsdien wijzer en wellicht zelfs beschaafder geworden zijn. We hebben toch van de oorlog geleerd? Dat is wel te hopen, maar het is de vraag of de lessen van de oorlog beklijven. Nee, bij ons worden geen etnische groepen of andere minderheden vervolgd en er lopen geen gewapende milities door de straten. Maar dat zijn slechts uiterlijke tekenen van een mentaliteit. De neiging de eigen groep superieur te achten en zich af te zetten tegen wie daartoe niet behoort is wellicht de mens eigen en dus van alle tijden. Dat neemt niet weg dat deze neiging zich soms als een sluipend gif door de aderen van de maatschappij verbreidt en na verloop van tijd het politieke en maatschappelijke klimaat gaat beïnvloeden. Dat is sinds het begin van deze eeuw het geval in verschillende Westeuropese landen en niet het minst in Nederland.

De opkomst van populistische partijen is daarvan een duidelijke manifestatie. Zulke partijen zijn er in soorten en maten. Zonder nu te willen beweren dat linkse partijen als de SP van alle nationalistische smetten vrij zijn, moet het gevaar in dit verband toch vooral aan de rechterkant van het politieke spectrum gezocht worden. Juist degenen die zich daar bevinden zijn gevoelig voor de nationalistische verleiding. De afkeer van en het verzet tegen de aanwezigheid en invloed van andere culturen wordt hier bepaald niet onder stoelen of banken gestoken. Het is geen wonder dat juist hier een onmiskenbare bewondering voor de Russische president Putin valt te constateren. Men leze het internetforum van Elsevier of een site als De Dagelijkse Standaard. Dat heeft alles te maken met zijn door nationalisme gedreven binnen- en buitenlandse beleid. Daarbij speelt ook een rol dat hij het opneemt tegen Europa, voor veel nationalistisch-rechtse Nederlanders het symbool van het kwaad. Dat is immers per definitie multicultureel. Dat Putin geen democraat is, wordt eerder als een pluspunt dan als een negatieve factor beschouwd.

Het is waar dat in Nederland aan de afkeer van andere culturen niet op gewapende manier uiting wordt gegeven, ook al zijn er nu en dan incidenten die bepaald niet vreedzaam te noemen zijn. Maar verbaal geweld is ook een vorm van geweld en kan mede de voedingsbodem vormen voor fysiek geweld. Hier kan gewezen worden op de manier waarop de PVV gewend is politiek te bedrijven en haar aanhangers tegen burgers van andere culturen opzet. Even bedenkelijk is de pretentie namens ‘het volk’ te spreken, daarmee suggererend dat ‘het volk’ een mening heeft. Het gevaar ligt op de loer dat wie een andere mening heeft dan wordt gezien als niet behorend tot ‘het volk’. Dan is het maar een kleine stap naar de kwalificatie van zo iemand als een ‘landverrader’. Overdreven? Toch niet. Die term werd al jaren geleden in internetfora gebruikt ter kwalificatie van wie een voorstander was van de multiculturele samenleving.

‘Europa’ is lange tijd beschouwd als hèt middel om het nationalisme te beteugelen. Vooralsnog lijkt het daar niet op – het wakkert het nationalisme eerder aan. Dat is dus het medicijn niet. ‘Europa’ kan zelfs in zijn tegendeel verkeren. Het project Europa kan gemakkelijk ontaarden in een nieuwe vorm van nationalisme dat het continent omvormt tot een ‘fort Europa’ dat door ophaalbruggen en hoge muren ‘buitenstaanders’ buiten de deur houdt. Daarmee komen we dan van de regen in de drup.

Eén van de redenen dat het nationalisme zijn kop weer opsteekt is het verval van ideologieën die boven het nationale belang uitstijgen. In het verleden werd Nederland gekenmerkt door de verzuiling. Langs ideologische of religieuze lijnen was de maatschappij verdeeld in een aantal segmenten binnen welke een grote mate van homogeniteit bestond, die gepaard ging met een sterk saamhorigheidsgevoel. Daarvan is nog nauwelijks sprake. Als gevolg van de toegenomen mobiliteit is ook de locale of regionale samenbinding grotendeels verdwenen. Hoewel de zegeningen van het individualisme van de daken gepredikt worden, zijn de meeste mensen nog altijd op zoek naar een vorm van binding met anderen. In onze tijd blijft voor velen alleen nog het eigen volk en de eigen cultuur over. Daarmee gaat gepaard het beklemtonen van wat karakteristiek wordt geacht voor de nationale identiteit. De recente discussie over ‘Zwarte Piet’ laat zien dat dit gemakkelijk nogal ridicule vormen kan aannemen.

In veel christelijke kerken is in de afgelopen weken aandacht besteed aan de vliegtuigramp en de gevolgen. Dat is logisch en volkomen terecht. In zo’n situatie volstaat het niet kracht in onszelf of in de samenleving te zoeken. Maar hopelijk zullen de kerken – op een gepast tijdstip – ook aandacht besteden aan de context zoals die hierboven is geschetst. Ze hebben het beste medicijn tegen nationalisme in de aanbieding. Maar daarbij past dan wel een kanttekening. Want net zoals ideologieën als het socialisme niet altijd vrij geweest zijn van nationalistische smetten – zie de aanloop naar de Eerste Wereldoorlog – hebben ook christelijke kerken niet altijd weerstand geboden aan de sirenenzang van de nationale zelfverheerlijking. Hier kan gewezen worden op de rol van Orthodoxe kerken in Rusland en Oekraïne en ook die van de Orthodoxe Kerk in Servië ten tijde van de Balkanoorlog. Kerken in de Verenigde Staten hebben zich niet zelden verregaand geïdentificeerd met de politieke doelen van de regering, bijvoorbeeld ten tijde van verschillende militaire conflicten in het Midden-Oosten. Het wordt voor een kerk al helemaal moeilijk een gepaste afstand te bewaren wanneer ze de positie van staatskerk heeft.

Daar is in ons land geen sprake van. Nederland heeft – ook in de tijd van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden – nooit zoiets als een ‘staatskerk’ gekend en ook de Nederlandse Hervormde Kerk had die positie niet, ook al was de koninklijke familie daar lid van. Maar dat wil niet zeggen dat kerken immuun zijn geweest voor de nationalistische verleiding. In de jaren ’30 zijn nogal wat predikanten daarvoor bezweken en van een sterke kerkelijke oppositie tegen het opkomende nationalisme, onder andere in de vorm van de NSB, is niet bepaald sprake geweest.

Na de oorlog werd in GPV-kring onbekommerd gesproken over ‘nationaal-gereformeerde politiek’. Daarbij was zeker geen sprake van nationalisme, zoals dat voor de oorlog bij de NSB werd aangetroffen of zoals dat nu in bepaalde rechtse kringen ingang heeft gevonden. Desondanks mogen daarbij wel kritische kanttekeningen worden gemaakt. In onze tijd zou zo’n term in ieder geval geheel ongepast zijn. Niet alleen zou die ongewenste associaties oproepen, er is ook geen enkele aanleiding het christelijk geloof specifiek met de ‘nationale’ cultuur te verbinden. In de eerste decennia na de oorlog had die cultuur nog in aanzienlijke mate een christelijke kleur. Die is inmiddels goeddeels verbleekt. Er is voor christenen weinig reden de Nederlandse cultuur op grond van hun religieuze overtuiging te verdedigen. Het is ironisch dat culturen die hun wortels buiten Nederland en zelfs voor een belangrijk deel buiten Europa hebben in een aantal opzichten die waarden hooghouden, die ooit kenmerkend waren voor de ‘Nederlands-christelijke’ cultuur. Er is daarom voor christenen bepaald geen reden zich tegen hun aanwezigheid in de Nederlandse samenleving te verzetten.

Moet de christelijke kerk dan met haar rug naar de samenleving gaan staan? Bepaald niet. Van de culturele verwantschap mag dan weinig zijn overgebleven, er is nog wel steeds een historische verbondenheid. Die brengt verantwoordelijkheid mee. De kerk moet de samenleving aanspreken op haar christelijk-historische wortels zoals die bijvoorbeeld in het Wilhelmus tot uitdrukking komen. Juist hier vinden we het tegengif tegen elke vorm van nationalisme. Het lied is ontstaan in een tijd dat het begrip ‘natie’ nog nauwelijks bestond. De wortel van het nationalisme ligt in de 19e eeuw en toen zijn ook veel volksliederen ontstaan. In Nederland hebben we het enige tijd met ‘Wien Neerlands bloed’ moeten doen. Als dat nog steeds ons volkslied was, zouden we allang hebben moeten weigeren dat aan te heffen. Door de aderen van dat lied vloeit vooral het gif van het nationalisme.

Twee jaar geleden schreef ik in dit weblog een stuk over het zingen van het Wilhelmus in de kerk. Ik schreef toen: “Het [Wilhelmus] is niet horizontaal gericht, alsof de samenleving haar eigen krachtbron zou zijn. Het wijst op God als haar schild en betrouwen. Door het zingen van het Wilhelmus doet de kerk een appel aan overheid en samenleving Gods soevereiniteit te erkennen. Zij spoort hen aan op hem te bouwen en hem te gehoorzamen als “de hoogste Majesteit” (vs 15).”

Laten we bij gepaste gelegenheden het Wilhelmus ook in de kerk met overtuiging zingen. Laten we dan het zesde en vooral het veertiende couplet niet vergeten. Dat laatste eindigt zo: “Tot God wilt u begeven, Zijn heilzaam Woord neemt aan. Als vrome christen leven, ’t zal hier haast zijn gedaan”. We hebben hier immers geen blijvende stad en ons vaderland heeft geen geografische grenzen, hoge muren of ophaalbruggen. Ons vaderland is elders.