Home > Uncategorized > Water, brood en wijn in coronatijd

Water, brood en wijn in coronatijd

Een christen die zijn Bijbel kent, is erop voorbereid dat dingen anders gaan dan hij gepland had. En anders drukt het leven hem er met z’n neus op. De uitbraak en snelle verspreiding van het coronavirus hebben de hele maatschappij op haar kop gezet. De manier waarop we als mensen samenleven, de economie, de politiek, het onderwijs – alles wordt door het virus beheerst. Elke nieuwsuitzending begint ermee en is er grotendeels mee gevuld en dat geldt ook voor de gedrukte media.

Het coronavirus dwong de overheid tot het nemen van maatregelen die het openbare leven in al z’n geledingen treffen. Die hadden en hebben ook grote gevolgen voor het kerkelijk leven. Dat betreft in de eerste plaats het functioneren van de gemeenten – het hart van de kerk. Dat wat als essentieel voor het gemeenteleven geldt – kerkdiensten, pastorale en diaconale zorg, onderwijs – werd binnen enkele weken zo goed als onmogelijk. Veel kerken hadden nogal wat moeite de ontwikkelingen bij te benen en liepen soms achter de feiten aan. Dat is niet verwijtbaar. Voor dit soort ontwikkelingen zijn geen draaiboeken. De overheid handelde ook naar bevind van zaken. Niet altijd was duidelijk wat de meest effectieve maatregelen waren. Dat in sommige gebieden waar kerken een belangrijke plaats in het dagelijks leven innemen, het coronavirus opvallend snel om zich heen greep, bracht sommigen ertoe de desbetreffende kerken met verwijten te overladen. Daar was geen reden voor. Het werd vooral door hen, die toch al leden aan religiestress, aangegrepen om nog eens hun afkeer van geloof en kerk te ventileren.

Inmiddels hebben kerken zich in grote mate aan de nieuwe werkelijkheid aangepast. Ze kunnen daarbij profiteren van ervaringen en kennis die in het kerkverband, waartoe ze behoren, aanwezig zijn. Er wordt wel eens gesuggereerd dat het verschijnsel kerkverband z’n langste tijd gehad heeft, maar deze crisis laat nog eens zien hoe nuttig zo’n instelling is. Als elke gemeente helemaal zelf zou moeten uitvinden, wat onder de gegeven omstandigheden wijsheid is, zouden vele met de handen in het haar zitten. Soms zijn onverwachte gebeurtenissen nodig om mensen van het nut van iets te overtuigen.

Dat laat onverlet dat gemeenten met de afgekondigde maatregelen op verschillende manieren omgaan. Er zijn kerken die bijeenkomsten in het kerkgebouw helemaal hebben afgelast. In plaats daarvan wordt gemeenteleden de mogelijkheid geboden via internet een meditatie, eventueel omlijst met liederen, te beluisteren. Andere gemeenten proberen nog enigszins het idee van een kerkdienst in stand te houden door de voorganger op de kansel of het spreekgestoelte voor een bijna lege kerk een preek te laten houden. Het feit dat dit live gebeurt, draagt er ook toe bij dat iedereen op hetzelfde moment luistert of kijkt, waarmee toch nog een zekere mate van verbondenheid ontstaat.

Nu is het, dankzij de moderne communicatiemiddelen, vrij eenvoudig het evangelie in de huiskamers te brengen. Maar dat is maar één onderdeel van de eredienst. Ook de inzameling van de gaven is voor een belangrijk deel digitaal te realiseren. Van het samen zingen – een belangrijke uitingsvorm van de gemeenschap die de kerk is – komt weinig terecht, al kan iedereen die dat wil, thuis liederen meezingen.

Het zijn echter vooral de sacramenten die aanleiding geven tot discussie. Want wanneer er geen kerkdiensten zijn, kunnen ook doop en avondmaal niet worden bediend. Althans, de kerkorden van protestantse kerken bieden geen handvaten voor het geval kerkdiensten langere tijd onmogelijk zijn. Zoals ik al schreef, voor zulke onverwachte situaties bestaan geen draaiboeken. Geen wonder dus dat daarover in diverse media enige discussie is ontstaan en suggesties zijn gedaan over mogelijkheden de bediening van de sacramenten toch op één of andere manier doorgang te laten vinden.

Die suggesties zeggen iets over de manier waarop naar de sacramenten gekeken wordt. Zoals bekend vormden de sacramenten één van de kernpunten in het conflict tussen Rome en de Reformatie. Niet alleen beperkten de Reformatoren het aantal sacramenten tot twee, doop en avondmaal, ze kenden daaraan ook een andere status toe. Uit de discussie binnen kerken van de Reformatie blijkt dat hier de traditie die door de Reformatie is gevormd en die zijn weerslag heeft gevonden in de gereformeerde belijdenissen en de in gereformeerde kerken gehanteerde formulieren, aan erosie onderhevig is.

Het is nuttig nog eens te kijken naar wat de kerk eigenlijk belijdt ten aanzien van de sacramenten. Zondag 25 van de Heidelbergse Catechismus definieert sacramenten als volgt: “Sacramenten zijn heilige zichtbare tekenen en zegels, die God ingesteld heeft om ons door het gebruik daarvan de belofte van het evangelie nog beter te doen verstaan en te verzegelen” (66). In de vraag en het antwoord die daarop volgen, wordt de relatie tussen evangelie en sacramenten nog eens onder woorden gebracht: “(…) [De] Heilige Geest leert ons in het evangelie en bevestigt ons door de sacramenten, dat ons volkomen heil rust in het enige offer van Christus, dat voor ons aan het kruis gebracht is” (67). Op deze manier worden de betekenis en het gewicht van de sacramenten duidelijk gemarkeerd. Het zijn geen heilsmiddelen, zoals de Rooms-Katholieke Kerk belijdt, maar slechts tekenen – ze bevestigen iets dat er al is. Tegelijkertijd wordt beleden dat het om instellingen van God gaat en dat ze dus niet facultatief zijn.

Dat laatste impliceert dat het zeker geen overbodige luxe is na te denken en te discussiëren over de vraag hoe met de bediening van de sacramenten moet worden omgegaan. Niet voor niets belijdt de kerk in Zondag 27 dat de kinderen gedoopt moeten worden. En in Zondag 28 wordt een passage uit 1 Corinthe 11 aangehaald, waarin Paulus naar de instellingswoorden van Jezus verwijst, met daarbij de woorden: “[Doet] dit tot mijn gedachtenis”. Het is een opdracht, geen suggestie. Niettemin: het feit dat de belijdenis de beide sacramenten als tekenen typeert, kan wel enige ontspanning in de gedachtenwisseling brengen.

Recent meldde het Nederlands Dagblad dat een predikant in de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) (GKV) de doop bediende, hoewel kerkdiensten aan zodanige beperkingen onderworpen zijn, dat van echte kerkdiensten eigenlijk geen sprake kan zijn. De vereiste afstand van anderhalve meter werd ook niet in acht genomen. Dat laatste is ook onmogelijk bij een doopsbediening. De desbetreffende predikant gaf verschillende argumenten die er vanuit het perspectief van de betekenis van de doop niet toe doen. “De doop is belangrijk” is het enige valide argument dat hij te berde bracht. Maar daarmee is nog niet gezegd dat de doop geen uitstel kan lijden. In dit verband moet wel op een merkwaardige dubbelhartigheid binnen de GKV – en dat zal in andere kerken wellicht niet anders zijn – gewezen worden. Het is tegenwoordig bepaald geen uitzondering dat de doop pas twee of drie maanden na de geboorte plaatsvindt – niet omdat het kind het niet “hebben kan” (zoals het vroeger in de kerkorde werd geformuleerd), maar omdat niet alle familieleden, vrienden en kennissen erbij kunnen zijn. Wanneer deze praktijk in feite algemeen geaccepteerd is, wordt het argument dat de bediening van de doop in deze bijzondere tijden, ondanks alle beperkingen en voorschriften, geen uitstel kan lijden, nogal ongeloofwaardig.

De discussie over de bediening van het avondmaal kreeg enige urgentie, omdat het in steeds meer kerken gebruik geworden is, het avondmaal op Witte Donderdag of Goede Vrijdag te vieren. Enkele weken voordien waren dusdanige maatregelen afgekondigd dat kerkdiensten eigenlijk geen optie meer waren. Wat te doen? Als het evangelie langs digitale kanalen verkondigd kan worden, zou men dan ook niet op die manier het avondmaal kunnen vieren?

In het Nederlands Dagblad van 31 maart j.l. pleitten Arnold Huijgen en Edward van ’t Slot ervoor de situatie te accepteren en de consequenties voor de bediening van de sacramenten te trekken. Ze doen dat vanuit het aspect van het verwachten. “Misschien is de beste manier om het avondmaal te eren nu wel: uitzien naar de tijd dat het weer kan. Verwachtend uitzien is ook een houding die bij uitstek bij het avondmaal past.” Op deze manier kan de kerk ook solidair zijn met christenen die graag avondmaal zouden willen vieren, maar dit al langere tijd niet kunnen, zoals vluchtelingen. Het zijn waardevolle overwegingen. Terecht wijzen ze ook op het gemeenschapskarakter van het avondmaal. “[We] willen onderstrepen dat het delen van het ene brood en van de ene drank, uit vele druiven samengeperst, niet virtueel valt op te roepen. Je hebt er de wederkerigheid van de gemeenschap bij nodig, die tastbaar en fysiek werkelijk is. In die gemeenschap is het teken- en zegelkarakter van het sacrament ingebed.”

Dat laatste aspect komt ook in kerkelijke regelingen tot uitdrukking. De kerkorde-2017 van de GKV zegt in art. C40.1: “De gemeente viert in haar kerkdiensten regelmatig het heilig avondmaal zoals het door Christus is ingesteld.” De regel is dat het avondmaal in kerkdiensten wordt gevierd. De vorige kerkorde was hier explicieter: “Het avondmaal van de Here zal tenminste eens in de drie maanden gevierd worden in de openbare eredienst, volgens kerkelijke orde, onder toezicht van de ouderlingen (…)” (art. 61). De kerkorde-2017 laat het eerste lid van art. C40 door een tweede volgen: “De kerkenraad kan zijn medewerking verlenen aan een viering van het avondmaal aan huis of in bijvoorbeeld instellingen van gezondheidszorg, justitie of defensie.” De vraag kan gesteld worden wat hier onder “medewerking verlenen” wordt verstaan. Naar mijn inschatting betekent dit dat de daartoe bevoegde ambtsdragers onder bepaalde omstandigheden, zoals bij langdurige ziekte, aan huis het avondmaal mogen bedienen. Het werkwoord “kan” wijst er al op dat hier geen sprake is van een plicht of een opdracht. Bij de gesuggereerde digitale viering is van een medewerking van de kerkenraad in elk geval geen sprake.

Huijgen en Van ’t Slot wijzen terecht op het gemeenschapskarakter van het avondmaal. Daarvan is niet echt sprake bij een digitale viering. Hetzelfde argument kan worden gebruikt voor de bediening van de doop. De oude kerkorde van de GKV spreekt ook in dit verband over de bediening van de doop “in de openbare eredienst” (art. 56). Helaas is deze formulering in de kerkorde-2017 weggelaten. De aanwezigheid van de gemeente is echter essentieel. De doop markeert immers de opname van de dopeling in de kerk van Christus, zoals die concreet in de zondagse eredienst bijeen is. Ook vanuit dat perspectief is een doopsbediening zoals bovengenoemd – waarbij slechts elf mensen aanwezig waren – niet in overeenstemming met de bedoelingen van belijdenis en kerkorde.

De suggesties het avondmaal op digitale wijze te vieren mogen zijn ingegeven door de bijzondere omstandigheden, ze komen niet uit de lucht vallen. Ook ten aanzien van de sacramenten is het één en ander aan het verschuiven op het gereformeerde erf. Ik ga er op dit moment aan voorbij dat er stemmen klinken om aan het opdragen van kinderen een legitieme plaats naast de doop toe te kennen, ter tegemoetkoming aan die ouders die bezwaren hebben tegen de kinderdoop. Ik beperk me tot het avondmaal. Het lijkt erop dat dit inmiddels een eigen leven is gaan leiden. Het kan gebeuren dat een synode avondmaal gaat vieren. Dat gebeurt dan weliswaar onder verantwoordelijkheid van een kerkenraad, maar van een reguliere kerkdienst is geen sprake. Daarmee wordt de avondmaalsviering losgemaakt van de bediening van het evangelie. De gereformeerde belijdenissen leggen er juist sterk de nadruk op dat sacramenten tekenen zijn – stoffelijke uitbeeldingen van iets geestelijks. Wanneer dat geestelijke – de bediening van het evangelie – wordt overgeslagen, komen de tekenen in de lucht te hangen. De viering van het avondmaal krijgt een te groot gewicht, wanneer het een zelfstandige entiteit wordt. Het lijkt erop dat het avondmaal soms wordt beschouwd als iets dat gemeenschap sticht. Maar dat is het niet: het sticht geen gemeenschap, maar brengt de bestaande gemeenschap zichtbaar tot uitdrukking. De gemeenschap van de heiligen begint met de verkondiging van het evangelie – vroeger vaak aangeduid als de ‘bediening van de verzoening’. Tenslotte is dat één van de sleutels van het hemelrijk (Heidelbergse Catechismus, Zondag 31) – niet het avondmaal. Het is dan ook terecht dat in de nieuwere orden van dienst de avondmaalsviering consequent aan het eind van de dienst, na de bediening van het evangelie, plaatsvindt. Dat sluit overigens nog niet het misverstand uit dat de avondmaalsviering het hoogtepunt van de dienst is.

Het is relevant hier nog eens aan het verschil tussen Rome en Reformatie te herinneren. In de Rooms-Katholieke Kerk is de eucharistie het hart van de mis. De verkondiging komt daarbij, maar is daaraan ondergeschikt. Ik verwijs hier naar één van mijn eerste stukken op dit weblog (Het kerklied en de kerkliedjes), waarin vermeld wordt dat de toenmalige censor van het bisdom Utrecht bezwaar maakte tegen een lied, dat precies uitdrukt waar het in een gereformeerde eredienst om gaat: “Here Jezus, om Uw Woord zijn wij hier bijeengekomen”.

Deze belijdenis moet ook het uitgangspunt zijn bij elke discussie over eredienst, Woordbediening en sacramenten in het coronatijdperk: eerst de bediening van de verzoening, dan – zo mogelijk, zonder onnodige risico’s – de zichtbare tekenen daarvan.

  1. Nog geen reacties.
  1. No trackbacks yet.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: