Archief

Archive for mei, 2013

Geen roeping zonder beroep

Keuzevrijheid is een groot goed voor de mens van de 21e eeuw. Hij wil zelf kiezen met wie hij door het leven gaat, welke studie hij gaat volgen en welk beroep hij gaat uitoefenen. Het aantal keuzemogelijkheden is vrijwel eindeloos en is gedurende de laatste decennia, als gevolg van het streven naar marktwerking, steeds groter geworden. Maar elk voordeel heeft z’n nadeel: soms zijn de keuzemogelijkheden zo omvangrijk dat men door de bomen het bos niet meer ziet.

Desondanks zijn er nog steeds zaken waarin niet veel of niets te kiezen valt. Of men geboren wordt, hoe men geboren wordt – mannelijk of vrouwelijk – en welke ouders men krijgt, dat onttrekt zich nog steeds aan de menselijke wil. Ondanks het liberale geloof dat je alles kunt worden wat je wilt heeft de mens met allerlei beperkingen te maken, intellectueel, sociaal en/of financieel-economisch. En wanneer iemand zegt dat hij koning van Nederland wil worden, is de kans dat hij zijn zin krijgt, vrij gering.

De koningen en koninginnen van Nederland beschouw(d)en hun functie dan ook als een roeping. Dat is iets waarvoor je niet kiest maar waartoe je door je geboorte verplicht bent of waartoe je door anderen wordt geroepen. In vroeger tijden werden meer functies als een roeping beschouwd. Ministers aanvaardden hun ambt omdat ze geloofden dat ze daartoe geroepen werden en volksvertegenwoordigers beschouwden het als hun roeping de belangen of opvattingen van hun kiezers in politieke organen uit te dragen.

Tegenwoordig is men eerder geneigd zulke functies als gewone beroepen te beschouwen. Daar ligt één van de oorzaken dat het verloop onder politici zo groot is: als om allerlei redenen het beroep van volksvertegenwoordiger je niet meer bevalt, ga je iets anders doen. Bekleders van een ambt werken er daardoor zelf aan mee dat de publieke opinie wat meesmuilend reageert wanneer nu en dan iemand nog eens rept over zijn roeping.

Het woord roeping komt nu vooral in kerkelijke kring nog voor. Iemand wordt als predikant aan een gemeente verbonden wanneer die hem daartoe roept. Iemand kan nog zo hard roepen dat hij dominee in X of Y wil worden, wanneer de desbetreffende gemeente hem niet beroept, zal dat niet gebeuren. Daarom kan men niet beweren dat predikant een ‘gewoon’ beroep is. Iedereen die dat wil kan theologie studeren, maar dat biedt geen garantie, laat staan recht op een verbintenis als predikant aan een gemeente. In die kringen waarin minder waarde wordt gehecht aan een gereguleerd kerkelijk leven door middel van afspraken is dat geen probleem. Wie een innerlijke aandrang voelt het Woord te verkondigen of op grond van een ‘innerlijke roeping’ meent een ‘bediening’ te hebben, begint gewoon voor zichzelf.

Het gebeurt nogal eens dat mensen die geloven een ‘innerlijke roeping’ te hebben daaraan het recht menen te kunnen ontlenen zich boven anderen te verheffen en regels en afspraken te negeren. Dat gebedsgenezer Jan Zijlstra zich opwerpt als ‘apostolisch overziener’ is daarvan een sprekend voorbeeld. Maar zo bont maakt niet iedereen het. Recent hield Philip Troost op predikant van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) te zijn. Aangezien hij niet meer formeel aan een bepaalde gemeente verbonden is, zag het kerkverband geen basis voor een voortzetting van zijn predikantschap. Troost reageerde daarop teleurgesteld. Hij liet weten van mening te zijn dat hij gewoon predikant is en beriep zich daarvoor op zijn ‘innerlijke roeping’. Die woog voor hem kennelijk zwaarder dan de kerkelijke regels, waaraan hij – toen hij het predikantschap van een gemeente aanvaardde – uit eigen vrije wil door middel van zijn handtekening beloofde zich te zullen houden. In de pers vond hij bijval van mensen die blijkbaar net als hij van mening waren dat kerkelijke afspraken moeten wijken voor wat iemand als zijn roeping ervaart.

Er is helemaal niets tegen wanneer iemand een sterke persoonlijke roeping voelt tot het verrichten van bepaalde werkzaamheden of het uitoefenen van een ambt. Wanneer dat hem motiveert zich in te zetten en zich bij tegenslag niet uit het veld te laten slaan, des te beter. Maar een ‘innerlijke roeping’ is naar haar aard persoonlijk. Die moet dat vooral ook blijven. Van anderen kan en mag niet worden verlangd dat ze die aanvaarden. Zo’n roeping is immers voor niemand anders te controleren. Mensen kunnen zich voor van alles en nog wat op een ‘innerlijke roeping’ of zelfs een persoonlijk boodschap beroepen. Recent was in het Nederlands Dagblad (18.4.13) te lezen dat een vertegenwoordiger van de Doorbrekers beweerde in de auto een stem gehoord te hebben die hem zei dat hij een gemeente in Zeeland moest gaan stichten. Moeten we dat echt serieus nemen?

In de gereformeerde wereld heeft het beroep op een ‘innerlijke roeping’ nooit een legitieme plaats gekregen. De enige manier waarop een predikant geroepen wordt, is via het beroep van een kerkelijke gemeente. Dat is niet zonder reden.

Het staat iedereen vrij het Woord van God uit te dragen. Mensen doen dat ook op allerlei manieren, door woorden en door daden. Maar de verkondiging van het evangelie in de samenkomsten van de gemeente is principieel van een andere aard. Het gaat daarbij, zoals de kerk in Zondag 31 van de Heidelbergse Catechismus belijdt, om één van de sleutels van het hemelrijk. Door die sleutel wordt het koninkrijk van de hemelen voor de gelovigen geopend en voor de ongelovigen gesloten. Die kan niet aan zomaar iemand in handen worden gegeven. Daarom bepaalt de kerkorde dat niemand het ambt van predikant mag vervullen zonder daartoe geroepen te zijn. Ze legt ook vast hoe de roeping van een predikant in haar werk behoort te gaan. Dat heeft niets te maken met regelzucht, maar met de bescherming van de gemeente. De sleutels van het hemelrijk dienen in overeenstemming met de normen van de Schrift en de daarop gegronde belijdenis gehanteerd te worden. Dat komt ook daarin tot uitdrukking dat ambtsdragers – en dus ook predikanten – hun handtekening zetten onder het ondertekeningsformulier.

Dit impliceert dat de predikant te allen tijde aanspreekbaar is op de manier waarop hij deze sleutel van het hemelrijk gebruikt. En daarmee zijn we bij de tweede reden waarom zoveel waarde wordt gehecht aan een formele roeping door een gemeente. De predikant is geen solist die kan doen en laten wat hem goeddunkt. Hij neemt onder de ambtsdragers een bijzondere plaats in vanwege zijn specifieke taak, maar staat daarmee niet boven de ouderlingen. Hij is in feite ouderling met een bijzondere opdracht. Volgens artikel 21 van de Kerkorde is het de taak van de ouderlingen, “samen met de dienaren des Woords”, de gemeente te regeren. Zij zien er ook op toe “dat de predikanten, de mede-ouderlingen en de diakenen hun ambt trouw vervullen”.

Waar zo’n kerkelijke orde ontbreekt, zijn misstanden niet te vermijden. Die halen regelmatig de krant. Het is dan ook onmogelijk het Woord met gezag te verkondigen. Wie zich uitsluitend beroept op een ‘innerlijke roeping’ of een ‘stem’ heeft slechts gezag zolang zijn ‘publiek’ daaraan geloof hecht en hem gezag verleent. Daarmee komt de norm bij dat publiek te liggen. Maar het gezag van wie beroepen is, ligt in zijn ambt. Hij is door Christus zelf aangesteld, door middel van het beroep van de gemeente. Alleen hij kan met recht zeggen: “Zo spreekt de Heer”. Zonder beroep is er geen roeping, zonder roeping geen gezag.

Advertenties

U verdient eerherstel

Ik ben netjes opgevoed, al zeg ik het zelf. Mensen die ik niet persoonlijk ken, spreek ik met u aan. Dat geldt ook voor de jongeman of jongedame achter de kassa bij de supermarkt, ook al is die kennelijk de 20 nog niet gepasseerd. Wanneer zo iemand vraagt: “wil je de kassabon?”, antwoord ik: “alstublieft”.

Als ik me voorstel noem ik m’n voor- èn achternaam. Dat schijnt tegenwoordig nogal ongebruikelijk te zijn. In mijn gemeente wordt vóór de dienst de aanwezigen verzocht degenen die in hun directe omgeving zitten een hand te geven en kennis te maken. Ik probeer dat te vermijden, want ik vind dat een nogal zinloze exercitie. Soms lukt dat niet. Dan zegt iemand: “Hoi, ik ben Jan”. Dat is fijn voor hem maar niet erg informatief voor mij. Er zijn tenslotte wel meer hondjes die Fikkie heten. Je gaat bijna denken dat we terug zijn in het tijdperk toen de meeste mensen geen achternaam hadden.

Waar vroeger het tutoyeren en het aanspreken met de voornaam beperkt bleef tot de kring van familie en vrienden, gebeurt het tegenwoordig te pas en te onpas. Ik heb een abonnement op Nader Bekeken. Sinds enkele maanden weet ik nu hoe alle scribenten van voren heten. Heel interessant, maar worden de artikelen daar beter van? Krijg ik daardoor het idee dat ik hen nu beter ken? Ik dacht het niet.

We schijnen het tutoyeren en het gebruik van voornamen als winst te moeten beschouwen. Men vindt blijkbaar dat de samenleving daar leuker van wordt. Daar ben ik niet zo zeker van. Gemakkelijker wordt ze er in elk geval niet van. Mensen hebben rituelen en vaste patronen nodig om hun weg in de samenleving te kunnen vinden. Spreek je iemand die zich met de voornaam voorstelt zomaar met je aan of gebruik je toch maar u? En geeft dat de vrijheid dan ook maar zijn of haar voornaam te gebruiken of wordt het toch meneer en mevrouw? Onze koning vindt dat iedereen hem maar moet aanspreken zoals men zelf wil en waar men zich comfortabel bij voelt. Maar juist die houding heeft tot gevolg dat mensen zich oncomfortabel voelen. Die uitspraak valt daarom in de categorie ‘een beetje dom’.

Uiteraard gaan de hier geschetste tendenzen de kerk niet voorbij. Ze moet tenslotte met de tijd meegaan. En dus nemen veel voorgangers de vrijheid hun toehoorders met je en jij aan te spreken, of die nu 20 dan wel 80 zijn. Niemand heeft hun ooit gevraagd of ze dat wel goed vinden. Het is dan ook geen wonder dat de predikanten zelf ook getutoyeerd worden en met hun voornaam worden aangesproken. Veel van hen willen dat zelfs. Is dat winst? Wordt de kerkelijke samenleving daar leuker van? Daar ben ik niet zo zeker van. Beter wordt ze er in elk geval niet van.

In het dagblad Trouw loopt momenteel een serie over Respect. In de eerste bijdrage gaat Peter Henk Steenhuis uitvoerig in op het begrip respect. Hij laat zien dat dit oorspronkelijk betekende ontzag of eerbied. “De patiënt keek tegen de arts op omdat de man ervoor gestudeerd had en gezondheid een belangrijk goed was. Zo had je ook respect voor een predikant: die vertegenwoordigde iets wat voor jouw leven van belang was.” Inmiddels wordt dit begrip op een heel andere manier gehanteerd. Steenhuis verwijst naar een ethicus, volgens wie respect tegenwoordig “is gericht op een onvervreemdbare waardigheid die wij allemaal bezitten. Die waardigheid zou je ook kunnen vertalen als ‘autonomie van ieder mens, die we in acht moeten nemen’.”

Hij signaleert vervolgens een andere betekenis, die nog eens in twee tegengestelde aspecten uiteenvalt: “het respect voor de onvervreemdbare waardigheid (wij zijn allemaal gelijkwaardig) en dat voor het bijzondere dat wij allemaal menen te bezitten: wij zijn allemaal als individu ongelijkwaardig en dienen zo behandeld te worden.” Die twee aspecten zijn in feite onverenigbaar. Niettemin lijkt me dat ze wel iets gemeenschappelijks hebben: ze zijn beide ik-gericht. In beide gevallen wordt respect gevraagd of zelfs geëist, niet gegeven. Respect eisen gaat de meeste mensen wel goed af, respect betonen veel minder.

Ook de kerk wordt daarmee geconfronteerd. Tegen geloven wordt geen bezwaar gemaakt, maar de kerk moet vooral niet de pretentie hebben te beschikken over de waarheid en waarden en normen uit te dragen die voor iedereen gelden. Daarmee zou ze zich niet alleen verheffen boven andere krachten in de samenleving, maar laat ze het bovendien ontbreken aan respect voor andersdenkenden.

Ook binnen de kerk wordt respect gevraagd en soms zelfs opgeëist. Kerkleden vinden het in toenemende mate moeilijk broeders en/of zusters aan te spreken op hun opvattingen of gedragingen. Er is een sfeer ontstaan waarin iedereen zelf moet bepalen wat hij gelooft en hoe hij zijn leven inricht. Kritiek daarop wordt steeds minder geaccepteerd. Daarmee hebben ook ambtsdragers te maken. Het feit dat ze een ambt bekleden speelt nauwelijks meer een rol in de manier waarop wordt omgegaan met wat zij – naar hun overtuiging op grond van de Schrift – naar voren brengen.

Het valt echter te vrezen dat ze dit soms zelf ook in de hand werken. Durven ze zich nog als ambtsdrager te presenteren en geloven ze nog dat het ambt hun gezag verleent? Het feit dat steeds meer predikanten zich met de voornaam laten aanspreken en laten tutoyeren wijst er niet op dat ze een sterk besef van hun ambt en het daarmee gepaard gaande gezag hebben. De nadruk op de gelijkheid tussen ambtsdragers en de ‘ambteloze burgers’ in de kerk ondermijnt het besef dat ambtsdragers met gezag bekleed zijn en dat ze daarmee principieel niet gelijk zijn aan anderen.

Het gebruik van de achternaam of de ambtstitel – zoals ‘dominee’ – en de aanspraak met u worden tegenwoordig als afstandelijk gezien. Dat lijkt me niet terecht. Afstandelijkheid zit ‘m niet in de aanspraak maar in de omgang: ook mensen die elkaar met u en met de achternaam aanspreken kunnen vriendschappelijk en zelfs vertrouwelijk met elkaar omgaan.

Een ambtsdrager mag zich tegenover de gemeente en individuele gemeenteleden niet afstandelijk gedragen. Maar dat betekent niet dat enige afstand niet gewenst is. Dat heeft niet alleen te maken met de gevaren die in een te grote vertrouwelijkheid schuilen. Een gebrek aan afstand maakt het ook moeilijk gemeenteleden te vermanen wanneer dat nodig is. Het spreekwoord zegt: “Het is een vriend die mij mijn feilen toont”. In dat geval wordt iemand aangesproken door iemand die principieel zijn gelijke is. Hij kan de kritiek aanvaarden, omdat die van een vriend afkomstig is. Hij kan ook de vriendschap op het spel zetten door de kritiek te verwerpen. Bij het optreden van een ambtsdrager ligt dit principieel anders. Een gemeentelid dient deze kritiek niet te aanvaarden omdat die van een vriend – en dus van zijn gelijke – komt, maar omdat de ambtsdrager – op grond van de van God ontvangen roeping – de taak heeft hem te vermanen. Dat vermaan moet broederlijk zijn en vanuit de Schrift geargumenteerd worden, maar mag niet vrijblijvend zijn. Daarvoor is dan wel nodig dat zijn gezag aanvaard wordt.

Er is daarom alle reden het besef van de betekenis van het ambt en het daarmee gepaard gaande gezag te herstellen. Maar dan moeten ambtsdragers – en dat geldt in het bijzonder voor predikanten – hun gezag niet laten uithollen door al te familiair te worden. Om een echte herder te zijn hoeft een predikant zich niet met zijn voornaam te laten aanspreken en zich te laten tutoyeren. U verdient eerherstel, zeker in de kerk.