Archief

Archief beheerder

Verbinding zonder fundament

Als ik me niet vergis is sinds het begin van deze eeuw een activiteit die men met een goed Nederlands woord trendwatching noemt, nogal populair. Er zijn zelfs mensen die er hun beroep van gemaakt hebben. Ze komen af en toe in de media opdraven om bepaalde ontwikkelingen te duiden en in hun glazen bol te kijken om te voorspellen hoe het de komende jaren verder zal gaan. Het kan overal over gaan: de toekomst van het winkelbedrijf, mode, duurzaamheid, noem maar op. Ze vertellen ons graag wat we zien – want dat schijnen we zelf niet te kunnen – en vertellen ons dan wat we de komende jaren ongetwijfeld nog zullen gaan zien.

Ik weet niet of er ook kerkelijke trendwatchers bestaan. Daar lijkt in elk geval wel een terrein braak te liggen, want er is het nodige aan de hand. En ook al kunnen we zien wat dat is – de christelijke kranten laten niet na er melding van te maken – kan het toch zinvol zijn dat iemand de zaken samenvat en in een perspectief zet, zeker gezien de grote variëteit in het kerkelijke landschap.

Er is bijna geen kerk waarin niet iets aan de hand is. Al die ontwikkelingen zou je geïsoleerd kunnen bekijken, maar wellicht zijn er ook bepaalde patronen te ontwaren. Nu wil ik me zelf niet de mantel van trendwatcher omhangen. Die past me niet en bij de pretenties van trendwatchers voel ik me allerminst thuis. Het zijn maar al te vaak broodetende profeten.

Niettemin wil ik dit weblog in de komende maanden toch gebruiken om wat observaties van de laatste jaren met de lezer te delen. Wie zelf de kerkelijke ontwikkelingen volgt, bijvoorbeeld via christelijke media, zowel in gedrukte als in digitale vorm, zal ongetwijfeld bekende zaken tegenkomen. Zit er wellicht een bepaald verband tussen ontwikkelingen die op het eerste gezicht niet direct iets met elkaar te maken hebben?

Kerkverlating lijkt een actueel thema. Dat was het altijd al, want kerkverlating is niet iets van gisteren of eergisteren. Toch lijkt het erop dat de manier waarop het aan de orde gesteld wordt, anders is dan vroeger – zeg een paar decennia geleden. Men maakte zich toen vooral zorgen over de jongeren, globaal genomen mensen tussen middelbare-schoolleeftijd en midden 20. Mede daaruit is het verschijnsel van de jeugdkerken voortgekomen. Vanuit de idee dat het zaad van de kerkverlating vaak al vroeger gezaaid is, werd ook in orthodoxere kerken gegrepen naar het middel van bijbelklassen voor kinderen van basisschoolleeftijd. Zoiets noemde men vroeger in de meer vrijzinnige wereld ‘nevendienst’, maar zo mocht dat uiteraard niet heten, al is het verschil in karakter minimaal.

Het lijkt me dat de laatste tijd de aandacht vooral uitgaat naar jongvolwassenen, zeg maar de generatie die op de jongeren zoals hiervoor omschreven volgt. Dan hebben we het over mensen die bezig zijn hun eigen leven vorm te geven en op te bouwen. Mensen die wellicht bezig zijn hun draai te vinden in een beroep en een gezin stichten. Kerkelijke waarnemers, maar ook kerkenraden, constateren dat ook onder die groep – of misschien zelfs juist onder die groep – de kerkverlating sterk toeneemt. Daarbij is niet altijd sprake van een formele breuk met de kerk. Veel van dit soort mensen komen gewoon nooit in de kerk. Kerkenraden raken het zicht op hen kwijt en slagen er niet in echt contact met hen te maken. Een aparte categorie vormen diegenen die het doen van openbare geloofsbelijdenis eindeloos uitstellen. Waren vroeger doopleden ouder dan 20 jaar de uitzondering, dat is nu inmiddels al vrij normaal. Het is niet zo vergezocht te vermoeden dat van uitstel maar al te vaak afstel komt.

Wat te doen? Nog nooit heeft iemand het ei van Columbus gevonden en de kans dat iemand het ooit vindt, lijkt me verwaarloosbaar klein. Wat me wel opvalt is dat tegenwoordig degenen die zich met dit onderwerp bezighouden, niet zelden overlopen van begrip voor kerkverlaters. Nu is daarmee op zichzelf niets mis. Wie zichzelf kent, zal niet gemakzuchtig de staf breken over wie de kerk verlaat. Wie dat niet doet, heeft dat uiteindelijk niet aan zichzelf te danken. Maar dat begrip kan niet het einde van het verhaal zijn.

Neem nu een betoog als dat van Alain Verheij, zelfbenoemd ‘twittertheoloog’, in het Nederlands Dagblad (14.11.19). Hij noemt een aantal gevallen van jongvolwassenen die de kerk vaarwel gezegd hebben. “Marie ging weg omdat haar kerk homofoob was. Geef haar eens ongelijk. Rutger vertrok toen hij de evolutietheorie had leren kennen. Had hij in de kerk nog nooit van gehoord.” In het vervolg laat hij uitvoerig zien wat er allemaal is misgegaan en nog steeds misgaat. Dat is niet zo moeilijk. Maar een uitweg ziet hij niet. “We kunnen nu nog schakelen – mits die twintigers en dertigers zich over hun arrogante weerzin heen zetten en contact gaan leggen met de oudere traditie en medegelovigen. Mits die aloude kerkmannen van hun onaantastbare troon stappen en ruimte bieden aan de diverse toekomst. Mits die lethargische middengeneratie van veertigers en vijftigers eens een keer zelfbewust en actief de broodnodige bruggen gaat slaan.” Maar hoe moet dat dan, bruggen slaan? Heb je daarvoor niet op z’n minst twee stevige wallen nodig? Maar die lijken er niet te zijn. Aan het eind noemt hij als kern van wat op het spel staat: gemeenschapszin. Het probleem is alleen dat die gemeenschapszin ergens op gebaseerd moet zijn. Dan zul je er toch niet aan ontkomen iets als een norm of een anker te omschrijven.

