Niets anders dan recht doen

In de aanloop naar de verkiezingen voor de Tweede Kamer worden de verkiezingsprogramma’s nagevlooid. Ze worden vanuit allerlei verschillende invalshoeken bekeken, bijvoorbeeld de economie, het beleid ten aanzien van de pensioenen of de opvattingen over de zorg. Daar komen interessante lijstjes uit. Kortgeleden werd ook een onderzoek gepubliceerd vanuit de vraag hoe de verschillende partijen met de rechtsstaat omgaan. Worden er voorstellen gedaan die een inbreuk maken op de rechtsstaat of staan in de verkiezingsprogramma’s plannen om die rechtsstaat te versterken? Het beeld was niet verheffend. Vrijwel alle partijen doen voorstellen die de rechtsstaat in meerdere of mindere mate verzwakken. Eén partij sprong er positief uit. De Christenunie doet geen enkel voorstel dat de rechtsstaat aantast, maar komt daarentegen met verschillende voorstellen die deze juist sterker maken.

De Christenunie is trots op deze uitkomst en met recht. Het gaat hier bepaald niet om een bijzaak, al zullen veel christelijke kiezers andere onderwerpen belangrijker vinden. Mijns inziens is er alle reden de bescherming van de rechtsstaat als een kerntaak van christelijke politiek te beschouwen.

Wat is precies een rechtsstaat? Op de site van Prodemos vinden we deze definitie: “Een rechtsstaat is een staat waarin vrijheid, rechtszekerheid en rechtsgelijkheid voor de burger heel belangrijk zijn. Bovendien geniet de burger bescherming van zijn rechten en vrijheden, tegen medeburgers én tegen de overheid.” Verschillende elementen zijn essentieel voor de rechtsstaat. Het eerste is dat het recht het hoogste gezag heeft. “In het woordenboek wordt de rechtsstaat omschreven als een ‘staat die het recht als hoogste gezag handhaaft’. De rechter bepaalt of iemand zich aan de wet heeft gehouden of niet. Als iemand de wet heeft overtreden, dan kan de rechter een straf en/of een verbod opleggen.” Vervolgens gaat het om vrijheden en grondrechten: “In een rechtsstaat wordt de macht van de overheid beperkt door wetten, regels en gewoonten. De inwoners van die staat hebben fundamentele vrijheden en grondrechten.” De burger wordt beschermd tegen machtsmisbruik: “Het doel van de rechtsstaat is om de burgers te beschermen tegen machtsmisbruik van de overheid. Ook de overheid moet zich aan de wet houden en mag dus de vrijheden en rechten van de burgers niet zomaar beperken of afpakken.”

Vervolgens worden de vier belangrijkste onderdelen van de rechtsstaat opgesomd: grondrechten, scheiding van de machten, legaliteitsbeginsel en onafhankelijke rechtspraak. Die worden vervolgens nader uitgewerkt. Wie daarover meer wil weten, kan op de desbetreffende site terecht. Mij gaat het hier nu om de vraag waarom de verdediging van de rechtsstaat voor een christelijke politieke partij een kernpunt zou moeten zijn.

Je kunt dit beargumenteren vanuit eigenbelang. Veel christenen zullen er op die manier tegenaan kijken. Juist minderheden hebben veel profijt van de rechtsstaat, omdat die hun rechten en vrijheden garandeert die het gevaar lopen aangetast te worden wanneer een anders-godsdienstige of seculiere meerderheid die maar lastig of onzinnig vindt. Het wordt al wat anders wanneer hun er op gewezen wordt dat diezelfde vrijheden dan ook aan andere (godsdienstige) minderheden toekomen. Daarvoor krijgt een christelijk politicus wat minder handen op elkaar. Toch is dit een direct uitvloeisel van wat Jezus zijn leerlingen voorhoudt: behandel anderen zo als je zelf behandeld wilt worden. Dat is dus positief geformuleerd en niet vanuit zelfbehoud, in de zin van: wat u niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook anderen niet.

Maar christelijke politiek gaat niet over belangen van een bepaalde groep burgers. Een christelijke partij is geen belangenpartij of zou dat in elk geval niet moeten zijn. Christelijke politiek streeft naar het goede voor alle mensen. Dat is in overeenstemming met de boodschap die de profeet Jeremia aan het Joodse volk in Babylonische ballingschap voorhield. Wie zich realiseert dat christenen zich in een vergelijkbare situatie bevinden – zij het in overdrachtelijke zin – kan hieraan de motivatie ontlenen om een beleid te ontwikkelen met het oog op de hele samenleving. Niet voor niets noemde het voormalige GPV – één van de partijen die opging in de Christenunie – haar politiek ‘nationaal christelijk’. Dat had niets met nationalisme te maken, maar daarmee wilde die partij duidelijk maken dat ze het belang van de gehele bevolking op het oog had.

De bescherming en verdediging van de rechtsstaat moet daarom uitgaan boven het eigenbelang. Er zijn goede principiële argumenten aan te voeren voor de stelling dat dit een centraal element van christelijke politiek moet zijn. Rechtvaardigheid, gerechtigheid, recht doen – die begrippen vormen een rode draad door het Oude Testament. Vooral in het optreden van de profeten komt dit herhaaldelijk naar voren. Eén van de bekendste teksten is Micha 6,8: “Er is jou, mens, gezegd wat goed is, je weet wat de HEER van je wil: niets anders dan recht te doen, trouw te betrachten en nederig de weg te gaan van je God”. Deze tekst wordt vaak gebruikt om te pleiten voor een rechtvaardiger verdeling van de welvaart in de wereld. De zogenaamde Micha-campagne heeft om die reden zijn naam met deze profeet gesierd. Maar het belang van deze tekst reikt verder. Je zou deze tekst als een oudtestamentische samenvatting van de Tien Geboden kunnen beschouwen.

Als we het over rechtvaardigheid hebben gaat het niet maar alleen om economische en sociale rechtvaardigheid. Micha spreekt over “recht doen”: dat heeft alles met de inrichting van de staat en de samenleving te maken. Recht doen betekent ervoor zorgen dat iedere burger letterlijk tot zijn recht kan komen, dat wil ook zeggen: zijn recht kan halen. In de zogenaamde mozaïsche wetgeving – de wetten en regels die Mozes namens God voorhoudt als kenmerken van het goede leven – vinden we allerlei concrete aanwijzingen hoe elk mens recht gedaan moet worden. Mozes vermaant het volk in de rechtspraak de rijke niet naar de ogen te zien en de arme niet voor te trekken. Dat kan worden vertaald naar één van de principes van de rechtsstaat: iedere burger is gelijk voor de wet. Dat raakt in de eerste plaats de manier waarop recht gesproken wordt, maar ook de toegang tot het recht. Heel concreet betekent dit dat geen financiële belemmeringen mogen worden opgeworpen die tot gevolg hebben dat wie over onvoldoende financiële middelen beschikt, niet dezelfde juridische mogelijkheden heeft als wie wat beter in de slappe was zit.

Er zit nog een kant aan. Rechten en vrijheden gelden in gelijke mate voor alle burgers. Grondrechten, zoals de vrijheid van godsdienst – inclusief de vrijheid daaraan publiek uiting te geven – en de vrijheid van onderwijs zijn niet tot bepaalde groepen in de samenleving beperkt. Wie deze vrijheden voor christenen verdedigt kan niet tegelijkertijd ervoor pleiten die aan andere minderheden, zoals moslims, te onthouden. Vanuit dit principe is er ook geen reden van immigranten die de Nederlandse nationaliteit willen ontvangen, te verlangen een participatieverklaring te ondertekenen terwijl geboren Nederlanders daarvan gevrijwaard blijven.

De zojuist genoemde aspecten betreffen vooral de grondrechten. Wie de politieke en maatschappelijke discussies van de laatste jaren heeft gevolgd, zal weten dat deze nogal onder druk staan. Maar ook een ander substantieel element van de rechtsstaat wordt bedreigd: de onafhankelijke rechtspraak. Politici reageren op hun politiek onwelgevallige rechterlijke uitspraken door de onafhankelijkheid van de rechters ter discussie te stellen. Daarmee wordt maar niet de positie van specifieke rechters ondergraven, maar het fundament van de rechtsstaat. Juist in een sterk verdeelde samenleving zou de onafhankelijke rechtspraak een bindmiddel moeten zijn. Wanneer (belangen)conflicten ontstaan, kan een beroep op de rechter gedaan worden om recht te spreken volgens de normen die de wet daarvoor aanreikt. Doordat wetten door een democratisch gekozen parlement zijn vastgesteld, bezitten ze legitimiteit. Natuurlijk valt niet uit te sluiten dat rechterlijke uitspraken door de politieke opvattingen van rechters gekleurd worden. Maar onze rechtsstaat kent allerlei mogelijkheden van beroep, waardoor eventuele eenzijdigheden kunnen worden gecorrigeerd. Het is dus van groot belang dat de mogelijkheden tot een beroep op hogere rechters niet wordt beperkt. Van even groot belang is dat de burger die zich tekort gedaan voelt, een beroep op bovennationale organen kan doen, die toetsen of wetten de rechten van individuele burgers of groepen van burgers niet aantasten. Dat is een belangrijke verdedigingslinie tegen de aantasting van bijvoorbeeld de godsdienstvrijheid.

Ieder mens is een schepsel van God. Daarin ligt de uiteindelijke motivatie om aan hem of haar recht te doen. Recht is meer dan politiek; het is ook ethiek. In het recht doen aan alle mensen komt tot uiting of we nederig de weg van onze God willen gaan.

Advertenties
%d bloggers liken dit: