Wie het recht schendt, schendt Zijn aangezicht

Enkele weken geleden werd in de christelijke pers nogal wat aandacht besteed aan een opmerkelijke kwestie. Een diaken van de Gereformeerde Gemeente van Kruiningen stapte naar de rechter. Hij was door zijn kerkenraad onder censuur gezet, formeel vanwege overspel. Volgens klager was dat niet de werkelijke reden en bovendien niet in overeenstemming met de waarheid. In feite was de oorzaak het feit dat hij bezwaar had aangetekend tegen het zijns inziens heerszuchtige optreden van de plaatselijke predikant (“solistisch optreden, schending van de zwijgplicht en intimiderend gedrag”; ND, 14.4.17). Deze probeerde hem, aldus nog steeds de klager, via de beschuldiging van overspel buiten gevecht te stellen en monddood te maken.

Het is bijzonder pijnlijk wanneer een kerkelijk conflict voor de wereldlijke rechter wordt uitgevochten. In dit verband wordt vaak gewezen op de vermaning van Paulus geen recht te zoeken bij de wereldlijke rechter. Maar het is nog pijnlijker wanneer die rechter de klager vervolgens in het gelijk stelt. Rechters stellen zich meestal gereserveerd op ten aanzien van binnenkerkelijke conflicten. Over dogmatische verschillen van inzicht zullen ze geen oordeel vellen en evenmin over de vraag of bepaalde denkbeelden of gedragingen tuchtwaardig zijn. Dat moet door de desbetreffende kerk zelf beoordeeld worden.

Daarom ging het in deze zaak dan ook niet. De rechter heeft niet onderzocht of er sprake was van overspel. Hij beperkte zich tot de vraag of de kerkrechtelijke procedures – die door de Gereformeerde Gemeenten zelf zijn vastgesteld – correct zijn gehanteerd. Naar het oordeel van de rechter was dat niet het geval. Dat betekende niet dat de rechter uitsprak dat de tuchtmaatregelen tegen de klager onrechtmatig waren, maar wel dat de kerk steken had laten vallen in zijn behandeling van de zaak. Die moet daarom opnieuw door de classis bekeken worden.

Door (kerk)juristen is erop gewezen dat deze zaak, hoe onverkwikkelijk ook, kerken er nog eens op attent maakt dat zij zorgvuldig met door hen zelf vastgestelde regels moeten omgaan. Wanneer men de eigen regels schendt, zit er voor benadeelden vaak weinig anders op dan de gang naar de wereldlijke rechter te maken. Dat probleem beperkt zich niet tot bepaalde kerken. Leendert Verheij, president van het gerechtshof in Den Haag, wees er in een toespraak op de landelijke vergadering van de Nederlandse Gereformeerde Kerken op dat ook daar in toenemende mate de neiging bestaat bestaande rechtsregels opzij te schuiven, als ze in een concreet geval niet goed uitkomen (ND, 6.5.17). Met betrekking tot de ‘kwestie-Kruiningen’ schrijft Verheij in een artikel in hetzelfde nummer van het Nederlands Dagblad: “De rechter vond dat ‘regels van het kerkrecht zijn veronachtzaamd en essentiële beginselen van een behoorlijke rechtsgang, zoals een onpartijdig en onafhankelijk onderzoek, niet in acht zijn genomen'”.

Het tweede deel van het geciteerde oordeel reikt verder dan het eigen kerkrecht. De kerk mag zich in haar procedures niet aan algemene juridische normen onttrekken, die ook in het wereldlijke recht worden gehanteerd. Daarom doen kerkverbanden er goed aan hun regels kritisch tegen het licht te houden en deskundigen op het gebied van de rechtspraak daar naar te laten kijken. Het moet niet aan de kerk liggen, wanneer kerkleden hun recht bij de wereldlijke rechter zoeken.

De vraag mag gesteld worden – en is ook gesteld – of de benadeelde partij er niet beter voor had kunnen kiezen onrecht te lijden en de minste te zijn. Dat is een goed Schriftuurlijk uitgangspunt. Maar we moeten altijd oppassen zulke principes tot algemeen geldende regels te verklaren. Daarvoor is de werkelijkheid vaak te complex. Het maakt bijvoorbeeld nogal wat uit waar het conflict precies over gaat. Een zakelijk verschil van mening of onenigheid over een aspect van de leer is iets anders dan een beschuldiging van ernstige zonden. Waar buiten de kerk van overspel hooguit met een schouderophalen kennis wordt genomen, heeft alleen al de beschuldiging van zo’n vergrijp een vèrgaande impact op het leven van de beschuldigde, maar ook dat van zijn of haar partner en eventuele kinderen. Het kan zijn of haar leven in de desbetreffende kerkelijke gemeenschap vrijwel onmogelijk maken. Dat was altijd al zo, zeker in vrij gesloten gemeenschappen waar iedereen iedereen kent, maar is nu nog meer het geval: het internet is een onuitputtelijk archief waarin iemands echte of vermeende misstappen een neverending story vormen. Dan is het wat gemakkelijk en goedkoop de benadeelde te vragen liever onrecht te lijden dan zijn recht te zoeken bij de wereldlijke rechter.

Hiervoor werd al verwezen naar de vermaning van Paulus niet de wereldlijke rechter in te schakelen. Hij dringt erop aan de bemiddeling van een wijs gemeentelid te zoeken. Dat is ongetwijfeld een goed advies, maar waarschijnlijk doelt Paulus hier toch vooral op een conflict tussen gemeenteleden. Het zal duidelijk zijn dat een conflict tussen een kerkenraad of een predikant en een gemeentelid van een andere orde is. Want dan hebben we te maken met aan de ene kant een college van ambtsdragers of een individuele ambtsdrager – meestal gesteund door zijn kerkenraad – en een ambteloos gemeentelid aan de andere kant. De conflicterende partijen zijn dan niet gelijk. Dat geldt nog eens te meer in kerkgenootschappen waar het ambt een buitengewoon hoog aanzien heeft en ambtsdragers met groot gezag worden bekleed. Wanneer er geen sprake is van een gelijk speelveld, is het zeer de vraag of een wijze broeder – die geen partij mag zijn, dus in elk geval van buiten de kerkenraad moet komen – hier veel kan uitrichten.

In de commentaren en analyses van deze kwestie die me onder ogen zijn gekomen, heb ik één element node gemist. Er zijn geen vraagtekens gezet bij de kerkelijke cultuur waarin dit soort zaken kunnen voorkomen. Nee, die beperken zich niet tot bevindelijke kerkgenootschappen. Maar de kans op zulke voorvallen is daar wel bijzonder groot, omdat niet alleen het ambt in hoog aanzien staat, maar ook degenen die een ambt bekleden. Ze hebben vaak een bijzondere status die het erg moeilijk maakt hun handelen te bekritiseren. Het gevaar is groot dat kritiek op het optreden van een ambtsdrager of een kerkenraad wordt geïnterpreteerd als kritiek op of zelfs ondermijning van het ambt. Je hoort nogal eens zeggen dat in evangelische kring voorgangers op een voetstuk worden gezet of zichzelf op een voetstuk zetten. Maar in bevindelijke kring kan men er ook wat van. Geen wonder dus dat in beide kritiek op personen nogal eens uit de hand loopt en leidt tot hooglopende conflicten.

De ‘kwestie-Kruiningen’ zou daarom aanleiding moeten zijn niet zozeer de visie op het ambt, maar vooral de status van personen eens aan een kritische beschouwing te onderwerpen. Juist in bevindelijke kring is de kritiek op de rooms-katholieke kerk onverminderd scherp. Maar als het gaat om de positie van ambtsdragers is er sprake van een onmiskenbare parallel. Ook bevindelijke predikanten gedragen zich soms als pausen. De manier waarop de ‘oudvaders’ worden gebruikt als bron van kennis en argumenten in kerkelijke discussies is vergelijkbaar met de rol van de traditie en conciliaire uitspraken in de kerk van Rome. Het onderscheid tussen gemeenteleden die ‘bekeerd’ zijn en degenen die dat niet zijn, vindt zijn parallel in het onderscheid tussen ‘geestelijken’ en ‘leken’ in de rooms-katholieke kerk.

De positie van de ambtsdrager is diep verankerd is in het wezen van bevindelijke kerkgenootschappen. Daarom zal het uiterst moeilijk zijn de daaruit voortvloeiende cultuur zodanig te veranderen dat onenigheden zoals die in Kruiningen, niet meer voorkomen of op een binnenkerkelijke manier kunnen worden opgelost.

Terecht schrijft Verheij dat Geest en recht alles met elkaar te maken hebben. “Het recht is er om te ordenen, om te beschermen en om de vrede te bewaren. (…) Uiteindelijk is het welzijn van de kerken (en hun individuele leden), maar ook de naam van Christus in het geding.” De kerk is in veel opzichten Zijn aangezicht in de samenleving. Een kerk die het recht schendt, schendt niet alleen haar eigen, maar ook Zijn aangezicht.

In ons kloffie naar de Koning

Op 9 mei j.l. stond er op de site van het Christelijk Informatie Platform een artikel van Tim van Dijl. Hij is verbonden aan de Stichting De Hoop in Dordrecht en via presentaties van het werk van deze stichting preekt hij in allerlei evangelische gemeenten. In het artikel vertelt hij dat hij na afloop van een dienst werd aangesproken door een dame van 92 jaar. “Op vriendelijke toon vroeg ze mij: ‘Beste jongeman, zou je die kleren ook aandoen als je bij de koningin op visite ging?’. Ik had een casual spijkerbroek aan met daarboven een gekleurd overhemd. Naar mijn mening prima kleding om in te preken. Deze keurige oude dame vond het blijkbaar niet netjes genoeg. Wat moest ik haar antwoorden?”

Van Dijl trad op als voorganger en werd ook als zodanig aangesproken. Je zou kunnen zeggen dat het punt van discussie was welke kleding een ambtsdrager in een kerkdienst zou moeten dragen. Maar terwijl in reformatorische kerken het ambt een belangrijk onderwerp is, speelt dat in evangelische kringen nauwelijks een rol. Iedereen die zich geroepen voelt kan het spreekgestoelte bestijgen en zich de mantel van voorganger omhangen. Dat is reden het onderwerp wat breder te bezien en de kleding van kerkgangers anno nu aan een nadere beschouwing te onderwerpen. Ook in de manier waarop Van Dijl zijn kledingkeuze verdedigt, maakt hij geen onderscheid tussen voorganger en toehoorder.

