Archief

Posts Tagged ‘Wien Neêrlands bloed’

Het gif van het nationalisme

Wie heeft het gedaan? Dat is de vraag die politici, pers en publieke opinie bezighoudt na de ramp met MH17 boven Oost-Oekraïne op donderdag 17 juli j.l. Dat hier sprake is van een daad van terrorisme wordt niet serieus betwijfeld. Of ooit kan worden vastgesteld wie de schuldigen zijn is de grote vraag. De omstandigheden waarin het onderzoek moet plaatsvinden geven weinig reden tot optimisme. Vooral in Nederland bestaat grote woede en verontwaardiging. Het verreweg grootste aantal slachtoffers was in het bezit van een Nederlands paspoort en dat maakt het begrijpelijk dat juist hier met argusogen en met ongeduld gekeken wordt naar de afwikkeling van deze ramp.

Het is waarschijnlijk niet realistisch te verwachten dat de achtergronden anders dan vanuit een – begrijpelijk – vooringenomen standpunt worden geanalyseerd. Toch zal het uiteindelijk er wel van moeten komen dat hier van wat meer afstand naar gekeken wordt. Dan mogen we niet de ogen sluiten voor de mogelijkheid dat de verschijnselen die tot deze ramp leidden niet zover van ons vandaan staan als we wellicht denken of graag zouden willen.

De ontwikkelingen in Oekraïne maken deel uit van een groter geheel. Uiteraard zijn er specifieke omstandigheden die met het land, de cultuur en de geschiedenis van Rusland en Oekraïne te maken hebben. Maar het zou van naïviteit getuigen te denken dat wat zich daar afspeelt elders niet zou kunnen voorkomen. We moeten onder ogen zien dat we ons in een tijdperk bevinden waarin het nationalisme herleeft. We dachten misschien dat die ideologie na de Tweede Wereldoorlog voorgoed ten grave gedragen was, maar de ontwikkelingen sinds de eeuwwisseling laten een tegenovergesteld beeld zien.

Na de val van het IJzeren Gordijn aan het eind van de jaren 1980 stonden landen, die lange tijd formeel zelfstandig waren maar in feite naar het pijpen van Moskou dansten, voor de taak hun eigen identiteit te hervinden. Dat ging niet altijd even gemakkelijk en de ontwikkelingen in Oost-Europa laten een zeer gavarieerd beeld zien. Enkele landen ontwikkelden zich tot redelijk stabiele democratieën, maar in andere kregen allerlei krachten de overhand die met de democratie niet veel op hadden. In enkele heeft zich een vorm van nationaal besef ontwikkeld dat gekenmerkt wordt door het verheerlijken van één specifieke culturele identiteit die gepaard gaat met een zich afzetten tegen wat daarvan afwijkt. De positie van de Roma in verschillende landen van het voormalig Oostblok is bepaald niet rooskleurig. Ook de Hongaarse minderheid in Roemenië wordt niet voor vol aangezien. En, zoals altijd wanneer het nationalisme zich laat gelden, groeit in verschillende landen ook het antisemitisme.

Dat het nationalisme ook gewelddadige vormen kan aannemen werd niet alleen in de beide wereldoorlogen van de 20e eeuw gedemonstreerd, maar nog recenter in de oorlog op de Balkan. Wat voor beschaving doorging bleek niet meer dan een dun laagje vernis dat afbladderde toen het gif van het nationalisme er vat op kreeg. Die oorlog liet zien waartoe nationalisme kan leiden, en de huidige ontwikkelingen in met name het oostelijke, door pro-Russische krachten beheerste deel van Oekraïne bevestigen dat beeld. Mensen die met elkaar in vrede leefden, komen ineens onverzoenlijk tegenover elkaar te staan. Ze zijn zelfs bereid elkaar het leven onmogelijk te maken, desnoods letterlijk, met wapengeweld. Het adagium “right or wrong, my country” wordt tot in het extreme doorgevoerd. De compromisloze vaderlandsliefde smoort elke vorm van kritiek op het eigen denken en handelen. Nationalisme is per definitie ondemocratisch en autoritair: wie vraagtekens zet bij de heersende ideologie en de wijze waarop deze wordt toegepast, krijgt al snel het label ‘landverrader’ opgeplakt. Nationalisme tast het vermogen tot empathie aan: mensen worden gereduceerd tot pionnen op een schaakbord. De ontmenselijking waartoe het nationalisme leidt werd recent wel heel schrijnend gedemonstreerd in de weinig piëteitvolle omgang van Oekraïnse separatisten met de slachtoffers van de vliegtuigramp en hun bezittingen.

Wij in het beschaafde Westen wenden ons vol walging hiervan af en spreken met een mengeling van verontwaardiging en minachting over deze praktijken. Wij zouden ons nooit tot zo’n niveau verlagen, zijn we wellicht geneigd te denken. Maar dan kennen we de geschiedenis niet. De Tweede Wereldoorlog begon in wat wij nu als West-Europa beschouwen. Er zijn nog maar weinig mensen die de gruwelen van die oorlog bewust hebben meegemaakt. Maar er wordt op allerlei, vaak indringende, manieren aandacht aan besteed. Voor een gebrek aan kennis van wat zich toen heeft afgespeeld is geen excuus. Wie zich daarvan rekenschap geeft zal niet zo hoog van de toren blazen over onze ‘beschaving’.

Nu zou men wellicht kunnen denken dat we sindsdien wijzer en wellicht zelfs beschaafder geworden zijn. We hebben toch van de oorlog geleerd? Dat is wel te hopen, maar het is de vraag of de lessen van de oorlog beklijven. Nee, bij ons worden geen etnische groepen of andere minderheden vervolgd en er lopen geen gewapende milities door de straten. Maar dat zijn slechts uiterlijke tekenen van een mentaliteit. De neiging de eigen groep superieur te achten en zich af te zetten tegen wie daartoe niet behoort is wellicht de mens eigen en dus van alle tijden. Dat neemt niet weg dat deze neiging zich soms als een sluipend gif door de aderen van de maatschappij verbreidt en na verloop van tijd het politieke en maatschappelijke klimaat gaat beïnvloeden. Dat is sinds het begin van deze eeuw het geval in verschillende Westeuropese landen en niet het minst in Nederland.

De opkomst van populistische partijen is daarvan een duidelijke manifestatie. Zulke partijen zijn er in soorten en maten. Zonder nu te willen beweren dat linkse partijen als de SP van alle nationalistische smetten vrij zijn, moet het gevaar in dit verband toch vooral aan de rechterkant van het politieke spectrum gezocht worden. Juist degenen die zich daar bevinden zijn gevoelig voor de nationalistische verleiding. De afkeer van en het verzet tegen de aanwezigheid en invloed van andere culturen wordt hier bepaald niet onder stoelen of banken gestoken. Het is geen wonder dat juist hier een onmiskenbare bewondering voor de Russische president Putin valt te constateren. Men leze het internetforum van Elsevier of een site als De Dagelijkse Standaard. Dat heeft alles te maken met zijn door nationalisme gedreven binnen- en buitenlandse beleid. Daarbij speelt ook een rol dat hij het opneemt tegen Europa, voor veel nationalistisch-rechtse Nederlanders het symbool van het kwaad. Dat is immers per definitie multicultureel. Dat Putin geen democraat is, wordt eerder als een pluspunt dan als een negatieve factor beschouwd.

