Archief

Archive for the ‘Uncategorized’ Category

Spiritueel tekort

Zoals elk jaar kwamen tijdens de Pinksterdagen duizenden christenen bij elkaar in Biddinghuizen, tijdens de conferentie die simpel ‘Opwekking’ heet. Juist die regelmaat, niet alleen wat het tijdstip betreft, maar ook in karakter en inhoud, behoort tot de aantrekkingskracht van deze manifestatie, zoals Gerard ter Horst in het Nederlands Dagblad schreef. Dat is opmerkelijk, want regelmaat en voorspelbaarheid worden vaak, vooral door jongeren, als bezwaar tegen kerkdiensten in reformatorische kerken ingebracht. De conferentie lijdt er echter allerminst onder, want terwijl kerkdiensten steeds minder bezocht worden, trok Opwekking dit jaar zo’n 75.000 bezoekers.

Of die er allemaal komen om geestelijk opgeladen te worden, is de vraag. Ook gezelligheid zal een rol spelen. “Verder telt mee dat juist de grootschaligheid extra mensen trekt: zoveel christenen bij elkaar wordt als bemoedigend ervaren, in een land waar ze een minderheid geworden zijn. Voor wie het gevoel heeft er in het werk, de buurt of zelfs in de kerk alleen voor te staan, is Opwekking als balsem voor de ziel”, schrijft Ter Horst. Desondanks lijdt het geen twijfel dat veel bezoekers komen om ‘bij te tanken’, zoals dat wel genoemd wordt. Dat geldt vooral voor die bezoekers die niet behoren tot een evangelische gemeente, maar eerder uit de ‘traditionele’ gereformeerde hoek komen. Kennelijk missen ze in hun eigen kerk of gemeente iets. Maar wat precies?

In de verschillende analyses die ik recent gelezen heb, wordt dat niet echt duidelijk. Ter Horst schrijft: “De theologische ligging van Opwekking, met haar sterke en expliciete nadruk op het (bijzondere) werk van de Heilige Geest verschilt nogal met die van een doorsnee protestantse kerk. Nu Opwekking doorgroeit, geeft dat te denken. Zeker, in veel kerken bestaat – op papier – een uitgebalanceerde visie op het werk van de Geest. Maar het lijkt wel of veel dominees die visie niet goed over het voetlicht krijgen, of te veel in het theoretische blijven steken. Dat steekt dan schril af bij de geloof-in-actie-aanpak van Opwekking.” De analyse van het verschil tussen Opwekking en ‘doorsnee’ protestantse kerken is correct, maar wat het dan in die laatstgenoemde kerken precies ontbreekt, komt niet uit de verf.

Onderweg, een kerkelijk magazine dat in de GKV en de NGK verschijnt, heeft er een themanummer aan gewijd. Twee bijdragen zijn ook voor niet-abonnees digitaal beschikbaar. Eén ervan is een interview met het predikantenechtpaar Dick en Jeannette Westerkamp (NGK, Houten). Ze brachten de charismatische beweging New Wine naar Nederland en zitten dus qua ligging dicht tegen Opwekking aan. Hun wordt gevraagd: “Wat brengt dit soort buitenkerkelijke spirituele evenementen christenen wat ze in hun eigen kerk kennelijk niet vinden?” Jeannette zegt daarop: “Mensen komen om er een weekje tussenuit te zijn, om spiritueel bij te tanken, om seminars te bezoeken, om te aanbidden. Veel mensen zien we elk jaar weer, omdat hun kinderen zo genoten hebben in de kinderprogramma’s.” Daarmee zegt ze niets nieuws. Het is geen inhoudelijk antwoord en dat krijgen we ook in de rest van het interview eigenlijk niet. Ze ventileren wel hun eigen ideeën, maar of die datgene vertegenwoordigen waarnaar de bezoekers op zoek zijn, is de vraag.

De tweede voor niet-abonnees toegankelijke bijdrage is van de hand van ds. Maarten van Loon (GKV Dalfsen-Oost). Boven zijn artikel staat als titel: “Er is binnen onze traditie een spiritueel tekort ontstaan.” Wie nu een beschrijving verwacht van dat tekort, komt bedrogen uit. “Ik merk dat ik nog niet helemaal kan aanwijzen wat het spirituele tekort precies is, laat staan dat ik een oplossing kan geven.” Hij duidt wel van alles aan, maar heel concreet wordt het niet. Dat is natuurlijk wel een probleem, wanneer je van mening bent dat één van de redenen waarom Opwekking gereformeerden aanspreekt, een tekort van hun eigen kerk is. Als dat zo is, moet de kerk ernstig bij zichzelf te rade gaan. Maar dan moet eerst duidelijk worden wat er precies ontbreekt. En vervolgens moet dan de vraag aan de orde komen of de kerk wel kan en mag ‘leveren’ wat verlangd wordt. ‘U vraagt en wij draaien’ kan immers nooit het uitgangspunt van de kerk zijn.

Als ik Van Loon goed begrijp gaat het vooral om een gebrek aan beleving. Hij wijst erop dat gereformeerden – en daarbij doelt hij ongetwijfeld in de eerste plaats op leden van zijn eigen kerkverband en wellicht ook die van de NGK – niet alleen compensatie zoeken bij Opwekking, maar ook in de Christelijke Gereformeerde Kerken, die op z’n minst voor een deel in de traditie van de bevindelijkheid staan. Of het daarbij om dezelfde mensen gaat, is overigens nog maar de vraag, want wie positief staat tegenover gebedsgenezing heeft in de CGK niet veel te zoeken, terwijl dat nu juist tot de kern van de evangelische theologie behoort.

Van Loon stelt verstand tegenover gevoel. “Het objectieve van het heil wordt echter niet subjectief beleefd. Hart en ziel blijven er te veel buiten. De op zich begrijpelijke angst voor het subjectivisme leidde er binnen de vrijgemaakte traditie toe dat geloven synoniem werd aan het aanvaarden van een set waarheden en het innemen van de juiste standpunten. We redeneren veel, praten veel en gebruiken veel woorden. Zelfs als er iets bijzonders te vieren valt, gebruiken we eerst ellenlange formulieren. Geloof zat en zit te veel in ons hoofd. Met alle gevolgen van dien.”

Hier passen twee kanttekeningen. De eerste is dat dit nog steeds weinig concreet is. Bovendien moet de vraag gesteld worden of je beleving eigenlijk wel kunt ‘organiseren’. Of het geloof iets van ‘hart en ziel’ wordt, ligt uiteindelijk aan de gelovigen zelf. Maar daarnaast wordt hier een hele kerk op een bepaalde manier getypeerd, die haar geen recht doet. Het zal best waar zijn dat er gereformeerden zijn of waren voor wie geloven vooral bestaat (bestond) uit het aanvaarden van waarheden. Maar dit kan niet de gereformeerden worden aangewreven: daarmee wordt heel veel mensen onrecht aangedaan. Net als in de samenleving als geheel zijn er ook onder gereformeerden meer rationeel en meer emotioneel ingestelde mensen. Dat is geen gebrek, maar een heel normaal verschijnsel: geen twee karakters zijn gelijk. Het feit dat mensen weinig of geen uiting geven aan hun gevoel, wil niet zeggen dat ze dat niet hebben. Er bestaat ook geen plicht tot geestelijke extravertie. En het gebruik van formulieren sluit de beleving helemaal niet uit. Ook in bevindelijke kerkgenootschappen worden formulieren gebruikt.

We zouden hier een punt kunnen zetten. Eerst moet maar eens duidelijk worden wat voor leden van reformatorische kerken nu precies de meerwaarde van Opwekking is, voordat we gaan nadenken over de vraag wat de kerken hier mee zouden moeten of kunnen doen. Maar dat is een beetje gemakzuchtig. Wellicht kunnen we toch wel wat motieven distilleren uit wat in over dit onderwerp gezegd en geschreven is, waarbij in rekening gebracht moet worden dat de motieven van bezoekers heel verschillend kunnen zijn.

In zijn al eerder aangehaalde analyse geeft Gerard ter Horst een paar motieven. Ik noemde al het element van het getal: het met zovelen samen zijn is bemoedigend, zeker als je zelf kleine groepen gewend bent. Hij wijst er ook op dat muziek een belangrijk element op de conferentie is – trouwens, sowieso in de evangelische wereld. Het gaat dan vooral om een specifiek genre, bekend als ‘aanbiddingsmuziek’. Daarnaast noemt hij het feit dat de conferentie interkerkelijk is: “kerkmuren doen er nauwelijks toe”.

Daarmee noemt hij enkele factoren waarin de conferentie – en in het algemeen de evangelische beweging – zich onderscheidt van de ‘traditionele’ kerken. Die factoren maken ook direct duidelijk dat het veel te simpel is te zeggen, zoals de kop boven het interview met het echtpaar Westerkamp luidt, “Als de kerk deed wat ze moest doen, was New Wine niet nodig”. Voor wat het onderwerp van deze weblog betreft, zou men dat zo kunnen vertalen: als gereformeerde kerken deden wat ze moesten doen, hoefden de leden van die kerken niet naar Opwekking te gaan.

De muziek was traditioneel een punt van verschil, maar is dat inmiddels in veel mindere mate. In veel kerken heeft het evangelische liedrepertoire zijn intrede gedaan en in kerkdiensten van gereformeerde kerken worden soms meer Opwekkingsliederen dan psalmen gezongen. De rol van de muziek en de inbedding in de diensten zal nog wel verschillen, maar het is de vraag of dat essentieel is. Het is uiteraard mogelijk dat op Opwekking ook liederen gezongen worden, die in een gereformeerde kerkdienst niet of niet zo gauw zullen worden aangeheven. Dat kan heel goed een inhoudelijke reden hebben. Maar juist dan komen we een principieel verschil tussen Opwekking en gereformeerde kerken op het spoor. In de gereformeerde traditie wordt de inhoud van liederen getoetst aan de leer van de kerk. Bij de invoering van het Liedboek voor de Kerken in de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) bijvoorbeeld, is de inhoud van de bundel getoetst op Schriftgetrouwheid en verenigbaarheid met de belijdenis van de kerk.

Daar ligt de verbinding met een ander punt dat Ter Horst noemt: interkerkelijkheid. Die term is als zodanig onnauwkeurig, want ze suggereert dat bij Opwekking sprake is van een activiteit van verschillende kerken. Dat is niet het geval. Je zou beter kunnen zeggen dat Opwekking los staat van elke kerkelijke binding. Dat brengt mee dat ze ook los staat van elke kerkelijke inbedding en dus van elke geloofstraditie. “Kerkmuren doen er nauwelijks toe”, schrijft Ter Horst. Dat impliceert dat wat kerken scheidt – verschillen in geloofsleer, die voor een belangrijk deel het gevolg zijn van een verschillende manier van lezen van en omgang met de bijbel – ook geen rol speelt.

Voor beide hier genoemde aspecten geldt dat een gereformeerde kerk niet kan doen en niet mag doen wat Opwekking aanbiedt. Wanneer ze haar grondslag – de Schrift en de daarop gefundeerde belijdenis – serieus neemt, kan ze niet die elementen van Opwekking overnemen, die daarmee niet te verenigen zijn.

Die kritische instelling ontbreekt in het interview met het echtpaar Westerkamp. Daarbij vallen twee dingen op. Ze redeneren vrijwel geheel vanuit de behoeften van jongeren. Natuurlijk zijn die voor de kerk belangrijk, maar de gemeenschap van de heiligen bestaat uit mensen van allerlei leeftijden. Op Opwekking zullen de meeste bezoekers inderdaad behoren tot wat we ‘jongeren’ noemen, maar er zijn daar ook ouderen. Die komen nauwelijks in beeld. Het tweede opvallende aspect van het interview is dat de cultuur van onze tijd als uitgangspunt wordt genomen, zonder dat die aan fundamentele kritiek wordt onderworpen. “We hebben zelf meegemaakt dat jongeren van onze gereformeerde kerk gedoopt werden op een festival, terwijl ze als kind al bij ons gedoopt waren. Ze hadden een geweldige ervaring met God gehad en lieten zich daar ter plekke dopen. Wij vonden dat lastig.” Het woord ‘lastig’ is in dit verband meer dan een understatement; hier is alle reden voor een principiële stellingname ten aanzien van de visie op de doop in evangelische kring en op het verschijnsel van ‘overdopen’ en de relatie tussen dit verschijnsel en het kerklidmaatschap. Maar die blijft achterwege.

Nog een veelzeggend voorbeeld. “Het zou wenselijk zijn dat communitygevoel van buitenkerkelijke evenementen te integreren in de eigen gemeente. Laatst las ik dat de kerken uit het Nieuwe Testament uit maximaal zeventig personen bestonden. Gemeenteleden zou daarom ook eens per maand samen naar de kerk kunnen gaan, zoals men in het Bijbelse Israël naar de tempel ging, en op de andere zondagen iets anders kunnen doen, in kleine groepen, met mensen die goed bij je passen.” Daarmee sluit Jeannette Westerkamp zich aan bij wat een dominante trek is van het moderne christendom: je kiest een kerk of de gelovigen die bij je passen. Wordt daarmee niet de eigen behoefte in het centrum geplaatst? Is dit iets anders dan een christelijk klinkende variant van wat een kenmerk is van onze cultuur: het gaat om jou en jij bent het middelpunt van je eigen universum?

Ik wees er al op dat gebedsgenezing één van de wezenskenmerken van de evangelische beweging is. Behoort dit tot wat leden van traditionele gereformeerde kerken bij Opwekking zoeken? Daar ben ik niet zeker van. Ik heb niet de indruk dat dit element van het evangelische denken onder gereformeerden veel weerklank vindt. Van Loon noemt het in zijn artikel helemaal niet. Ik wees er al op dat hij de ‘zoekers’ zowel naar Opwekking als naar de CGK ziet gaan. Wellicht nemen degenen die naar Opwekking gaan de praktijk van gebedsgenezing op de koop toe. Dat wil niet zeggen dat het geen aandacht verdient, want gebedsgenezing speelt op de conferentie een belangrijke rol en daardoor kan het toch weerklank vinden bij bezoekende gereformeerden. Hopelijk hebben die, mede vanuit hun eigen traditie, toch wel oog voor de voetangels en klemmen die hier liggen.

In zijn analyse wijst Ter Horst de gebedsgenezing zelfs als “open zenuw” aan. “Er zijn inmiddels grote groepen christenen die geloven dat God ook nu nog (grote) wonderen doet. Toch roept deze gang van zaken vragen op. Worden alleen succesvolle genezingen getoond? Mag je ook genezen van innerlijke pijn, en is dat dan ook meet- en zichtbaar? En als je rugklachten had, maar niet ging staan, is dat dan een vorm van ongeloof? Waar is het besef dat een wonder eerder een teken is dan een ‘eind goed, al goed’-oplossing? En wat als je wel ging staan, maar niet genas?” Hij wijst erop dat de praktijk van gebedsgenezing op Opwekking “met pastorale ongelukken is omgeven”. Het is terecht daarbij de vinger te leggen, maar we mogen niet over het hoofd zien dat we hier te maken hebben met een principieel verschil tussen de evangelische en de gereformeerde geloofsleer. In het kader van dit artikel ga ik daarop nu verder niet in.

Tussen de analyses van Van Loon en het echtpaar Westerkamp zitten belangrijke en principiële verschillen. Jeannette Westerkamp zegt in het interview: “Laatst sprak ik een vriend die zei: we leven in een beeldcultuur, waarin mensen iets moeten zien om het te kunnen geloven. Maar ook een cultuur waarin iets goed moet voelen om waar te zijn. Je hebt dus een andere manier van evangelieverkondiging nodig, eentje die hierbij past.” Dit laat opnieuw zien hoe de Westerkamps de huidige cultuur kritiekloos tegemoet treden. Want dit heeft belangrijke consequenties. Iets moeten zien om het te kunnen geloven – was dat niet het probleem dat Thomas had? In feite bevestigt dit de analyse van Matthijs Vlaardingerbroek, die ik in mijn vorige weblog aanhaalde, naar aanleiding van de nadruk op gebedsgenezing in evangelische kring, waartoe hij zelf behoort: “Als Nederlandse christenen lijken wij onbewust te smachten naar keiharde bewijzen van Gods bestaan en zijn kracht. Doen wij dit wellicht om onszelf houvast te geven?” Niet zien en toch geloven: dat is wat de geloofsgetuigen in Hebreeën 11 met elkaar verbindt. Het behoort tot de kern van het spreken van de Schrift.

Van Loon houdt staande dat er niets mis is met de gereformeerde geloofsleer. “Het spirituele tegoed in onze kerken bestaat vooral uit het sterke besef dat de zekerheid van het geloof iets buiten mijzelf is. Het is Gods initiatief en Hij is trouw. Daardoor word ik niet teruggeworpen op mezelf. Die sterke nadruk op de objectiviteit van het heil vind ik een prachtig tegoed. (…) Veel van wat ik bij mezelf en in mijn traditie mis, is niet te wijten aan een lacune in de gereformeerde leer, maar aan het gevolg van het niet te gelde maken van elementen die al lang en breed benoemd zijn.”

Om een antwoord te zoeken op de vraag of, en zo ja, in welke zin er sprake is van een ‘spiritueel tekort’ op het gereformeerde erf, lijkt me dit een gezond uitgangspunt.

Advertenties

Niets anders dan recht doen

In de aanloop naar de verkiezingen voor de Tweede Kamer worden de verkiezingsprogramma’s nagevlooid. Ze worden vanuit allerlei verschillende invalshoeken bekeken, bijvoorbeeld de economie, het beleid ten aanzien van de pensioenen of de opvattingen over de zorg. Daar komen interessante lijstjes uit. Kortgeleden werd ook een onderzoek gepubliceerd vanuit de vraag hoe de verschillende partijen met de rechtsstaat omgaan. Worden er voorstellen gedaan die een inbreuk maken op de rechtsstaat of staan in de verkiezingsprogramma’s plannen om die rechtsstaat te versterken? Het beeld was niet verheffend. Vrijwel alle partijen doen voorstellen die de rechtsstaat in meerdere of mindere mate verzwakken. Eén partij sprong er positief uit. De Christenunie doet geen enkel voorstel dat de rechtsstaat aantast, maar komt daarentegen met verschillende voorstellen die deze juist sterker maken.

De Christenunie is trots op deze uitkomst en met recht. Het gaat hier bepaald niet om een bijzaak, al zullen veel christelijke kiezers andere onderwerpen belangrijker vinden. Mijns inziens is er alle reden de bescherming van de rechtsstaat als een kerntaak van christelijke politiek te beschouwen.

Wat is precies een rechtsstaat? Op de site van Prodemos vinden we deze definitie: “Een rechtsstaat is een staat waarin vrijheid, rechtszekerheid en rechtsgelijkheid voor de burger heel belangrijk zijn. Bovendien geniet de burger bescherming van zijn rechten en vrijheden, tegen medeburgers én tegen de overheid.” Verschillende elementen zijn essentieel voor de rechtsstaat. Het eerste is dat het recht het hoogste gezag heeft. “In het woordenboek wordt de rechtsstaat omschreven als een ‘staat die het recht als hoogste gezag handhaaft’. De rechter bepaalt of iemand zich aan de wet heeft gehouden of niet. Als iemand de wet heeft overtreden, dan kan de rechter een straf en/of een verbod opleggen.” Vervolgens gaat het om vrijheden en grondrechten: “In een rechtsstaat wordt de macht van de overheid beperkt door wetten, regels en gewoonten. De inwoners van die staat hebben fundamentele vrijheden en grondrechten.” De burger wordt beschermd tegen machtsmisbruik: “Het doel van de rechtsstaat is om de burgers te beschermen tegen machtsmisbruik van de overheid. Ook de overheid moet zich aan de wet houden en mag dus de vrijheden en rechten van de burgers niet zomaar beperken of afpakken.”

Vervolgens worden de vier belangrijkste onderdelen van de rechtsstaat opgesomd: grondrechten, scheiding van de machten, legaliteitsbeginsel en onafhankelijke rechtspraak. Die worden vervolgens nader uitgewerkt. Wie daarover meer wil weten, kan op de desbetreffende site terecht. Mij gaat het hier nu om de vraag waarom de verdediging van de rechtsstaat voor een christelijke politieke partij een kernpunt zou moeten zijn.

Je kunt dit beargumenteren vanuit eigenbelang. Veel christenen zullen er op die manier tegenaan kijken. Juist minderheden hebben veel profijt van de rechtsstaat, omdat die hun rechten en vrijheden garandeert die het gevaar lopen aangetast te worden wanneer een anders-godsdienstige of seculiere meerderheid die maar lastig of onzinnig vindt. Het wordt al wat anders wanneer hun er op gewezen wordt dat diezelfde vrijheden dan ook aan andere (godsdienstige) minderheden toekomen. Daarvoor krijgt een christelijk politicus wat minder handen op elkaar. Toch is dit een direct uitvloeisel van wat Jezus zijn leerlingen voorhoudt: behandel anderen zo als je zelf behandeld wilt worden. Dat is dus positief geformuleerd en niet vanuit zelfbehoud, in de zin van: wat u niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook anderen niet.

Maar christelijke politiek gaat niet over belangen van een bepaalde groep burgers. Een christelijke partij is geen belangenpartij of zou dat in elk geval niet moeten zijn. Christelijke politiek streeft naar het goede voor alle mensen. Dat is in overeenstemming met de boodschap die de profeet Jeremia aan het Joodse volk in Babylonische ballingschap voorhield. Wie zich realiseert dat christenen zich in een vergelijkbare situatie bevinden – zij het in overdrachtelijke zin – kan hieraan de motivatie ontlenen om een beleid te ontwikkelen met het oog op de hele samenleving. Niet voor niets noemde het voormalige GPV – één van de partijen die opging in de Christenunie – haar politiek ‘nationaal gereformeerd’. Dat had niets met nationalisme te maken, maar daarmee wilde die partij duidelijk maken dat ze het belang van de gehele bevolking op het oog had.

De bescherming en verdediging van de rechtsstaat moet daarom uitgaan boven het eigenbelang. Er zijn goede principiële argumenten aan te voeren voor de stelling dat dit een centraal element van christelijke politiek moet zijn. Rechtvaardigheid, gerechtigheid, recht doen – die begrippen vormen een rode draad door het Oude Testament. Vooral in het optreden van de profeten komt dit herhaaldelijk naar voren. Eén van de bekendste teksten is Micha 6,8: “Er is jou, mens, gezegd wat goed is, je weet wat de HEER van je wil: niets anders dan recht te doen, trouw te betrachten en nederig de weg te gaan van je God”. Deze tekst wordt vaak gebruikt om te pleiten voor een rechtvaardiger verdeling van de welvaart in de wereld. De zogenaamde Micha-campagne heeft om die reden zijn naam met deze profeet gesierd. Maar het belang van deze tekst reikt verder. Je zou deze tekst als een oudtestamentische samenvatting van de Tien Geboden kunnen beschouwen.

Als we het over rechtvaardigheid hebben gaat het niet maar alleen om economische en sociale rechtvaardigheid. Micha spreekt over “recht doen”: dat heeft alles met de inrichting van de staat en de samenleving te maken. Recht doen betekent ervoor zorgen dat iedere burger letterlijk tot zijn recht kan komen, dat wil ook zeggen: zijn recht kan halen. In de zogenaamde mozaïsche wetgeving – de wetten en regels die Mozes namens God voorhoudt als kenmerken van het goede leven – vinden we allerlei concrete aanwijzingen hoe elk mens recht gedaan moet worden. Mozes vermaant het volk in de rechtspraak de rijke niet naar de ogen te zien en de arme niet voor te trekken. Dat kan worden vertaald naar één van de principes van de rechtsstaat: iedere burger is gelijk voor de wet. Dat raakt in de eerste plaats de manier waarop recht gesproken wordt, maar ook de toegang tot het recht. Heel concreet betekent dit dat geen financiële belemmeringen mogen worden opgeworpen die tot gevolg hebben dat wie over onvoldoende financiële middelen beschikt, niet dezelfde juridische mogelijkheden heeft als wie wat beter in de slappe was zit.

Er zit nog een kant aan. Rechten en vrijheden gelden in gelijke mate voor alle burgers. Grondrechten, zoals de vrijheid van godsdienst – inclusief de vrijheid daaraan publiek uiting te geven – en de vrijheid van onderwijs zijn niet tot bepaalde groepen in de samenleving beperkt. Wie deze vrijheden voor christenen verdedigt kan niet tegelijkertijd ervoor pleiten die aan andere minderheden, zoals moslims, te onthouden. Vanuit dit principe is er ook geen reden van immigranten die de Nederlandse nationaliteit willen ontvangen, te verlangen een participatieverklaring te ondertekenen terwijl geboren Nederlanders daarvan gevrijwaard blijven.

De zojuist genoemde aspecten betreffen vooral de grondrechten. Wie de politieke en maatschappelijke discussies van de laatste jaren heeft gevolgd, zal weten dat deze nogal onder druk staan. Maar ook een ander substantieel element van de rechtsstaat wordt bedreigd: de onafhankelijke rechtspraak. Politici reageren op hun politiek onwelgevallige rechterlijke uitspraken door de onafhankelijkheid van de rechters ter discussie te stellen. Daarmee wordt maar niet de positie van specifieke rechters ondergraven, maar het fundament van de rechtsstaat. Juist in een sterk verdeelde samenleving zou de onafhankelijke rechtspraak een bindmiddel moeten zijn. Wanneer (belangen)conflicten ontstaan, kan een beroep op de rechter gedaan worden om recht te spreken volgens de normen die de wet daarvoor aanreikt. Doordat wetten door een democratisch gekozen parlement zijn vastgesteld, bezitten ze legitimiteit. Natuurlijk valt niet uit te sluiten dat rechterlijke uitspraken door de politieke opvattingen van rechters gekleurd worden. Maar onze rechtsstaat kent allerlei mogelijkheden van beroep, waardoor eventuele eenzijdigheden kunnen worden gecorrigeerd. Het is dus van groot belang dat de mogelijkheden tot een beroep op hogere rechters niet wordt beperkt. Van even groot belang is dat de burger die zich tekort gedaan voelt, een beroep op bovennationale organen kan doen, die toetsen of wetten de rechten van individuele burgers of groepen van burgers niet aantasten. Dat is een belangrijke verdedigingslinie tegen de aantasting van bijvoorbeeld de godsdienstvrijheid.

Ieder mens is een schepsel van God. Daarin ligt de uiteindelijke motivatie om aan hem of haar recht te doen. Recht is meer dan politiek; het is ook ethiek. In het recht doen aan alle mensen komt tot uiting of we nederig de weg van onze God willen gaan.

De boodschap en de kloof

In 1997 organiseerde de EO een conferentie onder de titel ‘De boodschap en de kloof’, naar aanleiding van een door de omroep uitgevoerd onderzoek. Het congres ging over de vraag hoe wij de moderne postmoderne mens met het evangelie kunnen bereiken. Sinds die conferentie is de kloof bepaald niet smaller geworden. Het is waar: veel mensen zijn op zoek naar de zin van het leven. Maar er is op de markt van zingeving en geluk veel keus. De meeste mensen zijn niet geneigd zich daarvoor tot de kerk of tot het christelijk geloof te wenden. Ze zoeken liever iets dat hun de vrijheid geeft de zin van het leven naar eigen smaak in te vullen. De kerk is – in navolging van haar Heer – gericht op een langdurige relatie: God wil mensen in zijn verbond opnemen. Maar zulke langdurige verbindingen passen niet bij de moderne tijd waarin mensen de voorkeur geven aan kortlopende relaties.

Allerlei vormen die zijn gebruikt om mensen te bereiken zijn bij het vuilnis gezet. Wie heeft het nog over de koffiebar als evangelisatiemiddel? De straten in de centra van steden en dorpen zijn inmiddels helemaal volgeplempt met horeca in allerlei soorten en maten. Daar kan geen koffiebar met ideële instelling tegenop. Evangelisatie in verbinding met recreatie – dat doet het nog wel, maar voor hoe lang? Want ook daar zijn er kapers op de kust: activiteiten voor vakantiegangers zijn er tegenwoordig volop, aangezien veel mensen niet in staat lijken hun eigen vertier te organiseren.

Er wordt dus naar nieuwe manieren gezocht. Daarbij stuiten we op een groot probleem dat niet in een handomdraai op te lossen is. Nederland is een multiculturele samenleving geworden. Ik doel daarbij nu niet in de eerste plaats op de toevloed van mensen uit andere – vaak niet-westerse – culturen. Ook zonder hun aanwezigheid zou Nederland een multiculturele samenleving zijn. Er is in diverse rapporten al op gewezen hoezeer de samenleving bezig is uiteen te vallen in klassen van mensen die in gescheiden wijken wonen en gescheiden levens leiden en wier wegen elkaar nauwelijks kruisen. Ze onderscheiden zich naar opleiding en navenant inkomen en die verschillen vertalen zich dan in opvattingen over politieke en maatschappelijke kwesties. Er dreigen parallelle beschavingen te ontstaan die elkaar nauwelijks nog kunnen bereiken en begrijpen. Die gescheidenheid komt ook in de politiek tot uitdrukking. Een partij als de PvdA wil mensen uit verschillende sociale en culturele klassen met elkaar verbinden maar dat lukt niet zo goed. Dat verklaart de vele interne strubbelingen. Het schijnbaar onverenigbare verenigen – dat lukt alleen partijen met een sterk ideologisch profiel, zoals de SP en de kleine christelijke partijen.

Dat laatste is ook bij uitstek een kenmerk van de kerk. Dat is een verzameling van mensen met heel verschillende achtergronden, in culturele voorkeuren, in opleiding en inkomen en soms ook in de manier waarop tegen politieke en maatschappelijke kwesties wordt aangekeken. Toch laten ze elkaar niet los, vooral niet omdat ze elkaar niet gevonden hebben op grond van wederzijdse sympathie maar omdat ze geloven dat ze van hogerhand tot elkaar veroordeeld zijn. Ze zullen het met elkaar moeten rooien. Dat is niet gemakkelijk – wrijvingen en conflicten zijn onvermijdelijk. Maar nergens belooft de Schrift ons dat kerk-zijn gemakkelijk is.

Legt dit kenmerk van de kerk enig gewicht in de schaal bij pogingen de kloof te overbruggen? Je zou mogen verwachten van wel, want zijn veel mensen niet op zoek naar verbinding? Ja, maar – zoals ik in een eerdere weblog schreef – dan wel een verbinding op hun voorwaarden. Die zoekt men vooral met gelijkgezinden. Wanneer iemand zegt – zoals ik eens in een forum op internet las – dat in zijn omgeving iedereen PVV stemt, zegt dat vooral iets over hem en over de mensen met wie hij omgaat. Hij is geen uitzondering: dit past in een patroon, zoals we gezien hebben.

Moet de kerk daar dan maar bij aansluiten? Sommigen lijken die vraag bevestigend te beantwoorden. Dat verklaart de opkomst van allerlei doelgroepenkerken. We kennen inmiddels een popupkerk in Amsterdam en er is al eens sprake geweest – hoewel misschien niet helemaal serieus – van een wielrenkerk. Wel realiteit is een internetkerk: enkele jaren geleden heeft de PKN zoiets opgezet. “De doelgroep van de internetkerk bestaat uit mensen die geen binding hebben met de kerk, maar ook tegen levensvragen aanlopen en daar wat mee willen doen”, volgens een woordvoerder van de PKN in het Reformatorisch Dagblad.

Het concept van een doelgroepenkerk roept veel vragen op. Is het de bedoeling dat zo’n ‘kerk’ ook het eindstation is? Blijft men daarin altijd hangen? Of wordt ernaar gestreefd dat de bezoekers van zo’n kerk te zijner tijd doorstromen naar een ‘gewone’ kerk? Dat lijkt me nogal problematisch, want die ziet er heel anders uit dan de ‘kerk’ die men gewend is. Zal men daar z’n draai kunnen vinden of teleurgesteld afhaken? Men zou zich zelfs voor de gek gehouden kunnen voelen, want de kerk blijkt anders te zijn dan men verwacht had – minder vrijblijvend, geen draaideurgemeenschap met los-vaste relaties, maar een gemeenschap met structuur en met een eigen identiteit.

Je kunt je niet helemaal aan de indruk onttrekken dat het experimentele karakter van doelgroepenkerken soms ook bedoeld is als breekijzer om de bestaande kerk te veranderen. Dat lijkt ook – in elk geval mede – het motief te zijn van mensen die ernaar streven dat de kerk helemaal overnieuw begint. Een voorbeeld daarvan was de campagne 7keer7 – waar we overigens niets meer van horen. Overnieuw beginnen en dan alle fouten vermijden die we als kerk gemaakt hebben – zou dat lukken? Dat lijkt me erg onwaarschijnlijk. Want we zijn en blijven mensen. Misschien vermijden we de fouten van het verleden, maar we zullen ongetwijfeld nieuwe fouten maken en er is geen reden aan te nemen dat die minder ernstig zullen zijn dan de fouten die we willen vermijden. Die fouten uit het verleden zijn ook niet meer ongedaan te maken en we zijn gedwongen die met ons mee te dragen. Ook wie zich er tegen afzet neemt ze mee: ze geven immers richting aan de koers die hij vaart. Het is een onrealistisch streven dat lijdt aan zelfoverschatting. Het is ook onhistorisch en dat is iets wat niet bij de kerk past. Die weet immers uit de Schrift waar ze vandaan komt: ook de zonde van Adam en Eva is een deel van haar geschiedenis.

Maar, afgezien van eventuele verborgen agenda’s, zullen doelgroepkerken beklijven? Het lijkt me onwaarschijnlijk. We hebben er al ervaring mee: de jeugdkerken die zo’n 15 tot 20 jaar geleden nogal opgang maakten werden beschouwd als het ei van Columbus. Maar ze zijn inmiddels vrijwel allemaal ter ziele gegaan. Dat past in het beeld van de heersende mentaliteit: langlopende verbintenissen zijn ‘uit’. Wanneer de sensatie van weleer wegebt – en dat is onvermijdelijk – slaat eerst de gewenning en dan de verveling toe. Dan gaat men op zoek naar weer een nieuwe ervaring. Blijkbaar hebben zulke doelgroepenkerken te weinig substantie om echt wortel te schieten. Ze zijn ook te eenzijdig: wie altijd dezelfde kost voorgeschoteld krijgt, heeft daar na verloop van tijd genoeg van. Bovendien is niemand alleen maar deel van één bepaalde groep. De mensheid bestaat uit allerlei verzamelingen met gemeenschappelijke eigenschappen, maar die verzamelingen overlappen elkaar gedeeltelijk.

Tot nu toe heb ik vooral pragmatische bedenkingen geformuleerd. Belangrijker zijn uiteraard de bezwaren van principiële aard. Kunnen we bij de zoektocht naar een manier om de kloof te dichten wezenlijke kenmerken van de kerk tussen haken zetten? Hoe serieus neem je de kerk dan eigenlijk? En hoe kun je anderen overtuigen van de blijvende waarde van het christelijk geloof en de christelijke kerk wanneer je zelf op wezenlijke onderdelen compromissen sluit? Organisaties die water bij de principiële wijn doen vergaat het zelden goed. Uit heden en verleden zijn daarvan voorbeelden te over te vinden. Wie dat doet loopt het risico zichzelf overbodig te maken. In een artikel in Nader Bekeken van februari van dit jaar wijst ds. Henk Drost – naar aanleiding van een boek van de Amerikaanse theoloog Tim Keller en Nederlandse reacties daarop – op het gevaar van contextualisatie. Daar tegenover stelt hij een veelzeggend citaat van Keller: “De grote missionaire uitdaging is de boodschap van het evangelie zo te verwoorden voor een nieuwe cultuur dat de boodschap niet onnodig vreemd overkomt, en tegelijk het aanstootgevende karakter van de Bijbelse waarheid niet weggelaten of verdoezeld wordt”.

In de context van wat hiervoor is opgemerkt betekent dit dat de kerk duidelijk maakt dat haar Heer met los-vast relaties geen genoegen neemt. Wie zich aan Hem gewonnen geeft, moet zich ook voegen in de kerk, die zijn eigen schepping is. Die heeft geen draaideur, waardoor men naar believen in en uit kan gaan. Die boodschap is niet alleen extern gericht, op een cultuur die steeds meer afwijzend staat tegenover langdurige relaties – en zeker relaties voor het leven – maar ook op de kerk en haar leden zelf. Want ook steeds meer kerkleden zien de gemeente – het kerkverband blijft helemaal buiten beeld – als een gemeenschap waaraan men zich zolang verbindt als men zich er thuis voelt. En wie gaat verhuizen zoekt een gemeente die bij hem of haar past. Waar kerkleden in dezen zich de mentaliteit van de wereld eigen maken hoeft men zich over de werfkracht van de kerk geen illusies te maken.

Wanneer de boodschap haar kracht verliest blijft de kloof onoverbrugbaar.

Preek als wegwijzer

In de Apostolische Geloofsbelijdenis belijdt de kerk dat ze een gemeenschap van heiligen is. Daarin onderscheidt ze zich in toenemende mate van de samenleving die in sterke mate is geïndividualiseerd. Die gemeenschap komt vooral tot uiting in samenkomsten – van klein tot groot – van haar leden. Erediensten nemen daarbij een speciale plaats in. Alleen daar komt iedereen die tot die gemeenschap behoort, onafhankelijk van status, afkomst of karakter.

De eredienst heeft oude papieren. Al direct na Jezus’ hemelvaart lezen we dat zijn volgelingen bijeen zijn. Na de Pinksterdag is het één van de opvallendste kenmerken van de ‘nieuwe’ godsdienst: de aanhangers zijn eendrachtig bijeen, breken het brood en loven God. Maar we kunnen nog verder teruggaan, naar de tempeldienst van het Oude Testament. Uiteindelijk komen we bij Enos terecht, de kleinzoon van Adam en Eva. “In die tijd begon men de naam van de HEER aan te roepen” (Gen. 4,26).

Wanneer de eredienst zo’n centrale plaats in het leven van christenen heeft, is het geen wonder dat daarover regelmatig van gedachten wordt gewisseld. Er wordt over gesproken en geschreven en er zijn maar weinig mensen die er geen mening over hebben. In reformatorische kring is altijd veel aandacht geweest voor de rol van de preek in de eredienst. De opkomst van de liturgische beweging, die de bestaande gebruiken ten aanzien van de inrichting van de eredienst aan fundamentele kritiek onderwierp, werd kritisch tegemoet getreden. De grotere aandacht voor met name de muzikale elementen in de eredienst werd als een bedreiging voor de preek gezien. Die zou daardoor aan belang inboeten, aan kracht verliezen en worden gereduceerd tot slechts één onderdeel van de eredienst.

Inmiddels is er ook in die kerken veel veranderd. De liturgie is op de schop gegaan, er wordt meer aandacht aan de muzikale onderdelen besteed en ook andere elementen in de liturgie – bijvoorbeeld de sacramenten – krijgen meer aandacht dan voorheen. Heeft dat de positie van de preek aangetast? Het antwoord op die vraag hangt waarschijnlijk van de persoonlijke ervaringen af alsmede van wat men van de preek verwacht. Het lijdt weinig twijfel dat de preken in het algemeen korter geworden zijn. Dat hoeft op zichzelf niet te betekenen dat ze aan inhoud verliezen. Sommige predikanten hebben de gave met weinig woorden veel te zeggen, zoals ik zelf regelmatig mag ervaren. Een lange preek heeft niet per definitie meer diepgang; daarvan zal iedereen waarschijnlijk wel een voorbeeld kunnen noemen.

Hoewel aan andere elementen in de liturgie een groter gewicht wordt toegekend dan vroeger lijkt de preek voor de meeste kerkgangers nog steeds de kern van de eredienst te zijn. Wanneer een predikant beroepen moet worden, gaat de gemeente in de eerste plaats kritisch naar zijn preken luisteren. Wanneer die – om welke reden dan ook – niet aanspreken of als onvoldoende worden beschouwd, is de kans klein dat de desbetreffende predikant beroepen wordt, wat zijn overige kwaliteiten ook mogen zijn. Tenslotte is de preek zo ongeveer het enige van een predikant waarmee elk gemeentelid te maken krijgt.

Met de kwaliteit van de preek staat of valt voor de meeste kerkleden de eredienst. Het is de vraag of dat terecht is. In de eredienst staat het Woord van God centraal. Dat komt in de eerste plaats tot uiting in de Schriftlezing. In Jesaja 55 zegt God dat het woord dat uit Zijn mond komt, niet vruchteloos naar Hem terugkeert. Wanneer de preek tegenvalt betekent dat nog niet dat de dienst als geheel niet gezegend zou kunnen zijn. De Schriftlezing komt altijd op de eerste plaats; de preek is daarvan een afgeleide. In die zin heeft prof. Kees de Ruijter gelijk wanneer hij het gewicht van de preek reduceert, zoals hij recent tijdens een studiedag deed (Nederlands Dagblad, 11.4.15). (Dat is overigens bepaald geen originele gedachte). Daarmee is de preek nog niet noodzakelijkerwijs gereduceerd tot “preekje”, zoals een scribent in het Nederlands Dagblad suggereerde (17.4.15).

De eredienst is geen ‘preekdienst’, maar ‘Woorddienst’. Dat betekent dat in de hele eredienst het Woord centraal moet staan. Het gaat in de liturgie immers, zoals De Ruijter zegt, om “het eren van de naam van God”. Dat gebeurt allereerst door Hem aan het woord te laten. Maar dat beperkt zich niet tot de Schriftlezing en de preek. Elk onderdeel van de liturgie is Woordverkondiging. Of zou dat althans moeten zijn. Het probleem in discussies over de prediking en de liturgie is dat de preek vaak geïsoleerd behandeld wordt. Dat gebeurt zowel wanneer de vrees geuit wordt dat de preek aan gewicht verliest als wanneer gepleit wordt voor een reductie van haar gewicht ten behoeve van andere elementen van de liturgie.

Wie wil voorkomen dat preek en liturgie concurrenten worden, moet streven naar een eenheid tussen beide. Er hoeft geen enkel bezwaar tegen te bestaan wanneer er in de dienst veel gezongen wordt, zelfs niet wanneer de preek daardoor iets korter moet uitvallen. Voorwaarde is dan wel dat in die liederen de Woordverkondiging wordt voortgezet. Juist daar wringt in reformatorische kerken steeds vaker de schoen. Want er zijn sinds het begin van deze eeuw allerlei liederen in de liturgie binnengeslopen die ongeschikt zijn als Woordverkondiging. Er worden uit allerlei bundels liederen geselecteerd die – in het ergste geval – op gespannen voet staan met de leer van de Schrift – die ook de leer van de kerk is – of in elk geval qua woordgebruik en toonhoogte nogal ver afstaan van de Schrift. Wie streeft naar een eenheid in de liturgie tussen Schriftlezing, prediking en liederen zou in elk geval het boek van de psalmen centraal moeten stellen. Dichter bij de Schrift dan de psalmen kan geen enkel lied komen. Daarnaast zijn er ook andere liederen – bijvoorbeeld in het Liedboek voor de Kerken – die nauw aansluiten bij de Schrift en soms zelfs specifiek refereren aan een bepaald Schriftgedeelte. Juist de noodzaak van een eenheid in de liturgie en het vermijden van een heilloze concurrentie tussen prediking en lied pleit voor een kerkverbandelijk vaststellen van een canon van voor de eredienst geschikte liederen.

Moeten we tot de conclusie komen dat de preek niet wordt bedreigd en dat er geen gevaar bestaat dat ze wordt gereduceerd tot “preekje”? Zeker niet. Er is alle reden de ontwikkelingen op dit vlak kritisch te volgen. Er zijn zeker tekenen dat de prediking niet altijd voldoende serieus genomen wordt. Sommige predikanten lijken zich als entertainer te zien die met allerlei fratsen moet proberen zijn publiek aan zich te binden. Sommigen drukken een zodanig sterk persoonlijk stempel op de dienst dat ze het gevaar lopen tussen de gelovigen en God in te gaan staan. Het is ook onmiskenbaar dat het belang van de preek soms gereduceerd wordt, vaak gepaard gaande met een relativering van het ambt van de predikant.

“Ik kom nu nog veel preken tegen die de tekst uitleggen en niet ingaan op de werkelijkheid van de gemeente in het hier en nu”, zegt prof. De Ruijter. Dat zal dan wel, maar ik heb die ervaring niet. Ik ken wel voorbeelden van het omgekeerde: het leven in het hier en nu staat centraal en de voorganger verkondigt een boodschap waarbij de gekozen tekst slechts als kapstok dient en uit zijn historische context wordt gelicht. Dat lijkt me een groter gevaar, want dan is de boodschap op drijfzand gebaseerd.

Woordverkondiging is breder dan de prediking. Maar dat betekent niet dat de preek een quantité négligeable is. In de Schrift komt het belang van de prediking herhaaldelijk aan de orde. Het Formulier voor de bevestiging van dienaren des Woords, zoals dat functioneert in de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt), bevat diverse verwijzingen naar de apostolische brieven. Ook in de beschrijvingen van het leven van de eerste gemeenten in het boek Handelingen komt het belang van de prediking naar voren. We kunnen zelfs terug gaan naar het Oude Testament. In Deuteronomium neemt Mozes afscheid van het volk met een lange redevoering, die men als een oudtestamentische preek kan beschouwen. Hij scherpt het volk de bepalingen van de wet nog eens in en past die toe. De profeten krijgen directe opdrachten en openbaringen van God, maar verwijzen voortdurend naar de Schrift – in hun tijd de boeken van Mozes. De profeet Ezechiël krijgt een zware opdracht: hij wordt tot wachter over Gods volk aangesteld (Ez. 3,16-21). Het zieleheil van Zijn kinderen hangt voor een deel van zijn inspanningen af. Dat was een specifieke opdracht voor Ezechiël en kan niet één op één naar voorgangers in onze tijd worden overgezet. Maar wel wordt hieruit duidelijk hoe zwaar de verantwoordelijkheid van voorgangers is.

In het al genoemde bevestigingsformulier wordt de gemeente opgeroepen haar voorganger te gehoorzamen en zich aan hem te onderwerpen, “want hij waakt over uw zielen en zal voor God rekenschap moeten afleggen”. De te bevestigen predikant wordt voorgehouden dat hij – samen met de ouderlingen – de sleutels van het hemelrijk bedient. Eén van die sleutels is, volgens Zondag 31 van de Heidelbergse Catechismus, “de verkondiging van het evangelie”. De preek van Mozes is daarvan een indrukwekkend voorbeeld.

Van wijlen prof. C. Trimp is de uitspraak opgetekend: “Wij zijn niet op weg naar de eeuwige preek, maar wel naar de eeuwige lofzang.” Daaruit mag niet worden afgeleid dat de preek van ondergeschikt belang is. Regelmatige prediking is noodzakelijk als wegwijzer naar de eeuwige lofzang. Want anders lopen we het gevaar onderweg te verdwalen en het doel te missen.

Een reactie en een antwoord

Op oudejaarsdag schreef Jan Lok een stuk waarin hij mij bevraagt over de onderwerpkeuze in dit weblog en mijn benadering van kerkelijke kwesties. Inmiddels heb ik een antwoord geformuleerd. Voor diegenen die daarin geïnteresseerd mochten zijn: reactie en antwoord zijn te vinden onder About.

Categorieën:Uncategorized

Eigen verantwoordelijkheid

Er waart een epidemie rond in Nederland. Dat wil zeggen, in dat gedeelte van Nederland dat als de biblebelt wordt aangeduid. Veel ouders uit de zogenaamde bevindelijke hoek besluiten hun kinderen niet te laten inenten tegen allerlei ziekten. In dit geval heeft dat geleid tot een uitbraak van de mazelen, waardoor kinderen in de eerste jaren van hun leven kunnen worden getroffen. Het zou overdreven zijn te beweren dat het hele land daardoor in rep en roer is. Dat heeft veel te maken met het feit dat de mazelen een relatief onschuldige ziekte is. Weliswaar kan het tot ernstige kwalen en zelfs tot de dood leiden, maar dat gebeurt alleen bij hoge uitzondering. Was hier sprake geweest van een uitbraak van polio, dan waren de reacties ongetwijfeld anders geweest en zou de roep om vaccinatiedwang sterker hebben geklonken.

Niettemin heeft ook deze epidemie aanleiding gegeven tot reacties in de media en in de politiek. Bij sommige van die reacties wrijf je je de ogen uit. Het is op z’n minst opvallend dat politici van liberale snit die er herhaaldelijk blijk van hebben gegeven dat ze geen enkele affiniteit met het christelijk geloof hebben, menen te weten wat Gods wil in dezen is. Hun geloof in de absolute scheiding van kerk en staat – door henzelf vaak, bewust of door onwetendheid, verward met een scheiding tussen geloof en politiek – hebben ze daarbij even op sterk water gezet.

Zelfs de minister-president voelde zich geroepen een theologische duit in het zakje te doen. Van iemand die al eerder liet blijken dat hij zich als gelovige beschouwt is dat wellicht te begrijpen. Wel blijft dan de vraag waarom hij uitgerekend bij deze aangelegenheid meende te moeten verwijzen naar wat hij als Gods bedoelingen ziet. Waarom blijft het dan oorverdovend stil, wanneer het gaat om het overheidsbeleid ten aanzien van straftoepassing, de wijze waarop in Nederland asielzoekers en vluchtelingen worden behandeld of de manier waarop met natuur en milieu wordt omgegaan? En dan zwijgen we nog maar over allerlei andere ethische zaken waarin de christelijke politiek stuit op de onwil en het vaak volstrekte onbegrip van de seculiere meerderheid.

Het is niet verwonderlijk dat de leidslieden van kerken uit de bevindelijke hoek van deze oproepen en theologische betogen niet onder de indruk zijn. In hun kring is in ieder geval langer en dieper nagedacht over de vragen die hier aan de orde zijn dan door de genoemde liberale politici. Het gebrek aan begrip van en welwillendheid voor dit deel van de Nederlandse natie maakt de ontvankelijkheid niet groter.

Dat betekent niet dat hun reactie geen vragen oproept. Dat geldt vooral voor de verontwaardiging ten aanzien van de oproep van politici aan predikanten hun gemeenteleden aan te sporen hun kinderen te laten inenten. In reactie daarop onderstreepten verschillende predikanten de eigen verantwoordelijkheid van ouders. Dat wekt enige verwondering. Eigen verantwoordelijkheid staat in bevindelijke kring in het algemeen niet hoog aangeschreven. In sommige kerken kan (kon?) alleen al het bezit van een televisietoestel een reden zijn voor ambtelijk vermaan. Op ethisch vlak onderscheiden bevindelijke kerken zich juist daarin sterk van gereformeerde kerken dat ze hun leden vaak tot in detail voorschrijven hoe ze zich hebben te gedragen. Dan gaat het om allerlei zaken waarover je aan de bijbel geen directe voorschriften kunt ontlenen. Dat is nooit een verhindering geweest zulke voorschriften of gedragslijnen van een Schriftuurlijk gezag te voorzien. Het kan ook moeilijk ontkend worden dat voorgangers een belangrijke positie in bevindelijke kerken innemen en vaak groot gezag genieten. Daarin lijken ze soms op de geestelijken in de rooms-katholieke kerk van vóór de culturele revolutie van de jaren ’60 van de vorige eeuw. Dat juist zij door genoemde politici worden aangesproken is dus niet zo vreemd.

In zijn column in het Nederlands Dagblad van 12 juli j.l. analyseert Bart Jan Spruyt de positiekeuze van Refo’s – een term die hij tegen wil en dank gebruikt – als een verzet tegen de moderne tijd en de daarbij behorende mentaliteit, die gekenmerkt wordt door de notie van beheersbaarheid, die geen afhankelijkheid van God erkent. Volgens hem is dat verzet uiteindelijk doorslaggevend en worden bijbelteksten daar vervolgens ondergeschoven. Of Spruyts analyse juist is kan ik niet beoordelen. Een zekere mate van plausibiliteit kun je haar niet ontzeggen. Als hij gelijk heeft, wordt de nadruk op de eigen verantwoordelijkheid van ouders ten aanzien van het al dan niet laten vaccineren van hun kinderen des te merkwaardiger. Want als de keuze tegen vaccinatie tot het verzet tegen de geest van de revolutie behoort, hoe kunnen ouders het dan verantwoorden dat ze uiteindelijk toch tot vaccinatie besluiten? Waarom zou dat uiteindelijk wel aanvaardbaar zijn en het afwijken van de in bevindelijke kringen gebruikelijke kledinggewoonten of het aanvaarden van de moderne media niet?

De vraag waar de eigen verantwoordelijkheid ophoudt en de gemeenschap in beeld komt en een meebeslissingsrecht heeft, is niet eenvoudig te beantwoorden. De geschiedenis van de christelijke kerk laat op dit punt sterke verschuivingen zien. Tot enkele decennia geleden bestond in veel christelijke kerken een grote mate van consensus over de vraag welke gedragingen wel en welke niet bij een christelijk leven pasten. Die consensus is grotendeels verdwenen. Ook in gereformeerde kerken wordt de eigen verantwoordelijkheid sterk beklemtoond. Maar de praktijk van het leven van christenen laat zien dat hier iets wringt. De notie van de eigen verantwoordelijkheid wordt maar al te vaak gebruikt als argument om helemaal zelf – zonder inmenging van de kerkelijke gemeenschap – te bepalen wat wel en wat niet goed is. Zoals ik al eens in een eerdere bijdrage heb geschreven bestaat er een groeiende aarzeling onder christenen – en zelfs leden van één gemeente – elkaar op de gemaakte keuzen aan te spreken.

Een eenzijdige nadruk op de eigen verantwoordelijkheid zet het leven van de gemeente onder druk. Het zaait ook twijfel aan de relatie tussen de Schrift en het dagelijks leven. Wanneer mensen die allemaal zeggen zich door de Schrift te willen laten leiden, tot soms fundamenteel tegengestelde keuzen komen, wat zegt dat dan over de duidelijkheid van de Schrift en haar relevantie voor het moderne leven?

De vraag waar de eigen verantwoordelijkheid op haar grenzen stuit en de gemeenschap haar normatief gewicht in de schaal gaat leggen is van een dusdanig belang dat ze de discussie over de vaccinatie van kinderen in bevindelijk-gereformeerde kring verre overstijgt.

Obama’s wake-up call

Verkiezingsuitslagen vragen om analyses. Die vind je dan ook in groten getale in de media. Dat was het geval na de laatste verkiezingen voor de Tweede Kamer, het gebeurt nu na de Amerikaanse presidentsverkiezingen.

De Amerikaanse kiezers besloten in meerderheid de zittende president Obama nog een kans te geven. Dat mag wel zo geformuleerd worden, want van het enthousiasme van vier jaar geleden was weinig meer te bespeuren. Velen waren teleurgesteld in wat hij heeft bereikt. Dat men desondanks zijn stem aan hem heeft gegeven kan worden geïnterpreteerd als vooral een stem tégen de Republikeinse kandidaat Mitt Romney. Het omgekeerde kwam overigens ook voor. Michel van der Hoek, een Amerikaan met Nederlandse wortels die regelmatig in het Nederlands Dagblad zijn licht laat schijnen over de Amerikaanse politiek en zijn Republikeinse sympathieën niet onder stoelen of banken steekt, moest bekennen dat hij eerder tégen Obama dan vóór Romney had gestemd.

In deze weblog bekijk ik de actualiteit uiteraard vooral vanuit christelijk oogpunt. En ook dan zijn de Amerikaanse verkiezingen interessant. Terwijl in ons land christenen nauwelijks nog gewicht in de schaal leggen bij verkiezingen is dat in de Verenigde Staten heel anders. Vooral in de Republikeinse partij spelen ze een belangrijke rol. Je merkt het in de campagne van de kandidaten: ze proberen te voorkomen dat ze behoudende christenen tegen zich in het harnas jagen. Dus verzekeren ze hun potentiële kiezers bijvoorbeeld dat ze tegen abortus zijn en dat ze de legalisering van het homohuwelijk afwijzen. Dat levert nogal eens ongemakkelijke situaties op. Want vooral Romneys staat van dienst laat op ethisch vlak weinig consistentie zien. Dat heeft onder sommige christenen wantrouwen gewekt. Daar komt nog bij dat ze het geloof van de Mormonen, waartoe Romney behoort, niet als christelijk beschouwen.

Eén en ander heeft ertoe geleid dat onder Amerikaanse christenen, die – vooral sinds Ronald Reagan – in overgrote meerderheid steun gaven aan Republikeinse presidentskandidaten, dit keer soms een andere keuze maakten of besloten niet te gaan stemmen. Wanneer dat alleen zou samenhangen met de persoon en denkbeelden van Romney was voor de Republikeinen de ramp nog te overzien. Romney houdt de politiek voor gezien en over vier jaar kunnen de Republikeinen met een nieuwe kandidaat komen, die het bij orthodoxe christenen wellicht beter doet. Maar zo eenvoudig is het niet. Analisten hebben vastgesteld dat de blanke Amerikanen steeds meer een minderheid worden. Vooral de latino’s nemen sterk in aantal toe en dat geldt ook voor andere minderheidsgroepen, zoals de zwarten en de Aziaten. En onder die groepen hebben de Republikeinen nauwelijks aanhang.

Dat is vooral daarom opmerkelijk, omdat die etnische groepen op ethisch vlak in meerderheid vrij conservatief zijn. Die zouden zich dus bij de Republikeinen eigenlijk meer thuis moeten voelen dan bij de Democraten, die daarin veel liberaler zijn. Toch stemmen ze voor het grootste deel op die Democraten. Dat heeft vooral met sociaal-economische overwegingen te maken. Ze verwachten van de Republikeinen niet veel en stellen hun hoop voor de verbetering van hun positie eerder op de Democraten. Dat is geen wonder: vooral zwarten en latino’s zijn sterk vertegenwoordigd onder de laagste inkomensgroepen. Daar zit een probleem voor de Republikeinen.

Wanneer hun presidentskandidaten steeds uitstralen dat ze vooral de belangen van de blanke bovenklasse willen behartigen, kunnen ze de onderklassen er moeilijk van overtuigen dat hun belangen bij hen in veilige handen zijn. Het is gemakkelijk te zeggen dat mensen niet op grond van hun belangen maar van hun principes moeten stemmen. Maar wanneer Romney en – zelfs in nog sterkere mate – zijn running mate Paul Ryan – nota bene rooms-katholiek – uitdragen dat ze willen bezuinigen op de sociale zekerheid, tegen hogere belastingen voor de rijkste Amerikanen zijn en niets willen weten van Obama’s plannen betreffende de ziektekostenverzekering, kan men van de meest kwetsbare groepen niet verwachten dat ze hun enthousiast hun stem zullen geven.

In het Nederlands Dagblad van 10 november j.l. legt Jan van Benthem de vinger op de zere plek. Volgens hem is “de politieke agenda van de Republikeinse partij (…) vooral die van een radicaal kapitalisme geworden, naast een fanatiek beleden geloof in de zelfredzaamheid van de burgers.” Hij wijst erop dat niet alleen latino’s, maar ook vrouwen moeite hebben met deze koers en dat veel christelijke vrouwen om die reden hun stem aan Obama hebben gegeven. En daarom, schrijft hij, moet er “meer ‘omzien naar de naaste’ in het programma komen, in plaats van ‘omzien naar de belastingverlaging'”.

Wellicht kan de uitslag van de verkiezingen dienen als een wake-up call voor Amerikaanse christenen. Ze hebben zich de laatste decennia heel druk gemaakt om de ‘ethische waarden’ van Amerika. Die hebben ze wel erg eenzijdig ingevuld. Op 7 november wist het Nederlands Dagblad het volgende te melden: “In 1979 werd 12 procent van het totale bedrag aan salarissen in New York verdiend door de bovenste één procent. In 2009 wist die ene procent maar liefst 44 procent van alle salarissen op te zuigen. Daarbij is een belangrijk deel van de middenklasse verdreven uit het domein van redelijke tot goede salarissen.” Dat is niet alleen maatschappelijk en economisch desastreus, het kan ook ethisch niet door de beugel. Er zijn ook nog andere thema’s die voor christenen van belang zouden moeten zijn. In zijn column in het Nederlands Dagblad van 5 november schrijft voormalig redacteur buitenland Aad Kamsteeg: “Ethiek houdt niet op bij gezinswaarden, maar heeft ook te maken met wapenbezit, milieu en illegale immigranten.”

In dit verband wil ik nog wijzen op het interessante artikel van Jan Schinkelshoek, oud-lid van de Tweede Kamer voor het CDA, in het Nederlands Dagblad van 10 november j.l.: “Wilders is geen fascist. Maar is Nederland immuun voor fascisme?” Hij verwijst daarin naar een analyse van historicus A.A. de Jonge, die tot de conclusie was gekomen dat tussen de twee wereldoorlogen de christelijke partijen door hun sociaal heterogene samenstelling een tegenwicht vormden tegen de middelpuntvliedende krachten en “dit heeft in belangrijke mate tot het behoud van de democratie bijgedragen”. Die sociaal heterogene samenstelling was het gevolg van het besef dat ethiek het hele leven bestrijkt en ook met arbeids- en inkomensverhoudingen te maken heeft.

Dat inzicht is bij veel Amerikaanse christenen nog niet doorgedrongen. Ze zien wel in dat de presidentsverkiezingen en de uitslagen van allerlei referenda als nederlagen voor de christelijke politiek moeten worden beschouwd. Maar hoe zullen ze daarop reageren? Met activisme en een verscherpte polarisatie tegen de Democraten en andere ‘liberale’ krachten zal men het tij niet kunnen keren. Er is eerst iets anders nodig: een grondige bezinning op wat het christelijk geloof voor politiek en maatschappij betekent. Daarvoor is dan wel een andere omgang met de Schrift nodig dan de fundamentalistische, die wordt gekenmerkt door selectief lezen en het isoleren van een aantal ‘fundamentele’ geloofswaarheden, los van het geheel van de Schrift. Pas wanneer heel de Schrift opengaat krijgt men oog voor de betekenis van het christelijk geloof voor heel het leven. Het uitdragen van een christelijke persoonlijke ethiek wordt pas geloofwaardig wanneer over de christelijke publieke ethiek niet gezwegen wordt.