En dan zitten we al direct met een ander probleem. Waar vroeger allerlei christelijke ‘opiniemakers’ precies wisten hoe het zat en niet bang waren hun opvattingen ook publiek uit te dragen (denk aan uitzendingen van de EO), heerst nu vooral bedremmeld stilzwijgen of wordt wat onduidelijk gemompeld als het bijvoorbeeld om zaken gaat die in de christelijke ethiek een belangrijke plaats innemen. De duidelijkheid heeft plaatsgemaakt voor veel enerzijds-anderzijdsredeneringen. Men neemt steeds vaker zijn toevlucht tot wat men als de kern van het evangelie beschouwt. Dat – kort gezegd – de verzoening door Christus’ lijden de kern van het evangelie is, behoeft geen betoog. Maar volgt daaruit dat al het overige dat in de Schrift naar ons toekomt, van minder belang is?

Op 14 november schreef Aad Kamsteeg een artikel in het Nederlands Dagblad waarin hij uitlegt waarom hij naar de kerk blijft gaan. Daar staan veel mooie dingen in, maar ik ben waarschijnlijk niet de enige die struikelt over deze zinsnede: “En ik zie vooral dat wat samenbindt ver uitstijgt boven het feit dat mijn kerkelijke buurman anders denkt over vrouw in het ambt, samenwonende homo’s of wat ook.” Is het erg vreemd dat, wanneer je met dankbaarheid constateert dat je buurman uit genade wil leven, je toch wel wat moeite hebt met zijn opvatting dat de Tien Geboden hun tijd gehad hebben, dat je met je geld mag doen wat je wilt, dat je best mag vinden dat mensen met een andere huidskleur, van allochtone afkomst of aanhangers van een andere religie hier niets te zoeken hebben? Zouden er echt geen dingen zijn die kerkscheidend mogen – of zelfs moeten – zijn? Het is mijn indruk dat steeds meer christenen daar ja op zeggen, zolang het om zaken gaat die ons samenleven als mensen raken. Maar als het om de persoonlijke ethiek gaat – zaken rond huwelijk en gezin of ook onze manier van kerk-zijn – verstrikken ze zich in mitsen en maren of nemen hun toevlucht tot drogredeneringen om maar niet een duidelijk standpunt te hoeven innemen.

Daaruit mag de conclusie worden getrokken dat op het vlak van de christelijke ethiek een verschuiving heeft plaatsgevonden van de personele ethiek naar de publieke moraal. Dat is een onderwerp waarover wel meer te zeggen valt en dat ik daarom op dit moment verder laat rusten. Ik hoop later daarop afzonderlijk terug te komen.

Een belangrijk motief in het streven van de Christenunie is het zoeken naar verbinding in een maatschappij waarin mensen maar al te vaak tegenover elkaar staan. Vooral de politiek leider, Gert-Jan Segers, profileert zich op dat thema. Op zichzelf is dat een mooi streven, maar er past ook enige scepsis. Want wat moet dan de gemeenschappelijke grond zijn die de bodem kan vormen waarop mensen tot elkaar kunnen komen? Dat is lastig in een samenleving die zo verschilt in opvattingen en manier van leven. Datzelfde geldt van de kerk. Verheij heeft helemaal gelijk wanneer hij het belang van gemeenschapszin onderstreept. Maar wat is dan dat gemeenschappelijke? Hoe kun je over problemen rond kerkverlating spreken zonder de bijbel open te slaan?

Eén van de artikelen van de Apostolische Geloofsbelijdenis spreekt over de ‘gemeenschap van de heiligen’. Deze belijdenis wordt tot de oecumenische belijdenisgeschriften gerekend. Dat wil zeggen dat ze wereldwijd, door kerken van allerlei snit, wordt aanvaard. Maar dat betekent niet dat die belijdenis overal dezelfde status heeft en door elke kerk op dezelfde manier wordt uitgelegd. ‘The devil is in the detail’, zegt een Engels spreekwoord. Met andere woorden: het is niet voldoende wanneer men dezelfde woorden onderschrijft. De geschiedenis leert dat het nodig is die woorden nader uit te leggen. Dan komen de verschillen al snel aan de oppervlakte.

Eenheid kan zomaar schijneenheid zijn. Wie uit de genade van Christus wil leven, zal daaraan ook de consequentie moeten verbinden dat hij zich in heel zijn leven laat leiden door de wil van God, zoals die in de Schrift naar voren komt. Niet om op die manier iets te verdienen, maar omdat de wet – in de meest brede zin van het woord – de ‘regel van de dankbaarheid’ is. Het maakt dus echt wel wat uit, wat mensen in de kerk van allerlei zaken vinden die kennelijk voor steeds meer christenen van weinig gewicht zijn. Wie het christelijk geloof wil beperken tot ‘verzoening door voldoening’ en al het andere van relatief ondergeschikt belang acht, heeft daarbij de apostelen in elk geval niet aan zijn kant. Ze sporen de gemeenten steeds weer aan ook bijvoorbeeld op het vlak van de ethiek ernst te maken met de navolging van Christus. En hun prediking heeft wel als kern de verzoening door Christus’ lijden, maar beperkt zich daartoe niet. We moeten wel rekenen met verschillen in soortelijk gewicht binnen het ene evangelie. Maar wanneer zaken van minder gewicht zijn, betekent dat niet dat ze middelmatig zijn en dat je daarvan mag vinden wat je wilt. De Schrift is een eenheid en daarin kun je niet gaan winkelen. De verleiding is groot mee te nemen wat je lekker vindt en in de schappen te laten liggen wat je minder goed uitkomt. Dat is de manier waarop de zelfbenoemde ‘cultuurchristenen’ met het christelijk geloof omgaan. Maar juist de belijdenissen – de oecumenische en daarnaast ook de gereformeerde belijdenissen die deze op verschillende manieren uitwerken – laten zien dat de boodschap van de Schrift een eenheid is.

Zonder dat fundament is elke poging tot verbinding gedoemd te mislukken.

GKV waarheen? (3)

In het eerste blog in deze serie maakte ik de stand van zaken binnen de GKV op. Wat kunnen we van de komende Generale Synode verwachten ten aanzien van de twee heetste hangijzers: de openstelling van de ambten voor vrouwen en de voorgenomen fusie met de NGK? In het tweede blog inventariseerde ik de verschillende alternatieven: als de GS niet het resultaat oplevert dat bezwaarde leden van de GKV wensen, wat dan? Welke alternatieven bieden zich dan aan? Daarbij richtte ik de blik ook naar de bezwaarden zelf. Wat zijn hun motieven om de GKV te verlaten en wat zoeken ze dan in een andere kerk?