Het is waar dat in Nederland aan de afkeer van andere culturen niet op gewapende manier uiting wordt gegeven, ook al zijn er nu en dan incidenten die bepaald niet vreedzaam te noemen zijn. Maar verbaal geweld is ook een vorm van geweld en kan mede de voedingsbodem vormen voor fysiek geweld. Hier kan gewezen worden op de manier waarop de PVV gewend is politiek te bedrijven en haar aanhangers tegen burgers van andere culturen opzet. Even bedenkelijk is de pretentie namens ‘het volk’ te spreken, daarmee suggererend dat ‘het volk’ een mening heeft. Het gevaar ligt op de loer dat wie een andere mening heeft dan wordt gezien als niet behorend tot ‘het volk’. Dan is het maar een kleine stap naar de kwalificatie van zo iemand als een ‘landverrader’. Overdreven? Toch niet. Die term werd al jaren geleden in internetfora gebruikt ter kwalificatie van wie een voorstander was van de multiculturele samenleving.

‘Europa’ is lange tijd beschouwd als hèt middel om het nationalisme te beteugelen. Vooralsnog lijkt het daar niet op – het wakkert het nationalisme eerder aan. Dat is dus het medicijn niet. ‘Europa’ kan zelfs in zijn tegendeel verkeren. Het project Europa kan gemakkelijk ontaarden in een nieuwe vorm van nationalisme dat het continent omvormt tot een ‘fort Europa’ dat door ophaalbruggen en hoge muren ‘buitenstaanders’ buiten de deur houdt. Daarmee komen we dan van de regen in de drup.

Eén van de redenen dat het nationalisme zijn kop weer opsteekt is het verval van ideologieën die boven het nationale belang uitstijgen. In het verleden werd Nederland gekenmerkt door de verzuiling. Langs ideologische of religieuze lijnen was de maatschappij verdeeld in een aantal segmenten binnen welke een grote mate van homogeniteit bestond, die gepaard ging met een sterk saamhorigheidsgevoel. Daarvan is nog nauwelijks sprake. Als gevolg van de toegenomen mobiliteit is ook de locale of regionale samenbinding grotendeels verdwenen. Hoewel de zegeningen van het individualisme van de daken gepredikt worden, zijn de meeste mensen nog altijd op zoek naar een vorm van binding met anderen. In onze tijd blijft voor velen alleen nog het eigen volk en de eigen cultuur over. Daarmee gaat gepaard het beklemtonen van wat karakteristiek wordt geacht voor de nationale identiteit. De recente discussie over ‘Zwarte Piet’ laat zien dat dit gemakkelijk nogal ridicule vormen kan aannemen.

In veel christelijke kerken is in de afgelopen weken aandacht besteed aan de vliegtuigramp en de gevolgen. Dat is logisch en volkomen terecht. In zo’n situatie volstaat het niet kracht in onszelf of in de samenleving te zoeken. Maar hopelijk zullen de kerken – op een gepast tijdstip – ook aandacht besteden aan de context zoals die hierboven is geschetst. Ze hebben het beste medicijn tegen nationalisme in de aanbieding. Maar daarbij past dan wel een kanttekening. Want net zoals ideologieën als het socialisme niet altijd vrij geweest zijn van nationalistische smetten – zie de aanloop naar de Eerste Wereldoorlog – hebben ook christelijke kerken niet altijd weerstand geboden aan de sirenenzang van de nationale zelfverheerlijking. Hier kan gewezen worden op de rol van Orthodoxe kerken in Rusland en Oekraïne en ook die van de Orthodoxe Kerk in Servië ten tijde van de Balkanoorlog. Kerken in de Verenigde Staten hebben zich niet zelden verregaand geïdentificeerd met de politieke doelen van de regering, bijvoorbeeld ten tijde van verschillende militaire conflicten in het Midden-Oosten. Het wordt voor een kerk al helemaal moeilijk een gepaste afstand te bewaren wanneer ze de positie van staatskerk heeft.

Daar is in ons land geen sprake van. Nederland heeft – ook in de tijd van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden – nooit zoiets als een ‘staatskerk’ gekend en ook de Nederlandse Hervormde Kerk had die positie niet, ook al was de koninklijke familie daar lid van. Maar dat wil niet zeggen dat kerken immuun zijn geweest voor de nationalistische verleiding. In de jaren ’30 zijn nogal wat predikanten daarvoor bezweken en van een sterke kerkelijke oppositie tegen het opkomende nationalisme, onder andere in de vorm van de NSB, is niet bepaald sprake geweest.

Na de oorlog werd in GPV-kring onbekommerd gesproken over ‘nationaal-gereformeerde politiek’. Daarbij was zeker geen sprake van nationalisme, zoals dat voor de oorlog bij de NSB werd aangetroffen of zoals dat nu in bepaalde rechtse kringen ingang heeft gevonden. Desondanks mogen daarbij wel kritische kanttekeningen worden gemaakt. In onze tijd zou zo’n term in ieder geval geheel ongepast zijn. Niet alleen zou die ongewenste associaties oproepen, er is ook geen enkele aanleiding het christelijk geloof specifiek met de ‘nationale’ cultuur te verbinden. In de eerste decennia na de oorlog had die cultuur nog in aanzienlijke mate een christelijke kleur. Die is inmiddels goeddeels verbleekt. Er is voor christenen weinig reden de Nederlandse cultuur op grond van hun religieuze overtuiging te verdedigen. Het is ironisch dat culturen die hun wortels buiten Nederland en zelfs voor een belangrijk deel buiten Europa hebben in een aantal opzichten die waarden hooghouden, die ooit kenmerkend waren voor de ‘Nederlands-christelijke’ cultuur. Er is daarom voor christenen bepaald geen reden zich tegen hun aanwezigheid in de Nederlandse samenleving te verzetten.

Moet de christelijke kerk dan met haar rug naar de samenleving gaan staan? Bepaald niet. Van de culturele verwantschap mag dan weinig zijn overgebleven, er is nog wel steeds een historische verbondenheid. Die brengt verantwoordelijkheid mee. De kerk moet de samenleving aanspreken op haar christelijk-historische wortels zoals die bijvoorbeeld in het Wilhelmus tot uitdrukking komen. Juist hier vinden we het tegengif tegen elke vorm van nationalisme. Het lied is ontstaan in een tijd dat het begrip ‘natie’ nog nauwelijks bestond. De wortel van het nationalisme ligt in de 19e eeuw en toen zijn ook veel volksliederen ontstaan. In Nederland hebben we het enige tijd met ‘Wien Neerlands bloed’ moeten doen. Als dat nog steeds ons volkslied was, zouden we allang hebben moeten weigeren dat aan te heffen. Door de aderen van dat lied vloeit vooral het gif van het nationalisme.

Twee jaar geleden schreef ik in dit weblog een stuk over het zingen van het Wilhelmus in de kerk. Ik schreef toen: “Het [Wilhelmus] is niet horizontaal gericht, alsof de samenleving haar eigen krachtbron zou zijn. Het wijst op God als haar schild en betrouwen. Door het zingen van het Wilhelmus doet de kerk een appel aan overheid en samenleving Gods soevereiniteit te erkennen. Zij spoort hen aan op hem te bouwen en hem te gehoorzamen als “de hoogste Majesteit” (vs 15).”

Laten we bij gepaste gelegenheden het Wilhelmus ook in de kerk met overtuiging zingen. Laten we dan het zesde en vooral het veertiende couplet niet vergeten. Dat laatste eindigt zo: “Tot God wilt u begeven, Zijn heilzaam Woord neemt aan. Als vrome christen leven, ’t zal hier haast zijn gedaan”. We hebben hier immers geen blijvende stad en ons vaderland heeft geen geografische grenzen, hoge muren of ophaalbruggen. Ons vaderland is elders.

Advertenties

Tot God wilt u begeven

26 april 2012 1 reactie

Je kunt overal een probleem van maken. Journalisten zijn daar nogal goed in. Neem nu het artikel dat het Nederlands Dagblad op 21 april j.l. wijdde aan het gebruik in christelijke kerken bij bepaalde gelegenheden het Wilhelmus te zingen. Volgens de krant zijn er nogal wat kerkleden die daar problemen mee hebben. De redactie heeft het onderwerp zelf op de agenda gezet. Via de rubriek ‘Meedenken’ werden lezers uitgenodigd hun gedachten hierover aan de redactie mee te delen. Deze zijn vervolgens gebruikt voor het schrijven van het artikel op 21 april. Waarom werd dit onderwerp geagendeerd? Heeft de redactie de indruk dat dit echt leeft onder kerkleden?

Volgens het artikel had meer dan de helft van de respondenten kritiek op het zingen van het Wilhelmus in de kerk. Dat ligt voor de hand: degenen die het wel best vinden zoals het gaat zullen in het algemeen niet de neiging hebben zich te melden. Ik heb zelf door de jaren heen nauwelijks gemerkt dat het als een probleem wordt ervaren. Eén van de respondenten meldt dat sommigen de kerk uitlopen als het Wilhelmus wordt aangeheven. Dat heb ik nog nooit meegemaakt. Zo’n 15 jaar geleden – schat ik – kreeg in mijn gemeente iemand de gelegenheid zijn bezwaren tegen het zingen van het Wilhelmus in de kerk toe te lichten. Na afloop werden de meningen van de aanwezigen gepeild. Vrijwel niemand deelde zijn bezwaren en ook de meeste jongeren waren voorstander van het zingen van het Wilhelmus.

Ook al is er reden te twijfelen aan de urgentie van het onderwerp, het kan geen kwaad er eens over na te denken en er van gedachten over te wisselen. Tradities zijn kwetsbaar, omdat niet zelden maar weinig mensen kunnen beargumenteren waarom ze bestaan. Het gevolg kan zijn dat ze eenvoudig onderuit gehaald worden wanneer iemand daartegen plausibel lijkende argumenten inbrengt. Het kan daarom nuttig zijn een traditie, zoals die van het zingen van het Wilhelmus, tegen het licht te houden en zich af te vragen of en zo ja, waarom ze in stand zou moeten blijven. Daartoe doe ik hier een poging. Daarbij neem ik dan ook de argumenten van de tegenstanders, zoals die in het artikel in het Nederlands Dagblad naar voren gebracht worden, onder de loep.

Ik zie drie redenen om bij bepaalde gelegenheden het Wilhelmus in de kerk te zingen.

In de eerste plaats is het zingen van het Wilhelmus een uitdrukking van respect voor de overheid en een publieke erkenning van haar gezag. Dat is in overeenstemming met wat de kerk belijdt ten aanzien van het vijfde gebod in de Heidelbergse Catechismus (Zondag 39) en wat ze uitspreekt over de oorsprong van het overheidsambt in de Nederlandse Geloofsbelijdenis (art. 36). Het Wilhelmus zelf sluit zich bij deze belijdenis aan, niet alleen in het eerste, maar ook in het laatste couplet.
In haar functie van staatshoofd vormt de koningin de personificatie van het overheidsgezag. Dit feit rechtvaardigt het zingen van het Wilhelmus bij haar verjaardag.
Het is van belang hier te onderstrepen dat het respect voor de overheid gemotiveerd is door het ambt, niet door de persoon die een ambt bekleedt.

Vanuit het bovenstaande kunnen twee argumenten tegen het zingen van het Wilhelmus worden weerlegd.
Volgens historicus George Harinck is een deel van het verzet te verklaren vanuit het feit dat kerkgangers kritischer worden over het Oranjehuis. Eén van de belangrijkste argumenten van de criticus in mijn gemeente naar wie ik eerder verwees was het gedrag van allerlei leden van het huis van Oranje in heden en verleden. Die verwijzing is niet relevant. Het is heel modern het onderscheid tussen ambt en persoon te laten vervagen. Iemand respect betonen vanwege zijn ambt is niet bepaald in de mode. Wie een ambt bekleedt moet het recht op respect verwerven, is de gangbare gedachte. Met een Schriftuurlijke visie op gezag heeft die niets te maken. De opvattingen of levensstijl van gezagsdragers komen in geen enkel opzicht in mindering op het gezag dat zij hebben. Dat is niet gebaseerd op hun persoonlijke eigenschappen maar op hun ambt. (Dat het bekleden van een ambt verantwoordelijkheden meebrengt ten aanzien van de levensstijl staat hier niet ter discussie.) Of leden van het Oranjehuis een scheve schaats rijden of hebben gereden doet in dit verband niet ter zake.
Een ander punt van kritiek betreft de relatie tussen het Wilhelmus en het vorstenhuis. Volgens een gereformeerd-vrijgemaakte predikant hebben vooral jongeren er moeite mee “loyaliteit te betuigen aan het koningshuis”. Maar, zoals gezegd, het gaat niet om het koningshuis, maar om de koningin als ambtsdrager en als personificatie van de overheid. De gevoelens ten aanzien van het koningshuis als zodanig staan hier buiten.

Vervolgens wordt door het zingen van het Wilhelmus ook de verbondenheid van de kerk met de maatschappij tot uitdrukking gebracht. Christenen zoeken elkaar op en hechten veel waarde aan de omgang met gelijkgezinden. Voor allerlei doeleinden richten ze eigen organisaties op en hun overtuigingen staan niet zelden haaks op de in de maatschappij overheersende inzichten. Daaruit wordt soms de conclusie getrokken dat ze zich van de samenleving afkeren. Maar de kerk en haar leden vormen geen maatschappij in de maatschappij. Door het zingen van het Wilhelmus in de kerk – die de zichtbare manifestatie van de gemeenschap van de heiligen is – wordt onderstreept dat ze niet met hun rug naar de samenleving willen staan, maar zich daarmee verbonden weten en daarin en daarvoor verantwoordelijkheid willen dragen.
Met nationalisme heeft het zingen van het Wilhelmus niets te maken. “Een volkslied is bedoeld om te onderstrepen dat we bij één en dezelfde natie horen. Daarmee sluiten we automatisch anderen uit”, zo wordt iemand geciteerd. Er zijn ongetwijfeld veel volksliederen waarvan je dat met recht zou kunnen beweren. De meeste zijn in de 19e eeuw ontstaan, de eeuw van de natievorming en de nationalistische ideologieën. Veel teksten dragen daarvan de sporen. Dat is zeker ook het geval met Wien Neêrlands bloed dat tot 1933 als volkslied functioneerde.
Het bijzondere van het Wilhelmus is dat het is geschreven vèr voor de tijd dat men in termen van natie dacht. De tekst geeft geen aanleiding tot het koesteren van nationalistische gedachten of tot het uitsluiten van (groepen) mensen, zeker niet wanneer men de gehele tekst in ogenschouw neemt. Het voornemen in het nieuwe Liedboek voor de Kerken alleen het eerste en het zesde couplet op te nemen is daarom een tragische vergissing. Het is ook belangrijk het lied in zijn historische context te plaatsen. Daar ligt een mooie taak voor het onderwijs.

De meeste volksliederen verheerlijken mensen of heldendaden of vormen een lofzang op geschiedenis of land. Het Wilhelmus vormt daarop een uitzondering. Het is niet horizontaal gericht, alsof de samenleving haar eigen krachtbron zou zijn. Het wijst op God als haar schild en betrouwen. Door het zingen van het Wilhelmus doet de kerk een appel aan overheid en samenleving Gods soevereiniteit te erkennen. Zij spoort hen aan op hem te bouwen en hem te gehoorzamen als “de hoogste Majesteit” (vs 15).

In mijn gemeente wordt niet alleen het eerste en zesde maar ook het veertiende couplet gezongen. “Tot God wilt u begeven. Zijn heilzaam woord neemt aan.” Dat is niets anders dan wat in elke kerkdienst wordt verkondigd. Dat is ook de boodschap van de kerk voor de samenleving.