Enkele decennia geleden werd het steeds gebruikelijker bij allerlei ‘officiële’ gelegenheden minder formele kleding aan te trekken. Ook in een werkomgeving, waar vroeger formele kleding gangbaar was, is het tegenwoordig niet meer ongewoon werknemers in kleding aan te treffen die men in vroeger tijden in het geheel niet droeg of hooguit in de vrije tijd. Het duurde niet lang of deze manier van kleden drong ook tot de kerkdiensten door. Het zijn hooguit nog vertegenwoordigers van de oudere generatie die zich speciaal voor een kerkdienst kleden.

Ooit werd over dit onderwerp gediscussieerd en geschreven, bijvoorbeeld in kerkbladen. Maar, zoals het zo vaak gaat, de honden blaffen, maar de karavaan trekt verder. Het gesputter van diegenen, die van mening waren dat het bijwonen van een kerkdienst toch wel iets bijzonders is en dat dit in de kleding tot uiting moet komen, heeft geen effect gehad. Dat ligt waarschijnlijk niet alleen daaraan dat jongere generaties meestal niet geneigd zijn zich van de kritiek van ouderen iets aan te trekken. Eén van de oorzaken is wellicht ook dat de gebruikte argumenten niet zo sterk waren.

Tegenwoordig vormt het nog maar zelden een onderwerp van discussie. Wie het aan de orde stelt, ontmoet hooguit meewarig hoofdschudden. Maar de ironie is dat juist informele kleding vaak heel goed bij het karakter van de kerkdienst past. Die is namelijk in de loop van enkele decennia grondig veranderd. Kerkdiensten zijn tegenwoordig in veel gevallen even informeel als de kleding van de kerkgangers. De informaliteit van kerkdiensten beperkt zich allang niet meer tot de evangelische wereld, maar is ook in reformatorische kringen doorgedrongen. Alleen in kerkdiensten van bevindelijke kerkgenootschappen vindt men nog de kleding, die zo’n vijftig jaar geleden ook in ‘lichtere’ kerken nog gangbaar was.

Dat informele karakter van kerkdiensten momt bijvoorbeeld tot uitdrukking in de liedcultuur: het evangelische lied, dat meestal een nogal informele toon aanslaat en een geest van vrijmoedigheid – en soms zelfs van vrijpostigheid – ademt, heeft z’n intocht gedaan in kerken van reformatorische snit en is hard op weg de psalmen en de daarmee verwante liederen uit het Liedboek te verdringen.

Het liedrepertoire en, niet te vergeten, de daarbij passende begeleidingsvormen hebben er zonder twijfel toe bijgedragen dat kerkdiensten informeler, ‘huiselijker’ zijn geworden. Dat komt ook naar voren in de manier waarop de toehoorders worden aangesproken. De aanspraak ‘gemeente’ of ‘broeders en zusters’ maakt steeds meer plaats voor minder ‘formele’ alternatieven. En waar vroeger de toehoorders nog collectief met ‘u’ werden aangesproken, is het tegenwoordig bijna algemeen gebruik hen – jong of oud – te tutoyeren. Zelfs de inrichting van kerkzalen weerspiegelt de tendens naar informaliteit. Nieuwe kerken of kerkzalen worden ingericht als huiskamers, bestaande ruimten aangepast aan wat als het nieuwe ideaal geldt: het moet wel een beetje gezellig zijn.

We moeten nog een spade dieper steken. De manier waarop de kerkdiensten worden vormgegeven en verlopen en de manier waarop kerkzalen zijn ingericht, zeggen iets over ons Godsbeeld. Het beeld van God in die christelijke kringen, waar men pretendeert ‘schriftuurlijk’ te zijn, dreigt steeds meer nogal eenzijdig te worden. God is er vooral om ons over de bol te aaien, ons te troosten en ons uit de put te halen en ons te voorzien van wat we nodig hebben. Dat is allemaal waar, maar tegelijk niet meer dan één kant van het verhaal. Oude en Nieuwe Testament laten ons God als een God van liefde zien, maar ook als een God, die het kwaad en de zonde serieus neemt en zich daarover kwaad maakt. En de Schrift maakt – in Oude èn Nieuwe Testament – glashelder dat er een grote afstand tussen God en mens bestaat: God blijft God en de mens blijft altijd slechts een mens.

Hoe reëel het gevaar van een eenzijdig Godsbeeld is, blijkt ook uit de antwoorden die Van Dijl op de vraag van de oude zuster geeft.

Welke kleren zou hij aandoen als hij bij de koningin op bezoek ging, vraagt ze hem. (Ik weet niet of hij haar correct citeert; in het vervolg heeft hij het steeds over de koning, wat voor de argumentatie verder geen verschil maakt.) “Ten eerste is God niet alleen mijn Koning, Hij is ook mijn Vader. Als ik bij mijn vader op bezoek ga trek ik niet speciaal een pak aan. (…) Enerzijds is het waar dat we, door naar de kerk te gaan, op bezoek gaat bij de Grote Koning, maar tegelijk is die Koning ook onze Vader. En Hij wil graag dat we bij Hem komen zoals we zijn.”

Het is goed dat Van Dijl hiermee begint. Want dat is het kenmerkende verschil tussen het beeld van God dat de bijbel geeft en de godsbeelden in andere religies, zoals de islam. Daardoor komt ook Christus in het centrum te staan, want alleen dankzij Hem mogen we God onze Vader noemen. Maar de invulling die Van Dijl vervolgens aan het begrip ‘vader’ geeft, is wel heel erg Nederlands en 21e-eeuws. De informaliteit die de relatie tussen ouders en kinderen tegenwoordig vaak kenmerkt, is in de bijbel niet terug te vinden. De vader, zoals die in het Oude Testament wordt getekend, is toch echt een andere figuur. Het is degene die het gezag in het gezin heeft, leiding geeft en verantwoordelijkheid draagt. Er bestond zonder twijfel een substantiële afstand tussen een vader en zijn kinderen en eveneens tussen man en vrouw. Dat laatste onderstreept Petrus, wanneer hij er in zijn eerste brief op wijst dat Sara haar man Abraham ‘heer’ noemde (3,6).

Dit betekent niet dat de relatie tussen ouders en kinderen, zoals die tegenwoordig gangbaar is en door velen – ouders èn kinderen – als ideaal wordt gezien, verwerpelijk is. Maar ze mag niet ons beeld van God gaan bepalen. Jezus leert ons bidden: “Onze Vader, die in de hemelen zijt”. Volgens Zondag 46 van de Heidelbergse Catechismus is de zin van die verwijzing naar de hemel dat we over “de hemelse majesteit van God” niet “aards” gaan denken. Dat is geen overbodige waarschuwing.

Opvallend is ook het element dat God graag wil “dat we bij Hem komen zoals we zijn”. Ook dat is een gangbare opvatting: je mag zijn wie je bent, je bent welkom zoals je bent. Dat heeft zeker een waarheidselement: niemand is te vuil om bij God welkom te zijn. We komen juist bij Hem om schoon gemaakt te worden. Maar daaruit kan niet zomaar de conclusie getrokken worden dat het niet uitmaakt, hoe je komt. De bijbel laat ook de andere kant van het verhaal zien. In het Oude Testament wordt herhaaldelijk van het volk gevraagd zich te reinigen, voordat het tot God mag naderen. Dat geldt nog nadrukkelijker voor de priesters die in de tempel dienst doen. En als het in het Nieuwe Testament over het bruiloftsmaal gaat, wordt van de gasten verlangd dat ze zich passend kleden. Dat mag niet één-op-één vertaald worden naar de kleding die tijdens kerkdiensten gedragen wordt. Maar het laat wel zien dat de uitspraak dat we bij God mogen komen, zoals we zijn, op z’n minst enige nuancering behoeft.

Zo’n één-op-één vertaling zou een vorm van biblicisme zijn. Dat wordt vaak gedefinieerd als de letterlijke interpretatie van bijbelteksten. Maar het kan ruimer worden opgevat: alles wat we als waarheid naar voren brengen, moet door bijbelcitaten gesteund worden. Van Dijl ontkomt niet aan dat gevaar. Over de idee dat een kerkdienst speciale kleding vereist, schrijft hij dat “het neigt naar een ‘menselijk gebod’. Jezus gaat in Mattheüs 15 tekeer tegen de Schriftgeleerden en Farizeeën die (vers 9) ‘geboden van mensen’ aan andere mensen onderwijzen. Het gebod “je moet nette kleding dragen in de kerk” zie ik niet direct terug in de bijbel. Het lijkt daarom mijns inziens een ‘gebod van mensen’.”

Hier zien we een voorbeeld van biblicisme in optima forma. In het Nieuwe Testament, dat in de regel als de belangrijkste bron van informatie over en inspiratie voor onze kerkdiensten wordt gehanteerd, treffen we inderdaad geen specifieke kledingvoorschriften aan. Maar er zijn wel meer zaken waarvoor in de Schrift geen voorschriften te vinden zijn. In reformatorische kring is het gebruikelijk in de morgendiensten regelmatig de Tien Geboden voor te lezen – hoewel die gewoonte steeds meer onder druk komt te staan – terwijl daarvoor geen enkel voorschrift te vinden is. Hetzelfde geldt voor de vaste plaats van de geloofsbelijdenis in middagdiensten; ook voor de viering van christelijke feestdagen kan men zich niet op de bijbel beroepen. Concrete teksten die verplichten tot de kinderdoop zul je in de bijbel niet vinden. Toch belijdt de kerk van de Reformatie met overtuiging het recht en de plicht van de kinderdoop, o.a. in de Heidelbergse Catechismus. Het gaat er dan ook niet om voor elk dogma of elke gewoonte een bijbeltekst te vinden. Het gaat om de grote lijnen in de Schrift en, ook al zijn er geen concrete voorschriften m.b.t. de vereiste kleding voor bijeenkomsten van de gemeente, er zijn wel degelijk allerlei elementen waar te nemen die wijzen in de richting van het belang van het op een gepaste manier verschijnen voor God.

Het derde argument dat Van Dijl gebruikt, laat zien dat, als het om kerkdiensten gaat, het brandpunt verschoven is. Was vroeger de aandacht bij de inrichting van kerken en de vormgeving van erediensten vooral verticaal gericht, tegenwoordig is die in horizontale richting verschoven. “Een kerk vol net geklede mensen krijgt (…) automatisch een bepaalde sfeer. Een elitaire sfeer van stijfheid.” Ongelovigen kunnen zich ongemakkelijk voelen “als ze in een kerk komen vol verplicht net-geklede mensen. De sfeer echter die wél willen overdragen (Gods liefde, blijdschap en vrede) worden hierdoor minder goed zichtbaar.”

Het gaat hier helemaal om de manier waarop mensen – en dan vooral ‘buitenstaanders’ – kerkdiensten ervaren. Deze benadering is ongetwijfeld beïnvloed door de grotere aandacht voor de missionaire taak van de kerk, die weer het gevolg is van de toegenomen secularisatie. Dat is op zichzelf een goede zaak, maar het is de vraag of kerkdiensten nu de meest geschikte middelen zijn om die mensen te bereiken, die van het christelijk geloof zijn vervreemd of daarmee nog nooit in aanraking zijn geweest.

Dat leidt ertoe dat kerkdiensten soms verregaand worden aangepast om ‘buitenstaanders’ tegemoet te komen. Daarbij laat men zich niet zelden leiden door wat men denkt dat buitenstaanders zien of horen. Zien ‘buitenstaanders’ een kerk vol ‘verplicht’ net-geklede mensen? Of zijn het vooral kerkmensen die er zo tegenaan kijken? Zou het misschien ook zo kunnen zijn dat buitenstaanders eerder mensen zien die kerkdiensten blijkbaar zo belangrijk vinden dat ze bereid zijn zich ervoor in nette kleding te steken?

De aanleiding voor dit stuk was een vraag betreffende de kleding tijdens een kerkdienst. Maar dat is slechts de oppervlakte. Wat we aantrekken zegt vooral iets over de manier waarop we naar de kerkdienst kijken. En onze kerkdiensten zeggen iets over ons beeld van God.

Als we in ons kloffie bij de Koning op bezoek gaan, wie is Hij dan eigenlijk voor ons?

Feestdagen onder vuur?

De christelijke feestdagen liggen onder vuur. Tenminste, als je kranten als De Telegraaf en het AD moet geloven, die graag de spreekbuis willen zijn van iedereen die zich zorgen maakt over de Nederlandse identiteit. In de aanloop naar Kerst was het eerstgenoemde, die suggereerde dat op allerlei niveaus verwijzingen naar Kerst moesten plaatsmaken voor algemene aanduidingen voor de tijd van het jaar, zoals feestmaand (en, naar analogie daarvan, feeststol). In de week voor Pasen kwam het AD met een artikel waarin beweerd werd dat op christelijke scholen het Paasverhaal werd aangepast of zelfs verzwegen om islamitische leerlingen en hun ouders niet te mishagen. In beide gevallen waren het vooral VVD en PVV die daaruit politieke munt probeerden te slaan.

Zowel ten aanzien van Kerst als van Pasen werd al snel duidelijk dat de alarmistische verhalen grotelijks overdreven waren of ten dele uit de duim gezogen. Zelfs hoofdredacteur Nijenhuis van het AD leek zich van de berichtgeving in zijn eigen krant te distantiëren door in een commentaar de onrust “geroeptoeter over een vermeende aanval op Pasen” te noemen. Het is ook eigenaardig dat seculiere media zich zo druk maken om de vraag of en zo ja, op welke manier scholen aandacht besteden aan Pasen. Let wel, het gaat hier om christelijke scholen, dus om bijzonder onderwijs, waarvoor media als De Telegraaf en AD zich nooit bijzonder sterk hebben gemaakt. Dat Tweede-Kamerleden van de VVD over het Paasverhaal van het AD schriftelijke vragen meenden te moeten stellen, geeft ook te denken. Zij zouden toch moeten weten dat de overheid en de politiek in het algemeen geen zeggenschap hebben over het al dan niet vieren van religieuze feesten op bijzondere scholen. Het gaat hier om intern beleid; alleen ouders van leerlingen hebben het recht te klagen.

Merkwaardig is ook dat mensen zich sterk lijken te maken voor een feest waarvan ze zelf meestal afstand nemen. Dat blijkt al daaruit dat ze als symbolen van de christelijke feesten uitgerekend die dingen noemen, die met de betekenis van die feesten niets van doen hebben, zoals in het geval van Pasen de paashaas en paaseieren. Terecht reageerde iemand op Twitter: “Bij secularisatie gaat in NL de vlag uit. Behalve als je er de mohammedaan mee om z’n kop kan slaan. Hypocriet.” Ook Anton de Wit, hoofdredacteur van het Katholiek Nieuwsblad, reageerde to the point in zijn column in het Nederlands Dagblad van 15 april j.l.: “[De] verwatering van het paasfeest is al decennia gaande. Enthousiast aangemoedigd door het bedrijfsleven dat zulke tierelantijnen beter vermarkten kon dan een kruis en een leeg graf, en de ontkerkelijkte goegemeente die stellig meende dat het maar eens gedaan moest zijn met die verderfelijke christelijke invloed op onze samenleving. Maar nu hijst diezelfde goegemeente zich collectief in het driedelige maatkostuum van de heilige verontwaardiging, en gaat parmantig rondrijden op een fiets die ouder is dan zij zelf zijn, kort door alle bochten, op de racefiets van de christelijke waarden. (…) Als christenen hun geloofstaal afzwakken om autochtone seculieren te behagen, kraait er geen haan naar. Als ze hetzelfde doen om allochtone moslims te behagen, is het land (en vooral ook Twitter) te klein.”

Ook door christelijke politici werd kritisch gereageerd op de bezorgdheid van hun seculiere collega’s. Kees van der Staaij, fractievoorzitter van de SGP in de Tweede Kamer, twitterde: “Uit betrouwbare bron vernomen dat maar weinig PVV- en VVD-kamerleden van plan zijn met Pasen naar de kerk te gaan. Ik overweeg kamervragen..” De ironie van deze tweet ontging de meesten die hierop reageerden. Kennelijk associeert men zoveel frivoliteit niet met een SGP-politicus. Zijn ChristenUnie-collega Gert Jan Segers reageerde iets serieuzer: “Als iedereen die dit erg vindt voortaan wekelijks naar de kerk gaat, dan zal Pasen echt gewoon Pasen blijven. It’s up to us, mensen..” Hieraan kan nog worden toegevoegd dat al gauw bleek dat nogal wat lieden die zich zo boos maken over de teloorgang van de christelijke feesten, zelf nauwelijks weten waarover die precies gaan. Hier wreekt zich dat die feesten niet meer exclusief christelijk zijn, maar tot nationale feestdagen zijn geworden – of verworden, wat in deze context een betere term lijkt. Ik heb daarover hier al eens uitvoeriger geschreven.

Diverse media controleerden de beweringen in het AD. De conclusie: er was geen reden aan te nemen dat christelijke scholen het paasverhaal helemaal verzwegen. Wel pasten sommigen het verhaal enigszins aan de leerlingenpopulatie aan of probeerden een link te leggen naar de islam, want in de regel gaat het om scholen met een substantieel aantal moslimleerlingen. Daarbij noteerde de Volkskrant (12.4.17) wel enkele uitlatingen die te denken geven. “Het is niet meer zoals vroeger, waarbij kinderen gesloten werden opgevoed tot christenen”, zegt Kees Terdu, voorzitter van de stichting Protestants-Christelijk Basis- en Orthopedagogisch Onderwijs (PCBO) in Rotterdam-Zuid. “Wat wij doen, is vanuit christelijke waarden een betere samenleving proberen vorm te geven. Juist Pasen is een feest dat een brug kan slaan naar iedereen in de samenleving.” Op traditionele christelijke scholen zal meer nadruk liggen op het eigen geloof, zegt Terdu, “maar de betekenis van de christelijke feesten is universeel”. Aan de hand van het thema ‘opstaan’ behandelen zijn scholen dit jaar Pasen. “We praten over opstaan uit de dood, maar ook opstaan tegen onderdrukking en onrecht”, zegt de stichtingvoorzitter. “Kinderen met een islamitische achtergrond herkenning zich hier net zo goed in als christelijke kinderen.” Hiermee wordt Pasen wel van zijn unieke betekenis ontdaan. Maar laten we vooral niet denken dat dit specifiek gerelateerd is aan de aanwezigheid van moslimkinderen. In feite is dit niet veel anders dan de manier waarop niet-gelovigen naar de Matthäus-Passion van Bach luisteren. Vertolkers die zelf ook niet gelovig zijn geven er niet zelden een zodanige draai aan dat het lijkt alsof dit werk iets anders – iets minder specifiek christelijks – tot uitdrukking brengt dan Bach voor ogen stond. Maar daar valt niemand over.

Mag uit het bovenstaande geconcludeerd worden dat er wel reden is tot zorg? Ik zou eerder zeggen: reden voor bezinning. Maar dan wel in een heel andere zin en in een andere richting dan door seculiere politici en media wordt bepleit. De vraag is niet of het christelijk onderwijs ‘nationale waarden’ uitdraagt, maar: hoe christelijk is het christelijk onderwijs nog?

Dat heeft in eerste instantie niets met de islam te maken. Uit de berichten wordt niet duidelijk of de ouders van moslimkinderen bezwaar maken tegen het vertellen van het paasverhaal. Wanneer ze daartegen bezwaar zouden maken, zou de eerste vraag moeten zijn: waarom stuurt u uw kind naar een christelijke school? Hadden ze niet verwacht dat die school zijn christelijk karakter serieus zou nemen? Misschien hebben ze dan niet goed opgelet bij hun oriëntatie op het karakter van de school, maar het is ook mogelijk dat de school zelf daarover niet voldoende duidelijk is geweest. Dat moet die school zich dan aantrekken.

Wanneer de school uit eigen beweging het paasverhaal verzwijgt of substantieel wijzigt zodat het christelijk karakter grotendeels verloren gaat, dringt de vraag zich op of die school nog wel gemotiveerd is om echt christelijke school te zijn. Wanneer de school en/of zijn leerkrachten zelf geen waarde aan het christelijk geloof hechten, kun je van leerlingen en hun ouders niet verwachten dat zij dat wel doen. Wanneer van het christelijk karakter van de school nooit iets blijkt, is het niet vreemd, wanneer geprotesteerd wordt, als ineens het paasverhaal wordt verteld. Dat is dan een vlag op een modderschuit.

Dat er gerede twijfel kan bestaan aan het christelijk karakter van sommige scholen vindt zijn oorsprong niet in de eerste plaats in de aanpassing van het paasverhaal. De oorzaak ligt bij het gebrek aan overtuiging van de school en de leerkrachten. Dat is het logische gevolg van een beleid waarin van leerkrachten niet verlangd wordt dat ze zelf gelovige christenen zijn en dat ze de kerk vaker van binnen zien dan alleen één keer per jaar met Kerken Kijken. Als leerkrachten zelf niet in de lichamelijke opstanding van Jezus geloven, kunnen ze de paasviering beter achterwege laten. Maar dat is niet de kern van de zaak. Het christelijk karakter van een school komt niet in de eerste plaats tot uiting in de aandacht voor christelijke feesten, een paar keer per jaar. Het moet het totale onderwijs en het klimaat op school doortrekken.

Wie zich zorgen maakt om het verval van de christelijke feesten, moet niet met de beschuldigende vinger naar moslims wijzen, maar aan zelfonderzoek doen. De grootste bedreiging van de christelijke feesten is niet een groeiende invloed van de islam, maar de interne secularisatie van het christendom. Het slechtste wat christenen in deze situatie kunnen doen is gemene zaak maken met politici van PVV en VVD, die de christelijke feesten – maar dan in geseculariseerde vorm – misbruiken voor hun nationalistische agenda. Met zulke ‘vrienden’ hebben christenen geen vijanden meer nodig.

Niets anders dan recht doen

In de aanloop naar de verkiezingen voor de Tweede Kamer worden de verkiezingsprogramma’s nagevlooid. Ze worden vanuit allerlei verschillende invalshoeken bekeken, bijvoorbeeld de economie, het beleid ten aanzien van de pensioenen of de opvattingen over de zorg. Daar komen interessante lijstjes uit. Kortgeleden werd ook een onderzoek gepubliceerd vanuit de vraag hoe de verschillende partijen met de rechtsstaat omgaan. Worden er voorstellen gedaan die een inbreuk maken op de rechtsstaat of staan in de verkiezingsprogramma’s plannen om die rechtsstaat te versterken? Het beeld was niet verheffend. Vrijwel alle partijen doen voorstellen die de rechtsstaat in meerdere of mindere mate verzwakken. Eén partij sprong er positief uit. De Christenunie doet geen enkel voorstel dat de rechtsstaat aantast, maar komt daarentegen met verschillende voorstellen die deze juist sterker maken.

De Christenunie is trots op deze uitkomst en met recht. Het gaat hier bepaald niet om een bijzaak, al zullen veel christelijke kiezers andere onderwerpen belangrijker vinden. Mijns inziens is er alle reden de bescherming van de rechtsstaat als een kerntaak van christelijke politiek te beschouwen.

Wat is precies een rechtsstaat? Op de site van Prodemos vinden we deze definitie: “Een rechtsstaat is een staat waarin vrijheid, rechtszekerheid en rechtsgelijkheid voor de burger heel belangrijk zijn. Bovendien geniet de burger bescherming van zijn rechten en vrijheden, tegen medeburgers én tegen de overheid.” Verschillende elementen zijn essentieel voor de rechtsstaat. Het eerste is dat het recht het hoogste gezag heeft. “In het woordenboek wordt de rechtsstaat omschreven als een ‘staat die het recht als hoogste gezag handhaaft’. De rechter bepaalt of iemand zich aan de wet heeft gehouden of niet. Als iemand de wet heeft overtreden, dan kan de rechter een straf en/of een verbod opleggen.” Vervolgens gaat het om vrijheden en grondrechten: “In een rechtsstaat wordt de macht van de overheid beperkt door wetten, regels en gewoonten. De inwoners van die staat hebben fundamentele vrijheden en grondrechten.” De burger wordt beschermd tegen machtsmisbruik: “Het doel van de rechtsstaat is om de burgers te beschermen tegen machtsmisbruik van de overheid. Ook de overheid moet zich aan de wet houden en mag dus de vrijheden en rechten van de burgers niet zomaar beperken of afpakken.”

Vervolgens worden de vier belangrijkste onderdelen van de rechtsstaat opgesomd: grondrechten, scheiding van de machten, legaliteitsbeginsel en onafhankelijke rechtspraak. Die worden vervolgens nader uitgewerkt. Wie daarover meer wil weten, kan op de desbetreffende site terecht. Mij gaat het hier nu om de vraag waarom de verdediging van de rechtsstaat voor een christelijke politieke partij een kernpunt zou moeten zijn.

Je kunt dit beargumenteren vanuit eigenbelang. Veel christenen zullen er op die manier tegenaan kijken. Juist minderheden hebben veel profijt van de rechtsstaat, omdat die hun rechten en vrijheden garandeert die het gevaar lopen aangetast te worden wanneer een anders-godsdienstige of seculiere meerderheid die maar lastig of onzinnig vindt. Het wordt al wat anders wanneer hun er op gewezen wordt dat diezelfde vrijheden dan ook aan andere (godsdienstige) minderheden toekomen. Daarvoor krijgt een christelijk politicus wat minder handen op elkaar. Toch is dit een direct uitvloeisel van wat Jezus zijn leerlingen voorhoudt: behandel anderen zo als je zelf behandeld wilt worden. Dat is dus positief geformuleerd en niet vanuit zelfbehoud, in de zin van: wat u niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook anderen niet.

Maar christelijke politiek gaat niet over belangen van een bepaalde groep burgers. Een christelijke partij is geen belangenpartij of zou dat in elk geval niet moeten zijn. Christelijke politiek streeft naar het goede voor alle mensen. Dat is in overeenstemming met de boodschap die de profeet Jeremia aan het Joodse volk in Babylonische ballingschap voorhield. Wie zich realiseert dat christenen zich in een vergelijkbare situatie bevinden – zij het in overdrachtelijke zin – kan hieraan de motivatie ontlenen om een beleid te ontwikkelen met het oog op de hele samenleving. Niet voor niets noemde het voormalige GPV – één van de partijen die opging in de Christenunie – haar politiek ‘nationaal gereformeerd’. Dat had niets met nationalisme te maken, maar daarmee wilde die partij duidelijk maken dat ze het belang van de gehele bevolking op het oog had.

De bescherming en verdediging van de rechtsstaat moet daarom uitgaan boven het eigenbelang. Er zijn goede principiële argumenten aan te voeren voor de stelling dat dit een centraal element van christelijke politiek moet zijn. Rechtvaardigheid, gerechtigheid, recht doen – die begrippen vormen een rode draad door het Oude Testament. Vooral in het optreden van de profeten komt dit herhaaldelijk naar voren. Eén van de bekendste teksten is Micha 6,8: “Er is jou, mens, gezegd wat goed is, je weet wat de HEER van je wil: niets anders dan recht te doen, trouw te betrachten en nederig de weg te gaan van je God”. Deze tekst wordt vaak gebruikt om te pleiten voor een rechtvaardiger verdeling van de welvaart in de wereld. De zogenaamde Micha-campagne heeft om die reden zijn naam met deze profeet gesierd. Maar het belang van deze tekst reikt verder. Je zou deze tekst als een oudtestamentische samenvatting van de Tien Geboden kunnen beschouwen.

Als we het over rechtvaardigheid hebben gaat het niet maar alleen om economische en sociale rechtvaardigheid. Micha spreekt over “recht doen”: dat heeft alles met de inrichting van de staat en de samenleving te maken. Recht doen betekent ervoor zorgen dat iedere burger letterlijk tot zijn recht kan komen, dat wil ook zeggen: zijn recht kan halen. In de zogenaamde mozaïsche wetgeving – de wetten en regels die Mozes namens God voorhoudt als kenmerken van het goede leven – vinden we allerlei concrete aanwijzingen hoe elk mens recht gedaan moet worden. Mozes vermaant het volk in de rechtspraak de rijke niet naar de ogen te zien en de arme niet voor te trekken. Dat kan worden vertaald naar één van de principes van de rechtsstaat: iedere burger is gelijk voor de wet. Dat raakt in de eerste plaats de manier waarop recht gesproken wordt, maar ook de toegang tot het recht. Heel concreet betekent dit dat geen financiële belemmeringen mogen worden opgeworpen die tot gevolg hebben dat wie over onvoldoende financiële middelen beschikt, niet dezelfde juridische mogelijkheden heeft als wie wat beter in de slappe was zit.

Er zit nog een kant aan. Rechten en vrijheden gelden in gelijke mate voor alle burgers. Grondrechten, zoals de vrijheid van godsdienst – inclusief de vrijheid daaraan publiek uiting te geven – en de vrijheid van onderwijs zijn niet tot bepaalde groepen in de samenleving beperkt. Wie deze vrijheden voor christenen verdedigt kan niet tegelijkertijd ervoor pleiten die aan andere minderheden, zoals moslims, te onthouden. Vanuit dit principe is er ook geen reden van immigranten die de Nederlandse nationaliteit willen ontvangen, te verlangen een participatieverklaring te ondertekenen terwijl geboren Nederlanders daarvan gevrijwaard blijven.

De zojuist genoemde aspecten betreffen vooral de grondrechten. Wie de politieke en maatschappelijke discussies van de laatste jaren heeft gevolgd, zal weten dat deze nogal onder druk staan. Maar ook een ander substantieel element van de rechtsstaat wordt bedreigd: de onafhankelijke rechtspraak. Politici reageren op hun politiek onwelgevallige rechterlijke uitspraken door de onafhankelijkheid van de rechters ter discussie te stellen. Daarmee wordt maar niet de positie van specifieke rechters ondergraven, maar het fundament van de rechtsstaat. Juist in een sterk verdeelde samenleving zou de onafhankelijke rechtspraak een bindmiddel moeten zijn. Wanneer (belangen)conflicten ontstaan, kan een beroep op de rechter gedaan worden om recht te spreken volgens de normen die de wet daarvoor aanreikt. Doordat wetten door een democratisch gekozen parlement zijn vastgesteld, bezitten ze legitimiteit. Natuurlijk valt niet uit te sluiten dat rechterlijke uitspraken door de politieke opvattingen van rechters gekleurd worden. Maar onze rechtsstaat kent allerlei mogelijkheden van beroep, waardoor eventuele eenzijdigheden kunnen worden gecorrigeerd. Het is dus van groot belang dat de mogelijkheden tot een beroep op hogere rechters niet wordt beperkt. Van even groot belang is dat de burger die zich tekort gedaan voelt, een beroep op bovennationale organen kan doen, die toetsen of wetten de rechten van individuele burgers of groepen van burgers niet aantasten. Dat is een belangrijke verdedigingslinie tegen de aantasting van bijvoorbeeld de godsdienstvrijheid.

Ieder mens is een schepsel van God. Daarin ligt de uiteindelijke motivatie om aan hem of haar recht te doen. Recht is meer dan politiek; het is ook ethiek. In het recht doen aan alle mensen komt tot uiting of we nederig de weg van onze God willen gaan.

We zijn allemaal zondaars

We zijn allemaal zondaars. Dat is voor veel christenen een open deur. Wie mocht denken dat het met hem of haar nog wel meevalt, wordt door de Schrift en de Heidelbergse Catechismus uit de droom geholpen. De laatste windt er geen doekjes om: ieder mens is geneigd God en zijn naaste te haten. Het gaat hier om een centraal leerstuk in het christelijk geloof: wie geen zondaar is heeft ook geen verlossing nodig.

Wanneer het besef van zonde wegvalt, valt de bodem uit het christelijk geloof. Toch kan dat besef ook een valkuil zijn.

Stel dat iemand persoonlijk wordt aangesproken vanwege een bepaalde zonde. De verleiding is dan groot om te zeggen: we zijn allemaal zondaars. Dat kan fungeren als een manier om het eigen straatje schoon te vegen. Als iedereen zondig is, waarom moet ik er dan speciaal uitgepikt worden en waarom zou mijn zonde dan speciaal benoemd moeten worden? Het kan zelfs gebruikt worden als ‘jij-bak’: jij bent net zo zondig als ik, dus wie geeft jou het recht mij op een zonde aan te spreken? Jezus zelf lijkt zo iemand gelijk te geven, toen Hij zei: “Laat wie zonder zonde is de eerste steen werpen”. Zijn de aanklagers daarmee niet uitgepraat en buiten gevecht gesteld?

In de Amerikaanse verkiezingsstrijd kwamen we verschillende varianten van deze ‘verdediging’ tegen. Wat over het persoonlijk leven van Donald Trump en zijn behandeling van en spreken over bepaalde mensen of groepen van mensen naar buiten is gekomen, is weinig verheffend, om het heel voorzichtig uit te drukken. Nogal wat christelijke leidslieden en opiniemakers hadden zich voor Trump uitgesproken. Die kwamen door de onthullingen over zijn gedrag en uitlatingen in een lastig parket. Sommigen vergoelijkten zijn gedrag door te beweren dat dit nu eenmaal in bepaalde kringen gebruikelijk is en dat daaraan niet al te veel gewicht moet worden toegekend. Anderen erkenden dat op Trumps gedrag veel aan te merken valt maar dat we nu eenmaal allemaal zondig zijn en dat Trump daarop dus geen uitzondering is. Sommigen verwezen naar de Israelische koning David, van wie de bijbel verschillende grove overtredingen van Gods wet noteert. We kiezen niet iemand die ethisch perfect is, maar iemand die het goede programma voor het land heeft, zo was de redenering. Of Trump zo’n programma heeft is nog maar de vraag, maar daarover gaat het hier nu niet. De manier waarop Trump in bepaalde evangelische kringen in de VS verdedigd werd en wordt, roept nogal wat vragen op.

Je hoeft geen christen te zijn om in te zien dat de fouten van anderen niet gebruikt kunnen worden om de eigen fouten te bedekken. In onze (geseculariseerde) samenleving werkt dat niet en door elke rechtbank zal dit ‘argument’ van de tafel worden geveegd. Wie een bekeuring krijgt omdat hij door rood licht heeft gereden, komt er niet mee weg wanneer hij erop wijst dat anderen zich aan hetzelfde vergrijp schuldig maken. De fouten van de één wassen die van de ander niet weg.

Dat is ook niet de strekking van het verhaal dat de Schrift ons vertelt over de ontmoeting tussen Jezus en de overspelige vrouw, zoals het algemeen bekend staat. Die wordt door de Farizeeën bij Hem gebracht omdat ze op heterdaad betrapt is op overspel. Daarop staat volgens de wet de doodstraf door steniging. Ze willen weleens uittesten of Jezus de wet wel respecteert. Hij reageert op een manier die ze niet voorzien hadden. “Laat wie zonder zonde is de eerste steen werpen”. Eén voor één druipen ze af, want ook al hebben ze het hoog in de bol, alleen al theologisch kunnen ze niet volhouden dat zij zonder zonde zijn. Betekent dit dat de zonde geen zonde genoemd mag worden? Zeker niet. Jezus richt zich tot de vrouw en vraagt of niemand haar heeft veroordeeld. Op haar ontkennende antwoord zegt Jezus dat ze naar huis moet gaan maar voegt daaraan toe: “Zondig niet meer”. Hij geeft daarmee te kennen dat Hij de zonde niet door de vingers ziet.

David is geen modelkoning. De profeet Samuel had het volk Israel al gewaarschuwd voor de schaduwkanten van het koningschap, toen het volk om een koning vroeg. Hij kreeg gelijk, eerst met Saul, maar daarna ook met David, hoewel de laatste een ‘man naar Gods hart’ was. Kan het voorbeeld van David als vergoelijking voor het gedrag van Donald Trump gebruikt worden? In de Schrift heeft David een bijzondere plaats, niet omdat het volk Israel hem op het schild heft maar omdat God zelf hem die bijzondere positie toekent. Het zal het huis van David nooit aan een man op de troon ontbreken – dat is de belofte die God aan hem geeft. Tegelijk wordt geen enkele zonde van David bedekt. Maar hij laat zich op zijn zonden aanspreken en hij toont berouw en komt tot inkeer. Het kernpunt is dat David – hoe zondig ook – in nauwe verbondenheid met God leefde. Hij maakte zich soms aan ernstige zonden schuldig maar de zonde was geen patroon, geen levenshouding.

Wat zegt dit over iemand als Trump? Over het hart komt geen enkel mens een oordeel toe. Maar wie in ogenschouw neemt wat tot nu toe bekend geworden is, moet wel tot de conclusie komen dat bij hem wel degelijk van een bepaald patroon, een bepaalde levenshouding sprake is. De manier waarop hij in het verleden over vrouwen heeft gesproken en vrouwen heeft behandeld is niet wezenlijk veranderd, getuige zijn houding ten aanzien van vrouwelijke journalisten tijdens de campagne. Zijn spreken over bepaalde bevolkingsgroepen in de Verenigde Staten laat in wezen hetzelfde beeld zien. Bij herhaling heeft Trump ook duidelijk gemaakt dat hij geen aanleiding ziet om vergeving te vragen. Schuldbesef lijkt bij hem volstrekt afwezig.

Natuurlijk kiest het Amerikaanse volk geen ethisch zuivere president. Niemand kan van zichzelf beweren ethisch zuiver te zijn. Maar een patroon van zonde kan wel een reden zijn om iemand als ongeschikt voor het hoogste ambt van het land te kwalificeren. Ook daarin kan de geschiedenis van David een leerschool zijn. God wil niet dat David voor Hem een huis bouwt. Dat moet zijn zoon doen, aan wiens handen minder bloed kleeft (zie 1 Kron. 22,8). De oorlogen van David waren echt niet allemaal ‘oorlogen des Heren’ en de manier waarop David met tegenstanders omging zal zeker niet altijd Gods goedkeuring hebben kunnen wegdragen. In de gemeente van Christus kunnen ambtsdragers soms in ernstige mate een scheve schaats rijden. Ook al is er altijd ruimte voor bekering en vergeving, daarmee ligt de weg naar het ambt niet direct weer open. Sommige zonden zijn zo ernstig dat iemand zich daarvoor voorgoed heeft gediskwalificeerd.

Er is nog een ander aspect dat hier genoemd moet worden. Jezus gaat in zijn zogenaamde ‘Bergrede’ uitvoerig in op de wet van Mozes en hoe die moet worden gehanteerd. Hij maakt duidelijk – zoals Hij ook deed in de geschiedenis met de ‘overspelige vrouw’ – dat Hij niet gekomen is om de wet te ontbinden maar om die te vervullen. In de bergrede scherpt Hij de wet zelfs aan. Niet alleen wie echtbreuk pleegt zondigt, maar zelfs al wie een vrouw aankijkt om haar te begeren. Zonde is meer dan de daad; het is zelfs al de voorbereiding van die daad – meer nog, de geestelijke staat waaruit de begeerte en de plannen voortkomen. Dat lijkt te ondersteunen wat ik eerder al als ‘verdedigingslinie’ tegen de beschuldiging van zonde beschreef. Zegt Jezus hier eigenlijk ook niet dat we allemaal zondig zijn en dat we elkaar dus maar niet moeten vermanen?

“Oordeelt niet”, zegt Hij, maar dat weerhoudt Hem er niet van zijn leerlingen te instrueren hoe ze met zondaren in de gemeente moeten omgaan. Dat wordt later door de apostel Paulus onderstreept. Er kan een moment komen dat de zondaar uit de gemeenschap verwijderd moeten worden en dat men hem als de heidenen zal moeten behandelen. Jezus legt in de bergrede de wortel van de zonde bloot. Dat komt bijvoorbeeld tot uitdrukking in de manier waarop Hij reageert op de kritiek van Farizeeën en Schriftgeleerden ten aanzien van Zijn houding ten opzichte van de reinigingswetten. “Niet wat de mond ingaat maakt een mens onrein, maar wat de mond uitgaat, dat maakt een mens onrein” (Mt 15,11). Daarmee geeft Hij aan dat de bron van de zonde in het hart van de mens schuilt.

In die zin zijn alle mensen aan elkaar gelijk. Ze zijn in de grond van de zaak allemaal even slecht. Maar dat kan niet als een grote gelijkmaker worden gehanteerd. Wie een zonde overweegt en uitdenkt, is schuldig, maar wie zulke plannen daadwerkelijk tot uitvoering brengt, is schuldiger. Er is wel degelijk gradatie in schuld. Jezus maakt dat zelf duidelijk wanneer Hij zegt dat op de dag van het oordeel het lot van Sodom draaglijker zal zijn dan dat van Kafarnaüm. Beide werden geconfronteerd met de waarschuwing voor het naderende onheil. Maar in tegenstelling tot Sodom kende Kafarnaüm de Schriften en daardoor laadde deze stad groter schuld op zich door de prediking van Jezus af te wijzen.

De twee hierboven gegeven citaten van Jezus – “Wie zonder zonde is, werpe de eerste steen” en “Oordeelt niet” – hebben dezelfde strekking. In beide gevallen wordt de realiteit en de ernst van de zonde op geen enkele manier gerelativeerd of onder het kleed geveegd. Het gaat steeds om de manier waarop de zonde aan de orde gesteld wordt en de wijze waarop de zondaar tegemoet getreden wordt. De zonde moet benoemd worden en de zondaar moet vermaand worden. Dat is zelfs de dure plicht van elke gelovige, in het bijzonder van degenen die tot een ambt in de kerk geroepen zijn. Maar die vermaning moet altijd vanuit een houding van nederigheid gebeuren, in het besef dat ook wie vermaant, een zondaar is die vergeving en verzoening nodig heeft. Het was de grondfout van de Farizeeën dat ze op tollenaars en zondaars neerkeken, zoals Jezus dat beschrijft in de gelijkenis van de tollenaar en de Farizeeër.

De christelijke supporters van Donald Trump hebben de man een slechte dienst bewezen. Juist zij verkeerden in de positie om hem op zijn gedrag aan te spreken. Hun steun was van doorslaggevend belang voor zijn verkiezing en zij hadden hun morele gezag moeten gebruiken om hem op zijn fouten te wijzen en tijdig te corrigeren om zo het kwaad in te dammen. Juist wie beseft dat we allemaal zondige mensen zijn mag iemand die publiek zondigt niet aan zijn lot overlaten. Dat is ook de functie van de tucht in de kerk: niet om de zondaar aan de schandpaal te nagelen, maar om hem te behouden.

Dominee ZZP

De arbeidsmarkt is al jaren flink in beweging. Eén van de meest opvallende verschijnselen is dat vooral degenen die voor het eerst de arbeidsmarkt betreden, nauwelijks nog kans hebben op een vaste aanstelling. Ook al wat oudere werknemers die – na ontslag bij hun werkgever – een nieuwe baan zoeken kunnen er vaak niet vanuit gaan dat ze een vast contract krijgen aangeboden. Er zit soms niets anders op dan als ZZP’er aan de slag te gaan. Als je tegenwoordig zeker wilt zijn van een vast contract kun je het beste dominee worden.

Maar ook dat moet veranderen, in elk geval als het aan ds. Gert Zomer (GKV Houten) ligt. In een artikel in het Nederlands Dagblad pleit hij ervoor dat predikanten niet meer vast aan één gemeente verbonden zijn maar flexibel op verschillende plaatsen, met hun specifieke kwaliteiten, ingezet worden. De aanleiding voor zijn pleidooi was een column van redacteur Gerard ter Horst onder de titel ‘Dominees met een vlekje’. Die schreef hij onder de indruk van een discussie op de Generale Synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken over predikanten die in hun gemeente zijn vastgelopen en daarvan zijn losgemaakt. Eerder waren in het Nederlands Dagblad trouwens al artikelen verschenen waarin gewezen werd op de pijn die zo’n proces bij alle betrokkenen – predikant, kerkenraad en gemeente – veroorzaakt. De tragiek van een losmaking wordt nog versterkt door het feit dat de losgemaakte predikant vaak nergens meer ‘aan de bak’ komt. Ook al ligt de oorzaak van de losmaking niet – of niet uitsluitend – aan hem, hij wordt toch gezien als iemand ‘met een vlekje’ en er zijn niet veel kerkenraden die het aandurven zo iemand ter beroeping aan hun gemeente voor te stellen.

Zomers motivatie is dat de discussie zich meestal concentreert op wat hij “de achterkant van het probleem” noemt: de gevolgen wanneer het mis gaat tussen predikant en gemeente. Hij wil graag “aan de voorkant van het probleem iets bijdragen. Voorkomen is immers beter dan genezen. Ik pleit ervoor om alle predikanten los te maken van hun gemeente.”

Waarom eigenlijk?

Een predikant, zegt Zomer, is voor inkomen en huisvesting meestal geheel afhankelijk van zijn gemeente. Mij ontgaat wat daarbij het probleem zou zijn. Voor wat de huisvesting betreft mogen predikanten hun handjes stijf dichtknijpen. Ze betalen geen huur en zaken als behangen en schilderen worden door de gemeente of in haar opdracht door anderen verricht. Dat zouden veel huurders ook wel willen maar die moeten zelf de handen uit de mouwen steken.

Als de predikant een huis koopt, wordt van hem verwacht dat hij dat op het grondgebied van de gemeente doet. Dat laatste lijkt me logisch en is niet in de eerste plaats de consequentie van zijn verbintenis als predikant, maar van zijn lidmaatschap van de gemeente. In de Gereformeerde Kerken is het nog altijd gebruik dat het lidmaatschap door geografische grenzen wordt bepaald, ook al wordt daarmee inmiddels op ruime schaal de hand gelicht. Het is overigens maar de vraag of het zo verstandig en gewenst is dat een predikant een huis koopt, en niet maar alleen om financiële redenen.

Zomer noemt de sociale component: de sociale contacten en activiteiten als ‘gewoon gemeentelid’. Daar ligt natuurlijk wel een probleem. Kan een predikant binnen de gemeente speciale vrienden hebben? Dat hangt ervan af hoe alle betrokkenen daarmee omgaan. Dat kan inderdaad gevoelig liggen. Maar in deze tijd van mobiliteit hoeft een predikant niet te vereenzamen wanneer hij binnen de gemeente geen vrienden heeft. Die kan hij ook elders zoeken. Moet een predikant lid worden van een ‘gemeentekring’? In mijn gemeente zijn er zulke kringen (huiskringen), maar ik heb nooit gemerkt dat er vanuit de kerkenraad of de gemeente enige druk werd uitgeoefend op de predikant om zich bij zo’n huiskring aan te sluiten. Als er gemeenten zijn waar dat wel gebeurt, zijn er goede redenen daaraan niet te voldoen. Een predikant is nu eenmaal nooit een ‘gewoon gemeentelid’. Predikant van je gemeente ben je zeven dagen per week en 24 uur per dag. (Wat uiteraard niet betekent dat hij al die tijd op afroep beschikbaar moet zijn.)

De predikant “heeft met zijn vrouw en kinderen, indien aanwezig, een voorbeeldfunctie, die hem overlevert aan de verwachtingen en denkpatronen van de gemeente.” Heeft de predikant een voorbeeldfunctie? Dat was ooit ongetwijfeld zo. Mijns inziens staat de predikant vrijwel nergens meer op een zodanig voetstuk dat hij overal zijn gezicht moet laten zien of overal het goede voorbeeld zou moeten geven. De meeste gemeenteleden zijn tegenwoordig realist genoeg om te beseffen dat een predikant ook maar een gewoon (zondig) mens is.

Zomer is van mening dat de geschetste nadelen te ondervangen zijn wanneer predikanten niet meer vast aan een gemeente verbonden zijn. Hij beroept zich daarbij op de apostel Paulus. “Van de apostel Paulus heb ik geleerd dat het voor een brenger van het goede nieuws een voorwaarde is dat hij vrij is. Paulus koos ervoor niet afhankelijk te zijn van de gemeente (1 Korintiërs 9). Hij verkondigt omdat hij niet anders kan, niet omdat hij ervoor betaald wordt. Hij doet het ook niet uit vrije wil; dan zou hij zijn hoorders afhankelijk maken van zijn grillen en grollen. De opdracht is hem toevertrouwd door Jezus zelf. Dat maakt dat hij zich volledig vrij voelt om zich aan te passen aan zijn gehoor (‘voor de Joden een Jood, voor de zwakken zwak’). Niet om dat gehoor naar de mond te praten, maar om hen te bereiken met het evangelie dat van Boven komt. Hij hoeft niet aan verwachtingen van mensen te voldoen, hij is niet van de gemeente, hij is van Jezus en wordt door Hem gestuurd.”

Dit beroep op Paulus lijkt me nogal problematisch. De predikant in onze dagen is Paulus niet. De apostel was uniek: door God hoogstpersoonlijk en direct – niet, zoals de predikanten van nu, via een gemeente – geroepen tot zijn taak. Die taak was ‘apostel van de heidenen’ te zijn. Het was niet zijn roeping aan één gemeente verbonden te zijn. Maar daarmee is niet gezegd dat zo’n verbintenis vreemd zou zijn aan de Schrift. Verschillende apostelen bleven zolang bij één bepaalde gemeente dat je zeker van een soort ‘vaste verbintenis’ kunt spreken. Wanneer Paulus naar Macedonië reist, laat hij Timotheus in Efeze achter. Als je kijkt naar de aanwijzingen die hij in 1 Timotheus geeft, is er alle reden Timotheus als ‘herder en leraar’ van die gemeente te beschouwen. Het boek Openbaringen bevat brieven aan een aantal gemeenten, die geadresseerd zijn aan de ‘engel’ van die gemeenten. Daarmee wordt naar algemene opvatting de voorganger bedoeld. Ook in dat geval hebben we dus wel degelijk te maken met een vaste verbintenis aan één specifieke gemeente.

Zomer pleit voor wat hij “een soort freelance predikant” noemt. Dat is dan iemand die met zijn specifieke kwaliteiten ingezet kan worden waar die nodig zijn, of dat nu op het gebied van de prediking, de catechisatie of het pastoraat is. Dat heeft ontegenzeglijk iets aantrekkelijks. Niemand kan overal even goed in zijn. Binnen een gemeente leven verschillende wensen als een predikant beroepen moet worden. Sommigen willen graag vooral goede en aansprekende preken. Jongeren stellen prijs op iemand die voor hen aanspreekbaar is, die open staat voor hun leefwereld. Ouderen hechten veel waarde aan pastorale zorg, zeker diegenen die niet meer regelmatig aan het gemeentelijke leven kunnen deelnemen. Het is voor een predikant onmogelijk aan alle wensen in gelijke mate te voldoen. Een specialist kan dan uitkomst bieden.

Maar daar staan niet geringe nadelen tegenover. Natuurlijk is het fijn wanneer de predikant op pastoraal gebied zijn mannetje staat en met bijvoorbeeld ouderen een goed geestelijk gesprek kan voeren. Maar zitten die ouderen op een ‘pastoraal specialist’ te wachten? Of willen ze toch vooral hun herder zien? Het is fijn voor jongeren wanneer een predikant oog en oor heeft voor hun leef- en denkwereld. Maar dan staat er iemand op de kansel die zij helemaal niet persoonlijk kennen. Zouden ze niet liever iemand op de preekstoel zien die in zijn preek ook nu en dan terugkomt op wat hij eerder – op catechisatie of in informele gesprekken – met hen heeft besproken?

Natuurlijk staat in de prediking de uitleg van de Schrift op de eerste plaats. Maar de boodschap van de Schrift moet ook worden toegepast. Ze moet concreet worden gemaakt, niet maar in algemene zin voor mensen van nu – want wie zijn dat precies? – maar voor een specifieke gemeente. Het kan nodig zijn een bepaald gedeelte van de bijbelse boodschap te belichten, omdat deze gemeente die boodschap nodig heeft. Wanneer er persoonlijke conflicten zijn, een gebrek aan aandacht voor elkaar, een gebrek aan openheid naar de samenleving of wanneer er sprake is van specifieke zonden, dan kan daaraan in de verkondiging niet voorbijgegaan worden. Daarbij komt het er op aan de juiste insteek te vinden en de juiste toon aan te slaan. Daarvoor moet de voorganger de gemeente kennen. Is dat niet het geval, dan kunnen er gemakkelijk ongelukken gebeuren. De predikant is een herder van zijn gemeente. Die term impliceert dat hij zorg aan zijn gemeente besteedt. Die zorg is zijn verantwoordelijkheid. Zonder een vaste verbintenis aan één bepaalde gemeente lossen beide in lucht op.

“Laat er landelijk of regionaal een maatschap van predikanten komen, waarin materiële zaken als inkomen, emeritaat, arbeidsomstandigheden en mobiliteit geborgd zijn. Ik daag de deskundigen op dat gebied uit hierover door te denken. Evenals over de geestelijke kant van opzicht en tucht over de predikant.” Ik laat de financiële en arbeidsrechtelijke kant van deze passage rusten; daar heb ik geen verstand van. Maar deze suggestie is in elk geval niet bruikbaar als het om opzicht en tucht gaat. Zonder vaste verbintenis lijkt me dit nogal problematisch. Alleen een kerkenraad is bevoegd tot het uitoefenen van de tucht. Dat betekent dat een predikant in actieve dienst toch op de één of andere manier aan een gemeente verbonden moet zijn. Maar dat opzicht wordt wel erg lastig wanneer het grootste deel van zijn werkzaamheden zich elders afspeelt.

Een model zoals Zomer dat in overweging geeft heeft positieve en negatieve kanten. Ik heb een aantal daarvan op een rijtje gezet. Maar het belangrijkste is nog niet genoemd. Dit model sluit in feite – ook al bedoelt Zomer dat ongetwijfeld niet zo – aan op de tegenwoordig dominante mentaliteit: we gaan met elkaar in zee voor zover en voor zolang het ons bevalt en iemand levert waaraan we behoefte hebben. Hij suggereert “een aanstelling als ‘hoofdprediker’ voor bijvoorbeeld twee jaar, die verlengd kan worden als het goed bevalt.” Is dat een criterium? Het wezen van een verbintenis tussen een predikant en een gemeente is vergelijkbaar met die tussen man en vrouw in het huwelijk: for better or for worse, in goede en slechte tijden. Het is een oefening in christelijk leven: genieten van elkaars gaven, geduld hebben met elkaars tekortkomingen.

In het economisch leven komt men er langzamerhand achter dat het werken met tijdelijke contracten en het inhuren van ZZP’ers wellicht niet zo’n goed idee is. Er is geen binding tussen werkgever en werknemer. Beide investeren niet in goede relaties, want die kunnen zomaar weer verbroken worden. Daar worden beide niet beter van. Daar zou de kerk van moeten leren. De problemen zijn reëel, maar dominee ZZP is geen panacee.

De secularisatie van de Amerikaanse evangelicalen

Wat maar weinig mensen verwacht hadden is dan toch gebeurd: Donald Trump is gekozen tot 45e president van de Verenigde Staten. Het was tegen alle verwachtingen in, die vooral gebaseerd waren op opiniepeilingen, maar ook op de aanname dat een kandidaat die in zoveel opzichten afwijkt van de mainstream toch nauwelijks realistische kansen zou hebben om de presidentsverkiezingen te winnen. Goed, hij had – ook tegen de verwachtingen in – de nominatie van de Republikeinse partij binnengesleept. Maar van die partij zijn we de laatste jaren wel wat gewend, als het om extremisme gaat. De kandidaten tegen wie Trump het in de voorverkiezingen moest opnemen, waren in veel opzichten weinig beter dan hij. Maar, zo was de gedachte, de Amerikaanse kiezers zullen toch wel wijzer zijn, zeker nadat de ene na de andere onthulling ernstige karakterfouten en zelfs grensoverschrijdend gedrag aan het licht brachten. Aan zo iemand zouden de Amerikanen toch in meerderheid niet het vertrouwen geven? Dat was een misrekening. Weliswaar kreeg zijn tegenstander, Hillary Clinton, een kleine meerderheid van de stemmen, maar heel indrukwekkend was het verschil niet. Dat ook aan haar wel de nodige smetjes kleefden, werd niet als een ononverkomelijk obstakel gezien, zeker ook niet door haar partij, die niet serieus naar een alternatief zocht, dat minder weerzin opwekte.

In deze weblog gaat het me vooral om een merkwaardig fenomeen dat al heel wat pennen en tongen, zowel in de Verenigde Staten als in ons land, in beweging heeft gebracht. Trump kreeg de steun van de overgrote meerderheid van zogenaamde ‘evangelische christenen’, en dan vooral het blanke deel daarvan. Want onder de Afro-Amerikaanse christenen zag het beeld er wat anders uit, hoewel ook daar nogal wat weerstand was tegen Hillary Clinton, vooral vanwege haar liberale standpunten in ethische kwesties. Nu kan het op zichzelf niet verbazen dat blanke evangelische christenen in overgrote meerderheid geneigd zijn een Republikeinse kandidaat te steunen. Dat is al decennia lang het geval. Beide grote partijen in de VS zijn ideologisch en religieus gemêleerd. Beide kennen een waaier van opvattingen, van rechts tot links. In de loop van de laatste decennia hebben beide partijen wel een ideologische wending laten zien. De Republikeinse partij wordt gedomineerd door rechts, de Democratische door links. In beide gevallen bepaalt dat het beeld dat men van deze partijen heeft.

Ook op ethisch vlak verschillen beide partijen. Tegenstanders van een vrije abortuspraktijk – om maar eens één van de heetste hangijzers te noemen – zijn in beide partijen te vinden, maar in de Republikeinse partij krijgen zij meer voet aan de grond. Daarentegen zijn er onder de Republikeinen nogal wat die op dit punt een veel liberaler standpunt innemen maar zich vanwege het economisch beleid of uit buitenlands-politieke overwegingen bij die partij thuis voelen en het overheersende anti-abortusstandpunt op de koop toe nemen.

Voor veel evangelische kiezers in de VS zijn abortus en zaken als het homohuwelijk van doorslaggevend belang, zo komt uit de media steeds naar voren. Maar juist dat roept nogal wat vragen op. Want Donald Trump heeft nooit de indruk gewekt dat dit soort zaken hoog op zijn prioriteitenlijstje staan. Hij heeft ook helemaal geen bindingen met het evangelische deel van de Republikeinse partij. Zijn uitlatingen over het christelijk geloof en de betekenis die dat voor hem heeft lieten vooral ongemak zien en konden nauwelijks overtuigen. Het zegt veel over het kennelijk gebrek aan geloofwaardige alternatieven dat men bereid bleek dit door de vingers te zien of er een bepaalde draai aan te geven waardoor Trumps uitlatingen in een gunstiger licht kwamen te staan. Dat moet ook de reden zijn geweest dat men wilde geloven dat Trump zijn beloften op ethisch terrein zou waarmaken. Of dat ook het geval is, staat bepaald niet vast. Wat dat betreft zouden de evangelicalen nog wel eens van een koude kermis thuis kunnen komen.

Was de steun voor Trump vanwege zijn achtergrond en zijn uitlatingen over het geloof al enigszins dubieus, het werd nog vreemder toen duidelijk werd dat zijn levensstijl in veel opzichten haaks staat op wat door evangelicalen als christelijk ideaal wordt uitgedragen. Kan iemand die zich herhaaldelijk heeft misdragen en blijk geeft van een gebrek aan moreel besef, met name in zijn opstelling ten opzichte van vrouwen, een geloofwaardige kandidaat van christenen zijn? Een aantal christelijke leiders en opiniemakers distantieerde zich van Trump. Sommigen deden dat al voor die onthullingen, waarbij ze ook wezen op eerdere uitlatingen ten aanzien van minderheden, zoals Afro-Amerikanen en latino’s, en religieuze minderheden, met name moslims. Anderen keerden zich van hem af als direct gevolg van de genoemde onthullingen. Maar vele evangelische leiders bleven Trump steunen.

Daarvoor zijn twee verklaringen.

De eerste is dat men de zonden van Trump weliswaar erkende, maar tegelijk het gewicht ervan bagatelliseerde. “We zijn allemaal zondige mensen”, werd gezegd, daarmee een christelijke waarheid gebruikend om het straatje van de zondaar schoon te vegen. Bovendien was niet de levensstijl, maar waren vooral de politieke ideeën van de kandidaat van belang. Daarbij schroomde men niet de bijbelse koning David als voorbeeld te gebruiken. Ook diens levensstijl was bepaald niet smetteloos maar desondanks was hij een “man naar Gods hart”. Hier valt niet alleen de inconsequentie op – politici van een andere politieke oriëntatie mogen op heel wat minder coulantie rekenen – maar ook het misbruik de Schrift voor politieke doeleinden. Ik kom daar wellicht binnenkort nog afzonderlijk op terug.

De tweede verklaring is meer politiek van aard. In het politieke denken van de Amerikaanse evangelicalen speelt het Hooggerechtshof een doorslaggevende rol. Al lange tijd scheiden zich de geesten over de interpretatie van de grondwet. Omdat die uit een andere tijd stamt, geeft die niet op alle vragen een pasklaar antwoord. Dus moeten de leden van het Hooggerechtshof – die voor het leven worden benoemd door de president, overigens na instemming van het Congres – steeds zoeken naar een zodanige interpretatie dat aan de bedoeling van de grondwet recht gedaan wordt. Hierbij staan twee lijnen tegenover elkaar. De conservatieve lijn is dat de grondwet moet worden geïnterpreteerd naar de bedoeling van de opstellers. De liberale lijn is dat rechters de bestaande maatschappelijke opvattingen moeten verdisconteren. In het eerste geval is de grondwet statisch, in het tweede geval dynamisch.

Uiteraard zijn de evangelicalen voorstander van de eerste lijn. Zij zien daarin een garantie dat christenen optimale godsdienstvrijheid behouden, die hun het recht geeft in hun persoonlijk leven en in hun beroepsuitoefening zich te distantiëren van wat door anderen – misschien zelfs de meerderheid van de bevolking – als normaal wordt beschouwd. Ook zien ze in de conservatieve interpretatie van de grondwet een middel om de legalisering van het homohuwelijk tegen te houden dan wel terug te draaien en een vrije abortuspraktijk te beteugelen. Uit uitlatingen van evangelicale leiders die Trump door dik en dun steunden, bleek steeds weer dat de personele bezetting van het Hooggerechtshof van cruciale betekenis werd geacht. Niet alleen moet Trump één van de opengevallen plaatsen bezetten, maar gezien de leeftijd van een aantal rechters is de kans groot dat hij tijdens zijn ambtstermijn nog één of meer benoemingen zal moeten doen. Daarom zien evangelicalen dit als een uitgelezen kans om voor jaren of zelfs decennia het Hooggerechtshof naar hun hand te zetten.

Dit laat zien dat de evangelicale beweging in de VS in hoge mate gepolitiseerd is. De volledige concentratie op macht en machtsuitoefening laat allerlei andere factoren naar de achtergrond verdwijnen. In feite wordt de persoonlijke ethiek van politieke ambtsdragers – in dit geval de president – geheel ondergeschikt gemaakt aan de mogelijkheid politieke macht uit te oefenen. Dit is om meerdere reden een fatale vergissing.

Alles mag dan politiek zijn, maar politiek is niet alles. Men vergist zich wanneer men denkt met machtsmiddelen maatschappelijke ontwikkelingen te kunnen keren; daarvoor is een verandering van mentaliteit nodig. Wanneer christenen het denken over ethische kwesties, zoals abortus, willen veranderen, zullen ze het maatschappelijke debat moeten aangaan. Verscherping van de abortuswetgeving is slechts te bereiken wanneer daarvoor een maatschappelijk en vervolgens ook politiek draagvlak wordt gecreëerd. Ik haal hier met instemming Anton de Wit aan, die in een column op de site van de EO schreef: “Ik vind het zelfs meer dan kwalijk dat christenen het abortusvraagstuk tot hamvraag van de verkiezingskeuze hebben gemaakt. Niet omdat abortus niet belangrijk genoeg is om politiek te zijn, maar juist omdat het te belangrijk is om politiek te zijn. De grote makke van de pro-lifebeweging is dat het abortus zo heeft gepolitiseerd. Het is bijna puur een strijd om beleidsvorming en wetgeving geworden, waar het eigenlijk een strijd om de harten van mensen zou moeten zijn. Door Trump nu als dubieuze mascotte te kiezen, heeft de pro-lifebeweging zichzelf nog verder in de hoek van de hartelozen geduwd.” De strijd tegen abortus moet dan ook onderdeel uitmaken van een breed pakket aan maatregelen, o.a. op het vlak van voorlichting en hulpverlening, zoals we dat in Nederland kennen.

Op deze wijze wordt christelijke politiek van haar geloofwaardigheid beroofd. Wie pretendeert in de samenleving op te komen voor christelijke waarden, compromitteert zichzelf, wanneer hij tegelijk iemand te vuur en te zwaard verdedigt en zelfs als een geschikte kandidaat voor het presidentschap aanprijst, die een aantal van deze waarden met voeten treedt. Het verwijt van hypocrisie is dan geheel terecht.

Het streven via machtsmiddelen de samenleving weer op het ‘rechte’ spoor te krijgen is ook kortzichtig. Op korte termijn zal men wellicht bepaalde ontwikkelingen kunnen tegenhouden, maar veel meer dan vertraging zal het niet zijn, wanneer het draagvlak ontbreekt. Eén van de oorzaken van de radicalisering van delen van de Republikeinse partij en van een deel van de kiezers is de minachting voor hun opvattingen door wat men ‘de elite’ noemt, die men vooral bij de Democratische partij zoekt. Maar het radicalisme van de Republikeinen – waarmee men de Democraten met gelijke munt terugbetaalt – zal op termijn de tegenstellingen alleen maar verder verscherpen. Dan kan eventuele winst van een Republikeins presidentschap onder een volgende president zomaar helemaal te niet worden gedaan.

De onderschikking van de ethiek aan de politiek zou je als de secularisatie van het Amerikaanse evangelicalisme kunnen beschouwen. Maar wellicht zit het probleem nog veel dieper. Want tot nu toe zijn we er hier vanuit gegaan – en dat is de overheersende mening in de media, inclusief de christelijke – dat voor Amerikaanse evangelicalen de christelijke ethiek een doorslaggevende rol speelt en hun stemgedrag bepaalt. Maar er zijn redenen daar grote vraagtekens bij te zetten.

De Amerikaanse website Christianity Today publiceerde een interessante analyse van het stemgedrag en de motieven van verschillende groepen christenen. Daaruit zijn allerlei belangwekkende gegevens te halen, zoals het feit dat een substantieel deel van de aanhang van beide presidentskandidaten zich heeft laten leiden door afkeer van de andere kandidaat. Dat speelt altijd een rol, maar bij deze verkiezingen wellicht meer dan ooit tevoren. De cijfers laten ook allerlei opvallende verschillen zien, bijvoorbeeld tussen denominaties en tussen evangelicalen van verschillende etniciteit.

Daaraan zouden allerlei interessante beschouwingen gewijd kunnen worden. Maar op dit moment wil ik me beperken tot twee aspecten. Die zouden overigens wel eens kunnen samenhangen met het uit de cijfers naar voren komende verschil tussen voorgangers en wat ik maar ‘leken’ zal noemen.

De eerste is de beoordeling van de kandidaat op de punten van geloof en persoonlijke ethiek. In 2011 antwoordde 64% van de blanke evangelicalen bevestigend op de vraag of het voor hen belangrijk was dat een presidentskandidaat een “sterk geloof” heeft; in 2016 is het percentage gedaald tot 49. Dit verklaart voor een deel dat een substantieel deel van hen Trump steunde, terwijl niet minder dan 48% van degenen die zich born again Christians noemen, van mening was dat noch Clinton noch Trump als authentic Christian kan worden beschouwd.

Ten aanzien van de persoonlijke ethiek tekent zich een vergelijkbaar patroon af. In 2011 vroeg Christianity Today of iemand die in een publiek ambt gekozen is, ethisch kan handelen terwijl hij zich in zijn persoonlijk leven immoreel heeft gedragen. Daarop gaf 30% een bevestigend antwoord; in 2016 is dat percentage gestegen tot 72 en niet minder dan 42% antwoordt dat een buitenechtelijke affaire geen verschil zou maken voor het stemgedrag.

Wijst dit op een fundamentele verandering in opvattingen in de richting van een scheiding van geloof en politiek? Of moeten we dit vooral interpreteren als een pragmatische opstelling of een poging het eigen stemgedrag te rechtvaardigen? Je kunt moeilijk zeggen dat onethisch gedrag een verhindering is een bepaalde kandidaat te steunen en dan vervolgens iemand in het Witte Huis kiezen die in onethische gedragingen grossiert.

Er is nog een statistiek die van belang is en misschien komen we dan dichter bij de kern van de zaak. De tiende vraag die Christianity Today aan de geënquêteerde evangelicalen voorlegde was, welke kwesties voor hen het zwaarste wogen. De lijst met percentages is hoogst interessant. Want wie denkt dat zaken als abortus en het homohuwelijk wel hoog zullen scoren, komt bedrogen uit. De economie scoort het hoogst, gevolgd door nationale veiligheid. Wanneer we dan naar de cijfers voor de blanke evangelicalen kijken, is de lijst nog onthullender. Bovenaan staan terrorisme, de economie en – ex aequo – immigratie en buitenlandse politiek. Deze worden gevolgd door gun policy – wat geïnterpreteerd moet worden als het recht een wapen te dragen – en benoemingen voor het Hooggerechtshof. Waar staat abortus? Op een elfde plaats – dit issue haalt net een meerderheid van 52% van de ondervraagden als ‘heel belangrijk’ bij de keuze voor een bepaalde kandidaat. Het zegt iets over de prioriteiten van blanke evangelicalen dat economie, immigratie en het recht een wapen te dragen hoger scoren dan abortus. Het zegt ook veel dat de behandeling van raciale en etnische minderheden slechts 51% scoort en het milieu een magere 34%. Veel Amerikaanse (blanke) evangelicalen lijken daarmee in de eerste plaats geïnteresseerd te zijn in het eigen (materiële) welbevinden, meer dan in de publieke moraal. Ook nationalisme speelt een belangrijke rol, zoals uit het gewicht van immigratie blijkt.

Als bezwaar tegen christelijke politiek in de VS is vaak ingebracht dat die wordt versmald tot enkele kwesties: abortus, gezin, Israël. Maar de hier aangehaalde cijfers laten zien dat de situatie veel ernstiger is. De genoemde kwesties zijn voor veel evangelicale leiders en opiniemakers – degenen die zich in de media manifesteren en ons beeld van de Amerikaanse evangelicale wereld in hoge mate bepalen – wellicht inderdaad doorslaggevend. Maar voor veel evangelicale ‘leken’ lijkt christelijke politiek niet meer dan een masker waarachter zich politieke standpunten verbergen die met het christelijk geloof weinig tot niets van doen hebben of daar zelfs haaks op staan. De gekozen vice-president Mike Pence beweerde dat hij in de eerste plaats christen was en pas dan Amerikaan. Het is niet aan mij om dat te beoordelen. Maar wie naar de cijfers kijkt kan niet anders dan concluderen dat veel Amerikaanse evangelicalen eerst Amerikaan zijn en pas dan christen. Het valt overigens te vrezen – en dat is misschien nog erger – dat velen daartussen geen verschil zien en die met elkaar vereenzelvigen.

Op grond van de hier gereleveerde gegevens lijkt me de conclusie gewettigd dat een substantieel deel van de Amerikaanse evangelicalen – en dan vooral het blanke deel daarvan – in sterke mate geseculariseerd is. Dat de VS een in hoge mate door het christendom gestempelde samenleving zou zijn, krijgt steeds meer de trekken van een mythe.
De te pas en te onpas gebruikte wens “God bless America” verandert daar niets aan.