Ik ben er in de voorgaande afleveringen steeds van uitgegaan dat de zaken die in geding zijn, een kerkelijke breuk rechtvaardigen. Maar niet iedereen deelt die opvatting. Er zijn ook kerkleden die, in weerwil van de bezwaren tegen bepaalde kerkelijke ontwikkelingen, van mening zijn dat de kerkelijke eenheid bewaard moet worden. Hebben ze daar gelijk in? Er zijn verschillende argumenten te bedenken die pleiten tegen een kerkelijke breuk. Die wil ik hier de revue laten passeren en wegen.

Het waarschijnlijk bekendste argument tegen een kerkelijke breuk is wel dat je een zieke moeder niet mag verlaten. Dit werd vroeger vooral gehanteerd in kringen van de Gereformeerde Bond binnen de Nederlandse Hervormde Kerk. Het beeld van de kerk als moeder is oud. Het werd gebruikt in de vroege kerk, en wel door Cyprianus, een bisschop uit de 3e eeuw. Van hem is de uitspraak “Wie de kerk niet als moeder heeft, kan God niet als Vader hebben”. In later tijden is die beeldspraak overgenomen, onder andere door Luther en Calvijn. Klaas Schilder gebruikte het als titel van een brochure (Ons aller Moeder). Het beeld komt in het Nieuwe Testament niet voor. Dat wil niet zeggen dat het niet Schriftuurlijk verantwoord is. Het is zeker bruikbaar om het belang van de kerk als voedster en verzorgster van de gelovigen te beklemtonen. Maar er zijn ook risico’s aan verbonden. Ik zie er drie.

Het eerste is dat dit beeld verabsoluteerd wordt en het denken over de kerk gaat beheersen. Hoe riskant dat is mag blijken uit het gebruik van het beeld van de gemeente als huisgezin van God. Ook daar is op zichzelf niets mis mee, maar als dat het zicht op de kerk gaat beheersen, kun je zo maar tot de conclusie komen dat er eigenlijk geen ruimte is voor de laatste fase van de tuchtoefening: het afsnijden van onbekeerlijke zondaars. Want kinderen die zich niet aan de regels houden moet je wel vermanen, maar zet je niet buiten de deur.

Elk beeld is onvolledig en werpt een bepaald licht op de zaak die wordt afgebeeld. In zijn verkondiging gebruikte Jezus verschillende beelden voor het koninkrijk van God. Die waren bedoeld om zijn toehoorders aan het denken te zetten. Maar geen daarvan geeft een volledige beschrijving van dat koninkrijk. Zo is het ook met het beeld van de kerk als moeder. Daarmee wordt een bepaald belangrijk aspect van de kerk naar voren gehaald. Maar het is geen driedimensionale afbeelding van de kerk.

Vervolgens suggereert het beeld van de kerk als moeder een bepaalde afstand tussen de kerk en haar leden. Een moeder en haar kind zijn immers twee verschillende personen. Nu is de kerk als instituut, met zijn kerkelijke vergaderingen, niet hetzelfde als haar leden. En het is waar dat de leden via de bediening van het evangelie en het catechetisch onderwijs gevoed worden, zoals kinderen door hun moeder. Maar daarbij dreigt uit beeld te verdwijnen dat de kerk een gebouw van levende stenen en het lichaam van Christus is. De kerk, dat zijn de leden samen. Daarom vergelijkt Paulus in 1 Corinthiërs 12 de gemeente met een lichaam dat uit heel verschillende leden bestaat die elkaar nodig hebben en niet zonder elkaar kunnen. Het is niet alleen de prediking en het onderwijs dat de leden voedt, de leden voeden ook elkaar. Dat is een belangrijk onderdeel van wat de belijdenis de gemeenschap van de heiligen noemt. Dus wanneer gelovigen zeggen dat de kerk ziek is, zeggen ze daarmee eigenlijk dat ze zelf ziek zijn. Als er hulp van een dokter nodig is, moet die niet alleen de moeder onderzoeken en haar eventueel geneesmiddelen voorschrijven, maar ook haar kinderen. Niet alleen de moeder heeft hulp nodig, maar het hele gezin.

Tenslotte roept ook het beeld van ziekte vragen op. Want ziekte is iets dat je overkomt. Daar kun je in de meeste gevallen zelf niets aan doen. Maar wanneer vrijzinnigheid de kerk binnendringt, is dat dan een ziekte die haar overkomt? Of is er wellicht toch iets meer en iets anders aan de hand? Je kunt, als je het beeld van ziekte per se wilt gebruiken, op z’n minst wijzen op de noodzaak je tegen infecties te beschermen. Kinderen worden ingeënt tegen ernstige ziekten. Terecht wordt gewaarschuwd tegen de toenemende neiging om vaccinaties maar achterwege te laten. Dat geldt ook voor de kerk. Paulus spreekt in Efeziërs 6 over de de noodzaak de wapens van God op te nemen om weerstand te kunnen bieden. Dat geldt niet alleen voor elke gelovige maar ook voor de kerk. De belijdenisgeschriften laten zien dat door zuivere prediking en door de bediening van de tucht de gezondheid van de kerk wordt beschermd. Zouden kerkelijke problemen niet eerder het gevolg kunnen zijn van gedoogbeleid dan van een ziekte die de kerk overvalt? Is de kerk niet eerder dader dan slachtoffer?

Degenen die het argument van de zieke moeder gebruiken, hechten veel waarde aan de eenheid van de kerk. Dat is terecht. We hoeven hier alleen maar te denken aan het zogenaamde hogepriesterlijk gebed van Jezus (Johannes 17), waarin hij hartstochtelijk bidt om de eenheid van wie bij Hem horen. Er zijn kerkleden die, ondanks hun bezwaren, van mening zijn dat de zaken in geding niet van zodanig gewicht zijn dat de eenheid van de kerk daarvoor op het spel mag worden gezet. Aangezien ik op dit weblog herhaaldelijk met argumenten heb betoogd dat hier wel degelijk fundamentele zaken in het geding zijn, acht ik me ontslagen van de plicht hierop nog eens uitvoerig in te gaan.

De kerkelijke eenheid is voor sommigen zo belangrijk dat ze zeer veel ruimte willen bieden aan verschillende opvattingen in de kerk. Soms lijkt het wel alsof men de idee van een leerstellig plurale kerk omarmt. Mijns inziens staat die visie zo haaks op wat de gereformeerde belijdenissen over de kerk zeggen, dat ik haar verder onbesproken laat. Maar het lijdt geen twijfel dat een mildere vorm van pluraal denken zich in de GKV heeft genesteld. Dat komt al tot uiting in de voorgenomen fusie met de NGK. Daar krijgen de opvattingen van B. Telder, die door een Generale Synode als onschriftuurlijk zijn afgewezen, ruim baan. Ook de binding van ambtsdragers aan de belijdenis zal lang niet meer zo strikt zijn als die in de GKV ooit was en dat proces zal zich, als de voortekenen niet bedriegen, doorzetten. Dat er al gezinspeeld wordt op samensprekingen over kerkelijke eenheid met de PKN hoeft dan geen verbazing te wekken.

Ooit werden de GKV beschuldigd van ‘kerkisme’, omdat zoveel nadruk gelegd werd op het belang van de kerk. Dat verwijt was misplaatst. Kerkisme is dat de eenheid van de kerk zwaarder gaat wegen dan het alleenrecht van de waarheid. En dat is precies het proces dat zich voor onze ogen in de GKV voltrekt. Ten behoeve van kerkelijke eenheid wordt aanvaard dat over onderdelen van de leer – die soms ook vergaande gevolgen hebben voor de ethiek – en belangrijke aspecten van het kerkelijk leven verschillend wordt gedacht.

Er zijn nog andere, wellicht wat steekhoudender, redenen te bedenken waarom je zou kunnen besluiten toch maar lid van de GKV te blijven, met behoud van gevoelen.

Eén aspect van de veranderingen die zich de laatste jaren in de GKV hebben voltrokken heeft naar mijn indruk niet de aandacht gekregen die het verdiende: de invoering van de nieuwe kerkorde in 2015. Wat mij hier vooral van belang lijkt is de bepaling dat gemeenteleden via de kerkelijke weg alleen die zaken aan de orde mogen stellen die hun persoonlijk raken. Daarvoor is vanuit praktisch oogpunt best begrip op te brengen, want van de mogelijkheid willekeurig welke kwestie aanhangig te maken kan misbruik gemaakt worden. Maar dat is nog geen reden zo radicaal te breken met wat altijd één van de kenmerken van gereformeerde kerken is geweest. Niet voor niets hebben ze altijd veel waarde gehecht aan het meervoud in de kerknaam. Daarmee werd tot uitdrukking gebracht dat de kerk begint op plaatselijk niveau. Gereformeerde kerken zijn een vrijwillig verband van zelfstandige kerken. Het kerkelijk leven speelt zich op het grondvlak af. Dat betekent ook dat elk kerklid in principe een gelijkwaardige positie in de kerk inneemt. De gedachte van een splitsing tussen ‘geestelijken’ en ‘leken’ is vreemd aan het gereformeerde kerkmodel. Het was één van de breukpunten tussen Rome en de Reformatie. Dit brengt echter ook mee dat elk kerklid – naar vermogen – een zekere verantwoordelijkheid draagt voor de gang van zaken in de kerk. Het is in de eerste plaats de taak van de kerkenraad toe te zien op het Schriftuurlijk karakter van de prediking, maar dat ontslaat de ambteloze leden van de gemeente niet te onderzoeken of het waar is wat hun wordt voorgehouden (naar Handelingen 17,11). En als je een verband van kerken vormt – wat in kerkelijke vergaderingen als classis en GS, maar ook in de openstelling van de kansel voor predikanten van elders tot uitdrukking komt – beperkt die taak zich logischerwijs niet tot de eigen gemeente. Daarin zit een belangrijk verschil tussen gereformeerde kerken en een hiërarchisch gestructureerde kerk.

Precies die verantwoordelijkheid voor de koers van de kerken gezamenlijk wordt de leden door de nieuwe kerkorde ontnomen. Het is niet meer mogelijk algemene zaken die de leer of de ethiek betreffen, binnen het kerkverband aan de orde te stellen. Tijdens een gesprek met vertegenwoordigers van mijn kerkenraad wees ik op de gevaren van een fusie met de NGK, vooral ten aanzien van het charismatisch gedachtegoed, dat daar vrij uitgedragen mag worden. Men deelde mijn zorg, maar mij werd toen gevraagd wat ik daartegen zelf zou doen. Ik antwoordde daarop dat die mogelijkheden er eigenlijk niet zijn, omdat de kerkorde mij als kerklid die heeft ontnomen. Het werd niet tegengesproken.

Men zou kunnen stellen dat dit gevolgen heeft voor de vraag of een kerkelijke breuk noodzakelijk is. Eén van de argumenten voor het verlaten van de kerk is immers dat je door te blijven, medeverantwoordelijk wordt voor en dus aanspreekbaar bent op wat zich daar afspeelt. Dat is in feite niet meer of alleen nog in heel beperkte mate het geval.

Naast allerlei overwegingen van principiële aard zijn er ook praktische kwesties. Ik heb al eerder gewezen op het probleem dat lang niet overal zich een alternatief voor de GKV aandient. In mijn vorige blog heb ik de verschillende opties onder de loep genomen. Dat leidde niet tot een duidelijke conclusie. De kerkelijke ontwikkelingen zijn daarvoor te gecompliceerd. Het is dan ook geen wonder dat er nogal wat leden van de GKV zijn – en daar ben ik er één van – die ertoe neigen de kerk te verlaten maar geen antwoord weten op de vraag: waar dan heen? Als er zich geen alternatief aandient, is de keuze in feite die tussen blijven en een kerkloos bestaan. Het eerste brengt, zoals ik in eerdere blogs heb betoogd, serieuze risico’s mee. Maar ook een kerkloos bestaan is riskant. Sterker nog: de keuze zou wel eens kunnen zijn tussen twee mogelijkheden die op grond van de Schrift en de belijdenis nauwelijks verdedigbaar zijn. Het is – wat gechargeerd – wat men in het Engels aanduidt als de keuze tussen “the devil and the deep blue sea”. Ook persoonlijke en gezinsomstandigheden spreken hier een woordje mee.

Zouden we misschien een vergelijking mogen maken met de situatie in een land zonder kerken van gereformeerde belijdenis? Soms zijn gelovigen genoodzaakt voor kortere of langere tijd te verblijven in een land waar kerken zoals wij die kennen, niet bestaan of waar je zelfs blij mag zijn als er überhaupt een christelijke kerk te vinden is. Wat te doen? Zich afzijdig houden omdat de kerk niet is wat ze volgens de normen van de Schrift en de belijdenis zou moeten zijn? Of toch maar lid worden, met alle bezwaren vandien, vanuit de gedachte dat het toch van groot belang is contact te onderhouden met andere christenen en regelmatig te luisteren naar de bediening van het evangelie? Of zou het wellicht een optie kunnen zijn, formeel geen lid te zijn, maar wel de diensten te bezoeken en, zoveel als de desbetreffende gemeente het toestaat, aan het gemeentelijke leven deel te nemen?

Wellicht moeten we onder ogen zien dat – in elk geval voor een bepaalde tijd – leden van de GKV in een zodanige positie verkeren dat ze niet veel anders kunnen dan toch maar, met alle bezwaren, lid te blijven van de GKV. Het zou diegenen die wel de luxe van een alternatief hebben, sieren wanneer ze zich van de problemen en dilemma’s van zulke leden bewust zouden zijn en niet direct klaar staan met gemakkelijke oordelen. Wie geniet van het water in de oase, kan maar beter niet diegenen ter verantwoording roepen die noodgedwongen in de woestijn verblijven.

Hiermee sluit ik voorlopig deze serie af. In mijn vorige blog kondigde ik aan nog speciaal in te gaan op ontwikkelingen binnen de CGK. Daarvan zie ik op dit moment af, maar ik kom er ongetwijfeld op een later tijdstip op terug. Het zal de lezer niet zijn ontgaan dat deze serie weblogs in zekere zin een open einde heeft. Ik heb niet alle vragen van een antwoord voorzien. Dat lijkt me op dit moment niet mogelijk en ik zie dat ook niet als mijn taak. Mijn doel was vooral argumenten en overwegingen aan te dragen die lezers wellicht kunnen helpen hun eigen standpunt te bepalen en beslissingen te nemen wanneer dat nodig is. Hopelijk ben ik daar enigszins in geslaagd.

GKV waarheen? (2)

30 juni 2019 1 reactie

In het eerste deel van deze serie blogs onder de titel ‘GKV waarheen’ analyseerde ik de situatie waarin de GKV zich bevinden. Ik sprak m’n vermoeden uit dat de komende Generale Synode de door de GS-Meppel ingeslagen weg zal vervolgen. En dan komen die leden van de GKV die hiertegen overwegende bezwaren hebben, voor de vraag te staan: wat nu? Die wil ik in deze blog onder ogen zien en daarbij neem ik de verschillende ‘alternatieven’ onder de loep. Daarbij kan de positie van de bezwaarden zelf niet buiten schot blijven. Want wie zich afvraagt: waarheen?, moet zich ook de vraag stellen wat hem of haar uit de GKV drijft en wat hij of zij elders zoekt.

Ter voorkoming van misverstanden een paar opmerkingen vooraf.

In de eerste plaats: wie verwacht hier het definitieve antwoord te vinden op de vraag ‘wat nu?’, zal teleurgesteld worden. Ik heb geen pasklaar antwoord. De eerste reden daarvan is dat ik me zelf nog midden in een proces van overwegen en afwegen bevind. De tweede is dat het antwoord op die vraag van allerlei factoren afhangt, waarvan ik er enkele in het verloop van het volgende verhaal naar voren zal halen.

In de tweede plaats: ik schrijf niemand voor wat hem of haar te doen staat. Ik ben niet in die positie en, zoals gezegd, er zijn allerlei factoren in het spel die van persoon tot persoon kunnen verschillen. Dat betekent dat bezwaarde leden van de GKV tot verschillende keuzes kunnen komen. Het is te hopen dat ze daarover in openheid en eerlijkheid met elkaar van gedachten kunnen wisselen zonder elkaar de maat te nemen.

Dat wil ik hier dan ook niet doen. Ik zal me over diverse zaken duidelijk uitspreken en positie kiezen. Maar de lezer dient dit niet op te vatten als een veroordeling van de keuze die hij eventueel maakt. Met mijn positiekeuze draag ik hopelijk bij tot de gedachtenvorming.

Dan nu dus de vraag: wat kunnen bezwaarde leden van de GKV doen, wanneer ze tot de conclusie komen dat ze niet langer lid van de GKV kunnen blijven?

In vroeger tijden hebben leden van de GKV, die bezwaren hadden tegen de koers van hun kerk, hun heil gezocht in de CGK. Dat is logisch, want sinds hun ontstaan hebben de GKV naar kerkelijke eenheid met de CGK gestreefd, die ze als een echte gereformeerde kerkgemeenschap beschouwden. Daarbij werd vooral gekeken naar de koers zoals die door achtereenvolgende Generale Synodes werd uitgezet, en niet zozeer naar wat zich op plaatselijk niveau afspeelde. Het feit dat de CGK in elk geval drie stromingen kent, werd niet als een overwegend bezwaar beschouwd. Inmiddels zijn de twee kerken officieel in staat van vereniging. Maar de laatste jaren is dat proces van vereniging in het slop geraakt.

Een duidelijk teken daarvan was dat het voornemen te komen tot een Gereformeerde Theologische Universiteit door de laatste Generale Synode van de CGK werd afgewezen. Daarin zouden de theologische universiteiten van GKV en CGK opgaan, samen met de predikantenopleiding van de NGK, en in samenwerking met de Gereformeerde Bond in de PKN. Officieel werden organisatorische kwesties als reden voor het besluit aangevoerd, maar het lijdt weinig twijfel dat de recente ontwikkelingen in de GKV daarbij een rol gespeeld hebben. Verzet tegen kerkelijke eenwording was er altijd al. Die kwam van de kant van de bevindelijke vleugel, verenigd rond het tijdschrift Bewaar het Pand. Ook de ‘linkervleugel’ had reserves en zocht liever toenadering tot de NGK en de PKN. Het synodebesluit laat zien dat nu ook het ‘klassiek-gereformeerde’ midden twijfels heeft over het proces van eenwording met de GKV.

Dat heeft niet alleen te maken met bijvoorbeeld de besluiten van de laatste Generale Synode van de GKV als zodanig, maar ook – en wellicht vooral – met de vrees dat een vereniging van de beide kerken ertoe zal leiden dat vergelijkbare ontwikkelingen in de CGK zelf worden versterkt. Want ook binnen dat kerkverband zijn er gemeenten die zich aan de besluiten van achtereenvolgende generale synodes niet al te veel gelegen laten liggen. Een extra probleem vormen de zogenaamde ‘samenwerkingsgemeenten’. De CGK plukken de vruchten van ongelukkige besluiten in het verleden die groen licht gaven aan gemeenten die met één been in de CGK en met het andere been in de GKV of de NGK staan. Praktisch gezien is zoiets al problematisch, want zulke gemeenten hebben met verschillende kerkverbanden en daar geldende, soms heel verschillende, regels te maken. Maar dat probleem wordt nog groter wanneer de respectievelijke kerkverbanden zich van elkaar verwijderen, zoals nu het geval is.

Inmiddels zijn ook de CGK een kerkverband in verwarring. Daarmee is hun aantrekkelijkheid voor bezwaarde leden van de GKV aanzienlijk verminderd. Want de kans is reëel dat zij, wanneer ze zich bij een CGK zouden aansluiten, op kortere of langere termijn met precies dezelfde problemen geconfronteerd zullen worden als die ze met het verlaten van de GKV achter zich dachten te hebben gelaten. Ze komen dus, nu of later, van de regen in de drup.

Er zijn leden van de GKV die zich hebben aangesloten bij een Gereformeerde-Bondsgemeente. Daar vinden ze veelal de prediking die ze gewend waren binnen de GKV te horen (zij het wellicht met wat andere accenten). Ik vermoed echter dat van degenen die vanwege de recente besluiten rond de ambten overwegen de GKV te verlaten, weinigen die stap zullen maken. Het ligt ook niet voor de hand. Eén van de bezwaren is immers dat de GKV het karakter van een plurale kerk beginnen aan te nemen. In mijn vorige blog wees ik al op het ontwerp van een kerkorde voor de kerk die uit de vereniging van GKV en NGK zal ontstaan. Die laat de plaatselijke kerken veel vrijheid, wat ongetwijfeld tot grotere, ook inhoudelijke, verschillen zal leiden. Het feit dat de GS-Meppel gemeenten de vrijheid gaf, de besluiten betreffende de ambten al dan niet uit te voeren en ook geen beperkingen oplegde met betrekking tot de principiële motivatie daarvan, bevestigt de ontwikkeling naar meer pluraliteit.

In dat licht is de keus voor een Gereformeerde-Bondsgemeente nogal merkwaardig. Want daarmee maakt men deel uit van de Protestantse Kerk in Nederland, waarin de pluraliteit betreffende de geloofsleer nog vele malen groter is dan binnen de GKV of zelfs binnen de voorgenomen verenigde kerk. Wie van mening is dat je bij de vraag of je nog langer lid kunt zijn van de GKV, niet alleen naar de eigen gemeente moet kijken, maar naar het kerkverband als geheel, zou dit ook bij de PKN moeten doen. Het lijkt me, kortom, voor bezwaarde leden van de GKV geen begaanbare weg.

Sinds de eeuwwisseling heeft een aantal bezwaarde leden de GKV verlaten, daaronder ook een aantal (emeritus-)predikanten. Daaruit zijn twee verschillende kerkverbanden ontstaan. Het oudste van de twee is De Gereformeerde Kerk (hersteld) (DGK), die op dit moment uit tien gemeenten bestaat. Van recentere datum is de vorming van De Gereformeerde Kerken in Nederland (GKN), die uit twaalf gemeenten bestaat. Het ligt voor de hand dat veel bezwaarden, die nu nog lid zijn van de GKV, vooral naar deze kerkverbanden kijken bij hun inventarisatie van de alternatieven. Qua karakter lijken ze op de GKV, waarin men is opgegroeid en zoals die nog tot de eeuwwisseling bestond. Die vertrouwdheid is een belangrijke factor.

Daar staat wel wat tegenover. Allereerst is er het praktische bezwaar van de regionale spreiding, of, beter gezegd, het gebrek daaraan. Bij zo’n klein aantal gemeenten is te verwachten dat de afstand voor een aantal GKV-leden bezwaarlijk is. Dat maakt het elke zondag deelnemen aan de erediensten problematisch, en zeker de betrokkenheid bij het kerkelijk leven door de week. Denk hier ook aan zaken als bijbelstudievereniging en catechisatie. Dat laatste is uiteraard een factor die zwaar weegt voor bezwaarden met kinderen in de catechisatieleeftijd.

Dan is er het probleem van de gescheidenheid van de twee kerkverbanden. Er zijn al diverse pogingen ondernomen om tot eenheid te komen, maar die hebben tot nu toe geen resultaat opgeleverd. Of een recente hernieuwde poging wel tot eenwording zal leiden, moet worden afgewacht. Er zijn redenen daar sceptisch over te zijn, want de beide kerkverbanden zijn toch wel redelijk verschillend in wat ik maar ‘ligging’ zal noemen. De DGK heeft al een aantal interne conflicten achter de rug, die over andere dan echt substantiële zaken gingen. Dat men dat in de DGK waarschijnlijk anders ziet, laat zien wat het probleem is. Wat uit de DGK naar buiten komt, ook via publicaties in hun tijdschrift De Bazuin (dat ik overigens alleen uit citaten in de pers ken), wekt de indruk dat dit kerkverband vooral gedreven wordt door nostalgie naar oude tijden. Men probeert de GKV van zo’n 40, 50 jaar geleden opnieuw tot leven te wekken. Daar hoort ook een rigiditeit bij, waarvan destijds de GKV bepaald niet vrij waren. Nostalgie mag een begrijpelijke emotie zijn, het kan niet dienen als basis voor een kerkverband anno nu.

De GKN staan hier wat anders in, maar ook dat kerkverband is niet van nostalgische smetten vrij. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de terugkeer naar de bijbelvertaling van 1951. Het zal best waar zijn dat er de nodige kritiek uit te oefenen valt op de Nieuwe Bijbelvertaling – maar op welke eigenlijk niet? – maar dat moet geen reden zijn dan terug te keren tot een vertaling die ook bepaald niet smetteloos is en alleen al qua taalgebruik nauwelijks meer bruikbaar is. Wie de Nieuwe Bijbelvertaling niet wil gebruiken, kan dan beter z’n toevlucht nemen tot de Herziene Statenvertaling.

Wat betekent dit voor degenen die nog lid zijn van de GKV en overwegen over te stappen naar een ander kerkverband?

Om te beginnen: de verdeeldheid tussen DGK en GKN is niet bepaald een goede reclame voor elk van beide. Het maakt ze niet aantrekkelijker. Van een vereniging van deze twee zou een signaal kunnen uitgaan dat leden van de GKV ertoe kan overhalen dan toch naar deze ‘verenigde herstelde GKV’ over te stappen. Of toch niet? Ik wil hier niet nalaten ook kritisch naar de bezwaarden te kijken (en daarbij sluit ik mezelf in). Zij moeten bij zichzelf nagaan, wat hun motieven zijn. Waarom willen ze weg uit de GKV en wat zoeken ze dan als alternatief?

Ik heb er in mijn vorige blog al op gewezen dat de uitslag van de stemmingen op de GS-Meppel laat zien dat er verschillen zijn tussen bezwaarden. Er waren kennelijk afgevaardigden die bezwaar hadden tegen het voorstel betreffende de ambten, maar positief stonden tegenover de voorgenomen fusie met de NGK. Wie kijkt naar de samenstelling van de redactie van Nader Bekeken, een tijdschrift dat men wellicht kan beschouwen als spreekbuis van de bezwaarden binnen de GKV, ziet daar lieden van verschillende pluimage als het om de opvattingen over de ter discussie staande zaken betreft. Verschillende auteurs, die in de loop van de jaren hun bezwaren hebben geuit tegen bepaalde ontwikkelingen binnen de GKV, onderschrijven de besluiten van de GS-Meppel ten aanzien van de ambten. Eén van de redactieleden liet zelfs een boekje verschijnen, waarin hij – zij het met enige reserve – de synodebesluiten verdedigt. Dat dit geschrift in eerste instantie verscheen in de serie boekjes die nauw gelieerd is aan Nader Bekeken maar de herdruk elders werd ondergebracht, laat al zien dat het in het kamp van de bezwaarden bepaald geen koekoek één zang is. Een zekere mate van wrijving is onmiskenbaar.

Wie wat rondkijkt en volgt wat er binnen de kerken gebeurt, ziet voortdurend de bevestiging van het gebrek aan eenheid. Er is geen sprake van twee ‘kampen’, die duidelijk van elkaar te onderscheiden zijn. De grenzen lopen kriskras door elkaar. Dat blijkt bijvoorbeeld ook uit de manier waarop met de liturgie wordt omgegaan. Sommige predikanten uit het bezwaarde kamp maken ruimhartig gebruik van Opwekking en andere liedbundels, die geen officiële status binnen de GKV hebben, terwijl andere daarin veel terughoudender zijn. Sommige predikanten, die je in een aantal opzichten als ‘behoudend’ kunt aanmerken, hechten aan het gebruik van kerkelijk vastgestelde formulieren bij de bediening van de sacramenten en ook van de vastgestelde teksten bij het voorlezen van de wet. Anderen gaan daar veel vrijer mee om. Ik noemde al het voorbeeld van de bijbelvertaling. Ik heb tot nu toe geen structureel verzet tegen de Nieuwe Bijbelvertaling opgemerkt. Er zijn er zelfs die zich voor de introductie daarvan hebben ingezet. Ook over de manier waarop de toelating van gasten tot het avondmaal moet worden geregeld, bestaat geen uniformiteit. Deze verschillen doen zich ook voor onder ‘ambteloze’ kerkleden, die zich tot de ‘bezwaarden’ rekenen.

Nu zou men kunnen zeggen dat het hier niet om zaken gaat die de geloofsleer raken en dat ze dus van relatief minder belang zijn. Dat is ten dele waar, maar verschillende van die zaken hebben toch wel op de één of andere manier te maken met de wijze waarop je als kerken wilt samenleven. En het gebruik van Opwekking roept allerlei vragen ten aanzien van het karakter van de liturgie op, waarover je best een stevige discussie kunt hebben. Bovendien wekken deze zaken, die vrijwel iedereen raken, nogal eens sterke emoties op, waaraan een kerkelijke gemeenschap niet zonder meer voorbij kan gaan. Het lijkt me eerlijk gezegd een illusie dat alle bezwaarden die zich nu nog binnen de GKV ophouden – inclusief een aantal predikanten – zich moeiteloos laten invoegen in de DGK of de GKN dan wel een combinatie van die twee.

Er is nog een kwestie die hier aan de orde moet komen. Die betreft de betrokkenheid van de kerk op de samenleving. Ook op dat vlak hebben de GKV een ommezwaai gemaakt. Vroeger was het uitgangspunt dat de kerk zich niet mengde in maatschappelijke en politieke aangelegenheden. (In de praktijk gebeurde dit wel degelijk, zoals ik noteerde in een eerdere blog.) Daartoe aangezet door de prediking in de kerk, zouden haar leden in politiek en maatschappij actief moeten worden en daar hun geloof in praktijk moeten brengen. Inmiddels is dat uitgangspunt verlaten (mede doordat allerlei organisaties hun exclusieve band met de GKV hebben losgelaten). Kerken houden zich nu als kerk bezig met maatschappelijke vraagstukken, zoals eenzaamheid, armoede en integratie van allochtonen. Hulp aan vluchtelingen en asielzoekers is niet meer een activiteit van individuele kerkleden, maar wordt gestimuleerd vanuit de kerk, via de diaconie en door middel van preken en voorbeden. Ook uit de bestemming van collecten blijkt die betrokkenheid bij maatschappelijke en politieke kwesties; denk aan de voedselbank of Schuldhulpmaatje.

Er valt genoeg te bekritiseren aan de ontwikkelingen in de GKV, maar dit beschouw ik als een positieve ontwikkeling. Maar ik denk dat niet iedere ‘bezwaarde’ dat zo ziet. De vraag is dus hoe een ‘nieuwe’ kerkgemeenschap – of een uitbreiding van GKN en/of DGK – zich op dat vlak zal gedragen. Gezien het feit dat sommige bezwaarden hun stem aan de SGP geven, die een uitgesproken conservatief geluid laat horen, doet me vermoeden dat ook hier een bron van spanningen ligt.

Als ik de ontwikkelingen binnen de GKV en de ‘tegenbeweging’ analyseer, kan ik onmogelijk erg optimistisch zijn. Veel bezwaarde GKV-leden wachten op de eerstvolgende Generale Synode. Mij lijkt dit formeel correct, maar ook niet meer dan dat. Er is wel veel fantasie voor nodig om te geloven dat deze synode de gesignaleerde problemen zodanig zal aanpakken dat de GKV met recht de naam ‘gereformeerd’ mogen blijven dragen. De ontwerp-kerkorde van de gefuseerde GKV/NGK bevestigt deze ontwikkelingen en laat zien dat de gefuseerde kerk vooral op de NGK zal gaan lijken en nog maar weinig gemeen zal hebben met de GKV, zoals die tot het begin van deze eeuw was.

