Archief

Archive for juli, 2013

Nieuws als positiekeuze

Enige tijd geleden schreef ik hier dat de mens van de 21e eeuw grote waarde hecht aan keuzevrijheid. Ik voegde daaraan toe dat het leven er daardoor niet altijd gemakkelijk op wordt. Er zijn situaties waarin keuzes niet te ontlopen zijn. Dat geldt bijvoorbeeld voor de journalistiek: als een krant geen keuzes in de selectie van het nieuws zou maken, zou elke dag een enorm pak papier op de mat belanden of – voor degenen die een digitaal abonnement verkiezen – een fors document in pdf- of epub-formaat op het computerscherm verschijnen. Niemand zou de tijd hebben dat allemaal door te lezen. En hoelang zou het Journaal op de televisie wel niet duren, wanneer alles wat in de wereld of zelfs maar in Nederland gebeurt, zou moeten worden meegenomen?

Welke keuze gemaakt wordt, hangt van allerlei factoren af. Uiteraard zijn bepaalde gebeurtenissen zo belangrijk en raken ze de lezer of kijker zodanig dat ze niet genegeerd kunnen worden. Daardoor lijken op sommige dagen de voorpagina’s van kranten – of ze nu ‘links’ dan wel ‘rechts’ zijn – erg op elkaar. Maar meestal zijn er flinke verschillen. Die worden in belangrijke mate bepaald door wat een redactie denkt dat het ‘publiek’ wil weten. Dat speelt vooral een rol bij de geschreven media, die immers niet per definitie voor de gehele bevolking bedoeld zijn, maar die mensen moeten aanschaffen, via een abonnement dan wel in de losse verkoop. Daarbij speelt levensbeschouwing of ideologie een rol. Die lijken in het maatschappelijke en politieke landschap weliswaar minder zichtbaar, maar ze zijn er nog steeds. Het verbaast dan ook niet dat je in De Telegraaf in de regel andere berichten aantreft dan in De Volkskrant. Ook de ruimte die aan een bepaalde zaak wordt besteed en de manier waarop daarover wordt geschreven, loopt vaak sterk uiteen.

Christelijke kranten die hun identiteit willen hooghouden, zullen anders van inhoud zijn dan de hiervoor genoemde bladen. Een pagina als Privé zul je in het Nederlands Dagblad of het Reformatorisch Dagblad niet aantreffen. De redacties maken ook in hun dagelijkse berichtgeving keuzes. Die zijn uiteraard niet waardenvrij; ook daarin onderscheiden ze zich regelmatig van seculiere kranten. Maar ook binnen de eigen ‘klantenkring’ kunnen die keuzes op kritiek stuiten. Want de tijd dat de achterban van deze kranten ideologisch homogeen was, ligt al lang achter ons. Ik signaleerde enige tijd geleden dat in de achterban van het Reformatorisch Dagblad enig gemor ontstond, aangezien men vond dat hun krant wel erg veel aandacht besteedde aan de verkiezing van een nieuwe paus. In het Nederlands Dagblad legt de redactie van tijd tot tijd verantwoording af over gemaakte keuzes. Dat is een goede zaak, want daardoor kan worden uitgelegd waarom een bepaalde gedragslijn is gevolgd. Daarmee hoeft uiteraard niemand het eens te zijn. De redactie zal zelf ook beseffen dat anderen wellicht andere keuzes gemaakt zouden hebben, die wellicht even goed beargumenteerd zouden kunnen worden.

In het nummer van 15 juni 2013 legt Daniel Gilissen uit waarom de redactie besloot wel verslag te doen van de EO-Jongerendag en afwezig was bij de bijeenkomst die op 1 juni j.l. was georganiseerd door de redacties van de website gereformeerdekerkblijven en het tijdschrift Nader Bekeken. Hij begint met op te merken dat het eerstgenoemde evenement geen grote nieuwswaarde had. Dat geldt ook voor andere evenementen uit de achterban. Toch doet de krant er verslag van, “omdat lezers graag willen weten wat daar is gebeurd en gezegd en omdat bezoekers iets van het evenement willen herbeleven”. Dat klinkt plausibel, maar de vraag is dan wel: hoe weet men dat de lezers dat willen en van welke bijeenkomsten ze iets in de krant willen lezen? Daarbij valt nog op te merken dat voor ieder die dat wilde de EO-Jongerendag live was mee te beleven via de televisie. Men was dan niet afhankelijk van wat later – gefilterd door de oren en ogen van de aanwezige verslaggever – in de krant kwam. En hoe wist de redactie zo zeker dat de lezers niet wilden weten wat op de bijeenkomst in Bunschoten werd gezegd? De toelichting van Gilissen wordt wel heel merkwaardig wanneer hij vervolgens opmerkt dat van die bijeenkomst geen nieuws te verwachten was. Dat was in het geval van de EO-Jongerendag geen argument. Waarom in dit geval nu ineens wel?

Het ging over de Heidelbergse Catechismus – over dat thema was niets nieuws te verwachten. Misschien niet, maar het had uitstekend gepast in de uitgebreide aandacht die het Nederlands Dagblad – en dat is prijzenswaardig – aan het 450-jarige bestaan van de Catechismus had gewijd. Het ging immers om de vraag hoe we met dat geschrift 450 jaar na dato moeten en kunnen omgaan. Dat lijkt me niet geheel van actualiteitswaarde ontbloot.

Het wordt allemaal nog wat vreemder wanneer vervolgens wordt opgemerkt dat een verslag de suggestie zou kunnen wekken dat het kerkverband – bedoeld is dat van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) – bruist van verontrusting, “wat niet zo is. Het aantal bezoekers – ongeveer 175 – bevestigt dat”. Maar dat aantal was vooraf niet bekend. Bovendien, zeker een christelijke krant zou moeten weten dat het getal niet doorslaggevend is. Er wordt in kranten – ook in het Nederlands Dagblad – vaak genoeg aandacht besteed aan initiatieven of activiteiten waarbij maar weinig mensen betrokken zijn. Dat zegt op zichzelf niets over hun gewicht of invloed.

Meten is weten, zegt een bekende uitdrukking. Recent schreef een cardioloog in De Volkskrant dat deze uitspraak in de medische wetenschap beperkte geldigheid heeft. Bovendien is het maar de vraag hoe je precies meet. Zegt het aantal aanwezigen op een bijeenkomst iets over het aantal mensen dat de daar uitgedragen inzichten deelt? Hoeveel mensen bezoeken partijcongressen? Hoeveel bezoekers trekken de ‘schooldagen’ van ‘vrijgemaakten’ en christelijke gereformeerden? Valt daaruit de conclusie te trekken dat alleen maar een fractie van de achterban belangstelling heeft voor die partijen of voor de respectievelijke theologische universiteiten? Er zijn voldoende redenen te bedenken waarom mensen niet aanwezig (kunnen) zijn.

Of de GKV ‘bruisen van verontrusting’ is een kwestie van waarneming. Uit mijn eigen gemeente kan ik zo een lijst van zeker 30 leden maken die op één of meerdere punten bezwaren hebben tegen ontwikkelingen in de GKV. Dan zit je al op zo’n 10 procent van het ledenbestand. Als je dat extrapoleert naar landelijk niveau kom je op een flink aantal uit. En daarbij moet dan ook nog worden meegewogen dat de ‘verontrusten’ tot het meelevende deel van de GKV behoren. Bij de ‘randkerkelijken’ zul je ze niet vinden. Een deel van de ‘verontrusting’ is wellicht voor journalisten niet direct waarneembaar, omdat die zich op het niveau van plaatselijke gemeenten afspeelt, en dan ook nog eens in de contacten tussen gemeenteleden en kerkenraden, die uiteraard geen publiek karakter dragen. Niet lang geleden werd het boek De doorgaande revolutie van godsdienstsocioloog Gerard Dekker stevig bekritiseerd omdat zijn analyse van de ontwikkelingen in de GKV uitsluitend gebaseerd is op officiële stukken en besluiten van kerkelijke vergaderingen, maar de ontwikkelingen in de plaatselijke kerken negeert. Het Nederlands Dagblad lijkt precies dezelfde fout te maken. Van journalisten kun je niet verwachten dat ze in elke gemeente hun oor te luisteren leggen. Maar het besef dat hun kennis onvermijdelijk beperkt is, zou hun ervoor moeten behoeden al te boude conclusies te trekken.

Het antwoord op de vraag wat nieuws is en nieuwswaarde heeft, wordt uiteindelijk door een principiële positiekeuze bepaald. Door de bijeenkomst in Bunschoten te negeren en – meer nog – in het algemeen de ‘verontrusting’ in de GKV te bagatelliseren laat de redactie van het Nederlands Dagblad blijken welke positie ze in dezen inneemt. Waarvan acte.

Advertenties