Archief

Archive for november, 2016

Dominee ZZP

De arbeidsmarkt is al jaren flink in beweging. Eén van de meest opvallende verschijnselen is dat vooral degenen die voor het eerst de arbeidsmarkt betreden, nauwelijks nog kans hebben op een vaste aanstelling. Ook al wat oudere werknemers die – na ontslag bij hun werkgever – een nieuwe baan zoeken kunnen er vaak niet vanuit gaan dat ze een vast contract krijgen aangeboden. Er zit soms niets anders op dan als ZZP’er aan de slag te gaan. Als je tegenwoordig zeker wilt zijn van een vast contract kun je het beste dominee worden.

Maar ook dat moet veranderen, in elk geval als het aan ds. Gert Zomer (GKV Houten) ligt. In een artikel in het Nederlands Dagblad pleit hij ervoor dat predikanten niet meer vast aan één gemeente verbonden zijn maar flexibel op verschillende plaatsen, met hun specifieke kwaliteiten, ingezet worden. De aanleiding voor zijn pleidooi was een column van redacteur Gerard ter Horst onder de titel ‘Dominees met een vlekje’. Die schreef hij onder de indruk van een discussie op de Generale Synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken over predikanten die in hun gemeente zijn vastgelopen en daarvan zijn losgemaakt. Eerder waren in het Nederlands Dagblad trouwens al artikelen verschenen waarin gewezen werd op de pijn die zo’n proces bij alle betrokkenen – predikant, kerkenraad en gemeente – veroorzaakt. De tragiek van een losmaking wordt nog versterkt door het feit dat de losgemaakte predikant vaak nergens meer ‘aan de bak’ komt. Ook al ligt de oorzaak van de losmaking niet – of niet uitsluitend – aan hem, hij wordt toch gezien als iemand ‘met een vlekje’ en er zijn niet veel kerkenraden die het aandurven zo iemand ter beroeping aan hun gemeente voor te stellen.

Zomers motivatie is dat de discussie zich meestal concentreert op wat hij “de achterkant van het probleem” noemt: de gevolgen wanneer het mis gaat tussen predikant en gemeente. Hij wil graag “aan de voorkant van het probleem iets bijdragen. Voorkomen is immers beter dan genezen. Ik pleit ervoor om alle predikanten los te maken van hun gemeente.”

Waarom eigenlijk?

Een predikant, zegt Zomer, is voor inkomen en huisvesting meestal geheel afhankelijk van zijn gemeente. Mij ontgaat wat daarbij het probleem zou zijn. Voor wat de huisvesting betreft mogen predikanten hun handjes stijf dichtknijpen. Ze betalen geen huur en zaken als behangen en schilderen worden door de gemeente of in haar opdracht door anderen verricht. Dat zouden veel huurders ook wel willen maar die moeten zelf de handen uit de mouwen steken.

Als de predikant een huis koopt, wordt van hem verwacht dat hij dat op het grondgebied van de gemeente doet. Dat laatste lijkt me logisch en is niet in de eerste plaats de consequentie van zijn verbintenis als predikant, maar van zijn lidmaatschap van de gemeente. In de Gereformeerde Kerken is het nog altijd gebruik dat het lidmaatschap door geografische grenzen wordt bepaald, ook al wordt daarmee inmiddels op ruime schaal de hand gelicht. Het is overigens maar de vraag of het zo verstandig en gewenst is dat een predikant een huis koopt, en niet maar alleen om financiële redenen.

Zomer noemt de sociale component: de sociale contacten en activiteiten als ‘gewoon gemeentelid’. Daar ligt natuurlijk wel een probleem. Kan een predikant binnen de gemeente speciale vrienden hebben? Dat hangt ervan af hoe alle betrokkenen daarmee omgaan. Dat kan inderdaad gevoelig liggen. Maar in deze tijd van mobiliteit hoeft een predikant niet te vereenzamen wanneer hij binnen de gemeente geen vrienden heeft. Die kan hij ook elders zoeken. Moet een predikant lid worden van een ‘gemeentekring’? In mijn gemeente zijn er zulke kringen (huiskringen), maar ik heb nooit gemerkt dat er vanuit de kerkenraad of de gemeente enige druk werd uitgeoefend op de predikant om zich bij zo’n huiskring aan te sluiten. Als er gemeenten zijn waar dat wel gebeurt, zijn er goede redenen daaraan niet te voldoen. Een predikant is nu eenmaal nooit een ‘gewoon gemeentelid’. Predikant van je gemeente ben je zeven dagen per week en 24 uur per dag. (Wat uiteraard niet betekent dat hij al die tijd op afroep beschikbaar moet zijn.)

De predikant “heeft met zijn vrouw en kinderen, indien aanwezig, een voorbeeldfunctie, die hem overlevert aan de verwachtingen en denkpatronen van de gemeente.” Heeft de predikant een voorbeeldfunctie? Dat was ooit ongetwijfeld zo. Mijns inziens staat de predikant vrijwel nergens meer op een zodanig voetstuk dat hij overal zijn gezicht moet laten zien of overal het goede voorbeeld zou moeten geven. De meeste gemeenteleden zijn tegenwoordig realist genoeg om te beseffen dat een predikant ook maar een gewoon (zondig) mens is.

Zomer is van mening dat de geschetste nadelen te ondervangen zijn wanneer predikanten niet meer vast aan een gemeente verbonden zijn. Hij beroept zich daarbij op de apostel Paulus. “Van de apostel Paulus heb ik geleerd dat het voor een brenger van het goede nieuws een voorwaarde is dat hij vrij is. Paulus koos ervoor niet afhankelijk te zijn van de gemeente (1 Korintiërs 9). Hij verkondigt omdat hij niet anders kan, niet omdat hij ervoor betaald wordt. Hij doet het ook niet uit vrije wil; dan zou hij zijn hoorders afhankelijk maken van zijn grillen en grollen. De opdracht is hem toevertrouwd door Jezus zelf. Dat maakt dat hij zich volledig vrij voelt om zich aan te passen aan zijn gehoor (‘voor de Joden een Jood, voor de zwakken zwak’). Niet om dat gehoor naar de mond te praten, maar om hen te bereiken met het evangelie dat van Boven komt. Hij hoeft niet aan verwachtingen van mensen te voldoen, hij is niet van de gemeente, hij is van Jezus en wordt door Hem gestuurd.”

Dit beroep op Paulus lijkt me nogal problematisch. De predikant in onze dagen is Paulus niet. De apostel was uniek: door God hoogstpersoonlijk en direct – niet, zoals de predikanten van nu, via een gemeente – geroepen tot zijn taak. Die taak was ‘apostel van de heidenen’ te zijn. Het was niet zijn roeping aan één gemeente verbonden te zijn. Maar daarmee is niet gezegd dat zo’n verbintenis vreemd zou zijn aan de Schrift. Verschillende apostelen bleven zolang bij één bepaalde gemeente dat je zeker van een soort ‘vaste verbintenis’ kunt spreken. Wanneer Paulus naar Macedonië reist, laat hij Timotheus in Efeze achter. Als je kijkt naar de aanwijzingen die hij in 1 Timotheus geeft, is er alle reden Timotheus als ‘herder en leraar’ van die gemeente te beschouwen. Het boek Openbaringen bevat brieven aan een aantal gemeenten, die geadresseerd zijn aan de ‘engel’ van die gemeenten. Daarmee wordt naar algemene opvatting de voorganger bedoeld. Ook in dat geval hebben we dus wel degelijk te maken met een vaste verbintenis aan één specifieke gemeente.

Zomer pleit voor wat hij “een soort freelance predikant” noemt. Dat is dan iemand die met zijn specifieke kwaliteiten ingezet kan worden waar die nodig zijn, of dat nu op het gebied van de prediking, de catechisatie of het pastoraat is. Dat heeft ontegenzeglijk iets aantrekkelijks. Niemand kan overal even goed in zijn. Binnen een gemeente leven verschillende wensen als een predikant beroepen moet worden. Sommigen willen graag vooral goede en aansprekende preken. Jongeren stellen prijs op iemand die voor hen aanspreekbaar is, die open staat voor hun leefwereld. Ouderen hechten veel waarde aan pastorale zorg, zeker diegenen die niet meer regelmatig aan het gemeentelijke leven kunnen deelnemen. Het is voor een predikant onmogelijk aan alle wensen in gelijke mate te voldoen. Een specialist kan dan uitkomst bieden.

Maar daar staan niet geringe nadelen tegenover. Natuurlijk is het fijn wanneer de predikant op pastoraal gebied zijn mannetje staat en met bijvoorbeeld ouderen een goed geestelijk gesprek kan voeren. Maar zitten die ouderen op een ‘pastoraal specialist’ te wachten? Of willen ze toch vooral hun herder zien? Het is fijn voor jongeren wanneer een predikant oog en oor heeft voor hun leef- en denkwereld. Maar dan staat er iemand op de kansel die zij helemaal niet persoonlijk kennen. Zouden ze niet liever iemand op de preekstoel zien die in zijn preek ook nu en dan terugkomt op wat hij eerder – op catechisatie of in informele gesprekken – met hen heeft besproken?

Natuurlijk staat in de prediking de uitleg van de Schrift op de eerste plaats. Maar de boodschap van de Schrift moet ook worden toegepast. Ze moet concreet worden gemaakt, niet maar in algemene zin voor mensen van nu – want wie zijn dat precies? – maar voor een specifieke gemeente. Het kan nodig zijn een bepaald gedeelte van de bijbelse boodschap te belichten, omdat deze gemeente die boodschap nodig heeft. Wanneer er persoonlijke conflicten zijn, een gebrek aan aandacht voor elkaar, een gebrek aan openheid naar de samenleving of wanneer er sprake is van specifieke zonden, dan kan daaraan in de verkondiging niet voorbijgegaan worden. Daarbij komt het er op aan de juiste insteek te vinden en de juiste toon aan te slaan. Daarvoor moet de voorganger de gemeente kennen. Is dat niet het geval, dan kunnen er gemakkelijk ongelukken gebeuren. De predikant is een herder van zijn gemeente. Die term impliceert dat hij zorg aan zijn gemeente besteedt. Die zorg is zijn verantwoordelijkheid. Zonder een vaste verbintenis aan één bepaalde gemeente lossen beide in lucht op.

“Laat er landelijk of regionaal een maatschap van predikanten komen, waarin materiële zaken als inkomen, emeritaat, arbeidsomstandigheden en mobiliteit geborgd zijn. Ik daag de deskundigen op dat gebied uit hierover door te denken. Evenals over de geestelijke kant van opzicht en tucht over de predikant.” Ik laat de financiële en arbeidsrechtelijke kant van deze passage rusten; daar heb ik geen verstand van. Maar deze suggestie is in elk geval niet bruikbaar als het om opzicht en tucht gaat. Zonder vaste verbintenis lijkt me dit nogal problematisch. Alleen een kerkenraad is bevoegd tot het uitoefenen van de tucht. Dat betekent dat een predikant in actieve dienst toch op de één of andere manier aan een gemeente verbonden moet zijn. Maar dat opzicht wordt wel erg lastig wanneer het grootste deel van zijn werkzaamheden zich elders afspeelt.

Een model zoals Zomer dat in overweging geeft heeft positieve en negatieve kanten. Ik heb een aantal daarvan op een rijtje gezet. Maar het belangrijkste is nog niet genoemd. Dit model sluit in feite – ook al bedoelt Zomer dat ongetwijfeld niet zo – aan op de tegenwoordig dominante mentaliteit: we gaan met elkaar in zee voor zover en voor zolang het ons bevalt en iemand levert waaraan we behoefte hebben. Hij suggereert “een aanstelling als ‘hoofdprediker’ voor bijvoorbeeld twee jaar, die verlengd kan worden als het goed bevalt.” Is dat een criterium? Het wezen van een verbintenis tussen een predikant en een gemeente is vergelijkbaar met die tussen man en vrouw in het huwelijk: for better or for worse, in goede en slechte tijden. Het is een oefening in christelijk leven: genieten van elkaars gaven, geduld hebben met elkaars tekortkomingen.

In het economisch leven komt men er langzamerhand achter dat het werken met tijdelijke contracten en het inhuren van ZZP’ers wellicht niet zo’n goed idee is. Er is geen binding tussen werkgever en werknemer. Beide investeren niet in goede relaties, want die kunnen zomaar weer verbroken worden. Daar worden beide niet beter van. Daar zou de kerk van moeten leren. De problemen zijn reëel, maar dominee ZZP is geen panacee.

Advertenties

De secularisatie van de Amerikaanse evangelicalen

Wat maar weinig mensen verwacht hadden is dan toch gebeurd: Donald Trump is gekozen tot 45e president van de Verenigde Staten. Het was tegen alle verwachtingen in, die vooral gebaseerd waren op opiniepeilingen, maar ook op de aanname dat een kandidaat die in zoveel opzichten afwijkt van de mainstream toch nauwelijks realistische kansen zou hebben om de presidentsverkiezingen te winnen. Goed, hij had – ook tegen de verwachtingen in – de nominatie van de Republikeinse partij binnengesleept. Maar van die partij zijn we de laatste jaren wel wat gewend, als het om extremisme gaat. De kandidaten tegen wie Trump het in de voorverkiezingen moest opnemen, waren in veel opzichten weinig beter dan hij. Maar, zo was de gedachte, de Amerikaanse kiezers zullen toch wel wijzer zijn, zeker nadat de ene na de andere onthulling ernstige karakterfouten en zelfs grensoverschrijdend gedrag aan het licht brachten. Aan zo iemand zouden de Amerikanen toch in meerderheid niet het vertrouwen geven? Dat was een misrekening. Weliswaar kreeg zijn tegenstander, Hillary Clinton, een kleine meerderheid van de stemmen, maar heel indrukwekkend was het verschil niet. Dat ook aan haar wel de nodige smetjes kleefden, werd niet als een ononverkomelijk obstakel gezien, zeker ook niet door haar partij, die niet serieus naar een alternatief zocht, dat minder weerzin opwekte.

In deze weblog gaat het me vooral om een merkwaardig fenomeen dat al heel wat pennen en tongen, zowel in de Verenigde Staten als in ons land, in beweging heeft gebracht. Trump kreeg de steun van de overgrote meerderheid van zogenaamde ‘evangelische christenen’, en dan vooral het blanke deel daarvan. Want onder de Afro-Amerikaanse christenen zag het beeld er wat anders uit, hoewel ook daar nogal wat weerstand was tegen Hillary Clinton, vooral vanwege haar liberale standpunten in ethische kwesties. Nu kan het op zichzelf niet verbazen dat blanke evangelische christenen in overgrote meerderheid geneigd zijn een Republikeinse kandidaat te steunen. Dat is al decennia lang het geval. Beide grote partijen in de VS zijn ideologisch en religieus gemêleerd. Beide kennen een waaier van opvattingen, van rechts tot links. In de loop van de laatste decennia hebben beide partijen wel een ideologische wending laten zien. De Republikeinse partij wordt gedomineerd door rechts, de Democratische door links. In beide gevallen bepaalt dat het beeld dat men van deze partijen heeft.

Ook op ethisch vlak verschillen beide partijen. Tegenstanders van een vrije abortuspraktijk – om maar eens één van de heetste hangijzers te noemen – zijn in beide partijen te vinden, maar in de Republikeinse partij krijgen zij meer voet aan de grond. Daarentegen zijn er onder de Republikeinen nogal wat die op dit punt een veel liberaler standpunt innemen maar zich vanwege het economisch beleid of uit buitenlands-politieke overwegingen bij die partij thuis voelen en het overheersende anti-abortusstandpunt op de koop toe nemen.

Voor veel evangelische kiezers in de VS zijn abortus en zaken als het homohuwelijk van doorslaggevend belang, zo komt uit de media steeds naar voren. Maar juist dat roept nogal wat vragen op. Want Donald Trump heeft nooit de indruk gewekt dat dit soort zaken hoog op zijn prioriteitenlijstje staan. Hij heeft ook helemaal geen bindingen met het evangelische deel van de Republikeinse partij. Zijn uitlatingen over het christelijk geloof en de betekenis die dat voor hem heeft lieten vooral ongemak zien en konden nauwelijks overtuigen. Het zegt veel over het kennelijk gebrek aan geloofwaardige alternatieven dat men bereid bleek dit door de vingers te zien of er een bepaalde draai aan te geven waardoor Trumps uitlatingen in een gunstiger licht kwamen te staan. Dat moet ook de reden zijn geweest dat men wilde geloven dat Trump zijn beloften op ethisch terrein zou waarmaken. Of dat ook het geval is, staat bepaald niet vast. Wat dat betreft zouden de evangelicalen nog wel eens van een koude kermis thuis kunnen komen.

Was de steun voor Trump vanwege zijn achtergrond en zijn uitlatingen over het geloof al enigszins dubieus, het werd nog vreemder toen duidelijk werd dat zijn levensstijl in veel opzichten haaks staat op wat door evangelicalen als christelijk ideaal wordt uitgedragen. Kan iemand die zich herhaaldelijk heeft misdragen en blijk geeft van een gebrek aan moreel besef, met name in zijn opstelling ten opzichte van vrouwen, een geloofwaardige kandidaat van christenen zijn? Een aantal christelijke leiders en opiniemakers distantieerde zich van Trump. Sommigen deden dat al voor die onthullingen, waarbij ze ook wezen op eerdere uitlatingen ten aanzien van minderheden, zoals Afro-Amerikanen en latino’s, en religieuze minderheden, met name moslims. Anderen keerden zich van hem af als direct gevolg van de genoemde onthullingen. Maar vele evangelische leiders bleven Trump steunen.

Daarvoor zijn twee verklaringen.

De eerste is dat men de zonden van Trump weliswaar erkende, maar tegelijk het gewicht ervan bagatelliseerde. “We zijn allemaal zondige mensen”, werd gezegd, daarmee een christelijke waarheid gebruikend om het straatje van de zondaar schoon te vegen. Bovendien was niet de levensstijl, maar waren vooral de politieke ideeën van de kandidaat van belang. Daarbij schroomde men niet de bijbelse koning David als voorbeeld te gebruiken. Ook diens levensstijl was bepaald niet smetteloos maar desondanks was hij een “man naar Gods hart”. Hier valt niet alleen de inconsequentie op – politici van een andere politieke oriëntatie mogen op heel wat minder coulantie rekenen – maar ook het misbruik de Schrift voor politieke doeleinden. Ik kom daar wellicht binnenkort nog afzonderlijk op terug.

De tweede verklaring is meer politiek van aard. In het politieke denken van de Amerikaanse evangelicalen speelt het Hooggerechtshof een doorslaggevende rol. Al lange tijd scheiden zich de geesten over de interpretatie van de grondwet. Omdat die uit een andere tijd stamt, geeft die niet op alle vragen een pasklaar antwoord. Dus moeten de leden van het Hooggerechtshof – die voor het leven worden benoemd door de president, overigens na instemming van het Congres – steeds zoeken naar een zodanige interpretatie dat aan de bedoeling van de grondwet recht gedaan wordt. Hierbij staan twee lijnen tegenover elkaar. De conservatieve lijn is dat de grondwet moet worden geïnterpreteerd naar de bedoeling van de opstellers. De liberale lijn is dat rechters de bestaande maatschappelijke opvattingen moeten verdisconteren. In het eerste geval is de grondwet statisch, in het tweede geval dynamisch.

Uiteraard zijn de evangelicalen voorstander van de eerste lijn. Zij zien daarin een garantie dat christenen optimale godsdienstvrijheid behouden, die hun het recht geeft in hun persoonlijk leven en in hun beroepsuitoefening zich te distantiëren van wat door anderen – misschien zelfs de meerderheid van de bevolking – als normaal wordt beschouwd. Ook zien ze in de conservatieve interpretatie van de grondwet een middel om de legalisering van het homohuwelijk tegen te houden dan wel terug te draaien en een vrije abortuspraktijk te beteugelen. Uit uitlatingen van evangelicale leiders die Trump door dik en dun steunden, bleek steeds weer dat de personele bezetting van het Hooggerechtshof van cruciale betekenis werd geacht. Niet alleen moet Trump één van de opengevallen plaatsen bezetten, maar gezien de leeftijd van een aantal rechters is de kans groot dat hij tijdens zijn ambtstermijn nog één of meer benoemingen zal moeten doen. Daarom zien evangelicalen dit als een uitgelezen kans om voor jaren of zelfs decennia het Hooggerechtshof naar hun hand te zetten.

Dit laat zien dat de evangelicale beweging in de VS in hoge mate gepolitiseerd is. De volledige concentratie op macht en machtsuitoefening laat allerlei andere factoren naar de achtergrond verdwijnen. In feite wordt de persoonlijke ethiek van politieke ambtsdragers – in dit geval de president – geheel ondergeschikt gemaakt aan de mogelijkheid politieke macht uit te oefenen. Dit is om meerdere reden een fatale vergissing.

Alles mag dan politiek zijn, maar politiek is niet alles. Men vergist zich wanneer men denkt met machtsmiddelen maatschappelijke ontwikkelingen te kunnen keren; daarvoor is een verandering van mentaliteit nodig. Wanneer christenen het denken over ethische kwesties, zoals abortus, willen veranderen, zullen ze het maatschappelijke debat moeten aangaan. Verscherping van de abortuswetgeving is slechts te bereiken wanneer daarvoor een maatschappelijk en vervolgens ook politiek draagvlak wordt gecreëerd. Ik haal hier met instemming Anton de Wit aan, die in een column op de site van de EO schreef: “Ik vind het zelfs meer dan kwalijk dat christenen het abortusvraagstuk tot hamvraag van de verkiezingskeuze hebben gemaakt. Niet omdat abortus niet belangrijk genoeg is om politiek te zijn, maar juist omdat het te belangrijk is om politiek te zijn. De grote makke van de pro-lifebeweging is dat het abortus zo heeft gepolitiseerd. Het is bijna puur een strijd om beleidsvorming en wetgeving geworden, waar het eigenlijk een strijd om de harten van mensen zou moeten zijn. Door Trump nu als dubieuze mascotte te kiezen, heeft de pro-lifebeweging zichzelf nog verder in de hoek van de hartelozen geduwd.” De strijd tegen abortus moet dan ook onderdeel uitmaken van een breed pakket aan maatregelen, o.a. op het vlak van voorlichting en hulpverlening, zoals we dat in Nederland kennen.

Op deze wijze wordt christelijke politiek van haar geloofwaardigheid beroofd. Wie pretendeert in de samenleving op te komen voor christelijke waarden, compromitteert zichzelf, wanneer hij tegelijk iemand te vuur en te zwaard verdedigt en zelfs als een geschikte kandidaat voor het presidentschap aanprijst, die een aantal van deze waarden met voeten treedt. Het verwijt van hypocrisie is dan geheel terecht.

Het streven via machtsmiddelen de samenleving weer op het ‘rechte’ spoor te krijgen is ook kortzichtig. Op korte termijn zal men wellicht bepaalde ontwikkelingen kunnen tegenhouden, maar veel meer dan vertraging zal het niet zijn, wanneer het draagvlak ontbreekt. Eén van de oorzaken van de radicalisering van delen van de Republikeinse partij en van een deel van de kiezers is de minachting voor hun opvattingen door wat men ‘de elite’ noemt, die men vooral bij de Democratische partij zoekt. Maar het radicalisme van de Republikeinen – waarmee men de Democraten met gelijke munt terugbetaalt – zal op termijn de tegenstellingen alleen maar verder verscherpen. Dan kan eventuele winst van een Republikeins presidentschap onder een volgende president zomaar helemaal te niet worden gedaan.

De onderschikking van de ethiek aan de politiek zou je als de secularisatie van het Amerikaanse evangelicalisme kunnen beschouwen. Maar wellicht zit het probleem nog veel dieper. Want tot nu toe zijn we er hier vanuit gegaan – en dat is de overheersende mening in de media, inclusief de christelijke – dat voor Amerikaanse evangelicalen de christelijke ethiek een doorslaggevende rol speelt en hun stemgedrag bepaalt. Maar er zijn redenen daar grote vraagtekens bij te zetten.

De Amerikaanse website Christianity Today publiceerde een interessante analyse van het stemgedrag en de motieven van verschillende groepen christenen. Daaruit zijn allerlei belangwekkende gegevens te halen, zoals het feit dat een substantieel deel van de aanhang van beide presidentskandidaten zich heeft laten leiden door afkeer van de andere kandidaat. Dat speelt altijd een rol, maar bij deze verkiezingen wellicht meer dan ooit tevoren. De cijfers laten ook allerlei opvallende verschillen zien, bijvoorbeeld tussen denominaties en tussen evangelicalen van verschillende etniciteit.

Daaraan zouden allerlei interessante beschouwingen gewijd kunnen worden. Maar op dit moment wil ik me beperken tot twee aspecten. Die zouden overigens wel eens kunnen samenhangen met het uit de cijfers naar voren komende verschil tussen voorgangers en wat ik maar ‘leken’ zal noemen.

De eerste is de beoordeling van de kandidaat op de punten van geloof en persoonlijke ethiek. In 2011 antwoordde 64% van de blanke evangelicalen bevestigend op de vraag of het voor hen belangrijk was dat een presidentskandidaat een “sterk geloof” heeft; in 2016 is het percentage gedaald tot 49. Dit verklaart voor een deel dat een substantieel deel van hen Trump steunde, terwijl niet minder dan 48% van degenen die zich born again Christians noemen, van mening was dat noch Clinton noch Trump als authentic Christian kan worden beschouwd.

Ten aanzien van de persoonlijke ethiek tekent zich een vergelijkbaar patroon af. In 2011 vroeg Christianity Today of iemand die in een publiek ambt gekozen is, ethisch kan handelen terwijl hij zich in zijn persoonlijk leven immoreel heeft gedragen. Daarop gaf 30% een bevestigend antwoord; in 2016 is dat percentage gestegen tot 72 en niet minder dan 42% antwoordt dat een buitenechtelijke affaire geen verschil zou maken voor het stemgedrag.

Wijst dit op een fundamentele verandering in opvattingen in de richting van een scheiding van geloof en politiek? Of moeten we dit vooral interpreteren als een pragmatische opstelling of een poging het eigen stemgedrag te rechtvaardigen? Je kunt moeilijk zeggen dat onethisch gedrag een verhindering is een bepaalde kandidaat te steunen en dan vervolgens iemand in het Witte Huis kiezen die in onethische gedragingen grossiert.

Er is nog een statistiek die van belang is en misschien komen we dan dichter bij de kern van de zaak. De tiende vraag die Christianity Today aan de geënquêteerde evangelicalen voorlegde was, welke kwesties voor hen het zwaarste wogen. De lijst met percentages is hoogst interessant. Want wie denkt dat zaken als abortus en het homohuwelijk wel hoog zullen scoren, komt bedrogen uit. De economie scoort het hoogst, gevolgd door nationale veiligheid. Wanneer we dan naar de cijfers voor de blanke evangelicalen kijken, is de lijst nog onthullender. Bovenaan staan terrorisme, de economie en – ex aequo – immigratie en buitenlandse politiek. Deze worden gevolgd door gun policy – wat geïnterpreteerd moet worden als het recht een wapen te dragen – en benoemingen voor het Hooggerechtshof. Waar staat abortus? Op een elfde plaats – dit issue haalt net een meerderheid van 52% van de ondervraagden als ‘heel belangrijk’ bij de keuze voor een bepaalde kandidaat. Het zegt iets over de prioriteiten van blanke evangelicalen dat economie, immigratie en het recht een wapen te dragen hoger scoren dan abortus. Het zegt ook veel dat de behandeling van raciale en etnische minderheden slechts 51% scoort en het milieu een magere 34%. Veel Amerikaanse (blanke) evangelicalen lijken daarmee in de eerste plaats geïnteresseerd te zijn in het eigen (materiële) welbevinden, meer dan in de publieke moraal. Ook nationalisme speelt een belangrijke rol, zoals uit het gewicht van immigratie blijkt.

Als bezwaar tegen christelijke politiek in de VS is vaak ingebracht dat die wordt versmald tot enkele kwesties: abortus, gezin, Israël. Maar de hier aangehaalde cijfers laten zien dat de situatie veel ernstiger is. De genoemde kwesties zijn voor veel evangelicale leiders en opiniemakers – degenen die zich in de media manifesteren en ons beeld van de Amerikaanse evangelicale wereld in hoge mate bepalen – wellicht inderdaad doorslaggevend. Maar voor veel evangelicale ‘leken’ lijkt christelijke politiek niet meer dan een masker waarachter zich politieke standpunten verbergen die met het christelijk geloof weinig tot niets van doen hebben of daar zelfs haaks op staan. De gekozen vice-president Mike Pence beweerde dat hij in de eerste plaats christen was en pas dan Amerikaan. Het is niet aan mij om dat te beoordelen. Maar wie naar de cijfers kijkt kan niet anders dan concluderen dat veel Amerikaanse evangelicalen eerst Amerikaan zijn en pas dan christen. Het valt overigens te vrezen – en dat is misschien nog erger – dat velen daartussen geen verschil zien en die met elkaar vereenzelvigen.

Op grond van de hier gereleveerde gegevens lijkt me de conclusie gewettigd dat een substantieel deel van de Amerikaanse evangelicalen – en dan vooral het blanke deel daarvan – in sterke mate geseculariseerd is. Dat de VS een in hoge mate door het christendom gestempelde samenleving zou zijn, krijgt steeds meer de trekken van een mythe.
De te pas en te onpas gebruikte wens “God bless America” verandert daar niets aan.