Op grond daarvan lijkt een breuk onafwendbaar. Maar zal dat leiden tot het ontstaan van één nieuwe gereformeerde kerk? Ik heb daarover grote twijfels. De conflictstof ligt voor het oprapen. Bij een kerkelijke breuk hebben niet alle ‘afgescheidenen’ per definitie dezelfde motieven. Bij sommigen bestaat er ook een algemene weerzin tegen modernisering. Naast alle terechte kritiek op ontwikkelingen binnen de GKV, valt een zekere verwantschap met het maatschappelijk en politiek populisme niet te ontkennen. Diegenen die worden gedreven door een – romantisch – verlangen naar de veiligheid en de duidelijkheid van de kerk van het verleden, zullen na een eventuele breuk in een nieuwe kerk – of die nu helemaal nieuw is of aansluiting vindt bij DGK en/of GKN – na korte of langere tijd teleurgesteld raken. Want het verleden komt niet weerom.

Conservatisme of zelfs reactie zijn geen goede recepten voor een ‘herstelde’ gereformeerde kerk. Het gaat er niet om te herstellen wat er eens was. Het gaat er om gereformeerde kerk te zijn in de samenleving van nu. Die stelt andere vragen en kent andere problemen. De uitdaging van de kerk is vanuit het blijvende Woord en de belijdenis die haar samenvat, daarop de antwoorden te vinden.

Het was mijn bedoeling het bij twee blogs over dit onderwerp te laten. Maar nu ik aan het slot van de tweede aflevering aangekomen ben, dringt zich de vraag op of een derde aflevering niet noodzakelijk is. De ontwikkelingen in de CGK staan niet stil. Er zijn geluiden die er op wijzen dat ook binnen de CGK de mogelijkheid van een kerkelijke breuk serieus wordt overwogen. Dat is nieuw, want alleen de gedachte al was binnen de CGK altijd zoiets als vloeken in de kerk. Het is belangrijk genoeg om daaraan apart aandacht te besteden. Wellicht kan de CGK een sleutelpositie gaan innemen in wat een kerkelijke herverkaveling zou kunnen worden. Ik verbind dit dan met de vraag die ik tot nu toe heb laten liggen: is een breuk inderdaad onvermijdelijk en zelfs gewenst? Of zijn er wellicht toch argumenten om gewoon lid te blijven van een kerk waartegen je zwaarwegende bezwaren hebt?

GKV waarheen? (1)

De Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) (GKV) zijn een kerkverband in verwarring. Sinds de perikelen van de jaren ’70 van de vorige eeuw, die tot het ontstaan van de Nederlandse Gereformeerde Kerken (NGK) leidden, bevond het kerkverband zich in relatief rustig vaarwater. Natuurlijk kwamen op kerkelijke vergaderingen, zoals Generale Synodes, wel zaken aan de orde die aanleiding gaven tot verschil in opvatting, maar die waren zelden van fundamentele aard. Sinds de eeuwwisseling is het vaarwater nogal troebel geworden. Er begon van alles te schuiven, vaak eerst in plaatselijke kerken en daardoor van een beperkte reikwijdte. Eén van de kenmerken van de veranderingen was dat ze vaak stilzwijgend plaatsvonden. Men confronteerde zich niet met de gangbare opvattingen en praktijken en voelde zich daarom ook niet geroepen nieuwe opvattingen en vormen te beargumenteren.

Die fase hebben de GKV achter zich gelaten. De meningsverschillen zijn de laatste jaren aan de oppervlakte gekomen en niemand kan meer doen alsof ze er niet zijn. Dat heeft drie oorzaken. De eerste is het besluit van de laatste Generale Synode (aan te duiden als GS-Meppel) de ambten van predikant, ouderling en diaken open te stellen voor vrouwen. De tweede is het besluit te streven naar een fusie op afzienbare termijn met de NGK. De derde is het besluit van de GS-Meppel een studie te laten verrichten naar de positie van homoseksuelen – en dan met name diegenen die een relatie aangaan – binnen de kerk. Terwijl dat laatste onderwerp op de eerstvolgende GS (GS-Goes, 2020), die in november a.s. wordt geopend, waarschijnlijk nog niet aan de orde zal komen, zullen de eerstgenoemde twee kwesties daar een centrale rol spelen. Dat heeft, voor wat de openstelling van de ambten betreft, vooral te maken met de bezwaren die door diverse kerken zijn ingebracht tegen het besluit van de GS-Meppel.

Inmiddels wordt er op allerlei niveaus gediscussieerd over dat besluit. Dat gebeurt niet alleen op landelijk niveau, via publicaties in allerlei vorm, maar ook in gemeenten, dankzij het feit dat de GS de gemeenten de vrijheid gaf de genomen besluiten al dan niet uit te voeren. Het heeft in veel gemeenten voor wrijving en verwijdering gezorgd. Niet alleen ‘bezwaarden’ vragen zich af: wat nu? Waar gaan we als kerken heen? Kunnen we de eenheid nog bewaren of bestaat die in feite al niet meer? En als er een breuk optreedt, wat dan? Een alternatief dient zich niet altijd direct aan. Niet weinige bezwaarden kunnen het de Gereformeerde Bond nazeggen, toen die met de aanstaande vorming van de PKN werd geconfronteerd: we kunnen niet mee en we kunnen niet weg.

Ik wil hier een poging doen de stand van zaken op te nemen en m’n gedachten laten gaan over de te verwachten ontwikkelingen. Wat kunnen we van de komende Generale Synode verwachten en wat zullen de consequenties van eventuele besluiten zijn?

Allereerst de kwestie betreffende de openstelling van de ambten. Voor de goede orde: het gaat daarbij vooral om de ambten van predikant en ouderling. Over de openstelling van het ambt van diaken bestaat een vrij grote overeenstemming.

Ik zie hier vier opties.

De eerste is dat de GS tot de conclusie komt dat het besluit van de GS-Meppel principieel onjuist was en dat op grond van de Schrift de ambten van predikant en ouderling aan mannen voorbehouden zijn. Dat zal vèrgaande consequenties hebben. Het betekent dat er geen basis is voor de ambtsuitoefening van die vrouwen die al als ouderling functioneren. Zij zullen hun ambt per direct moeten neerleggen. Dat is uiteraard een pijnlijke zaak. Maar nog pijnlijker is de principiële kant. Want toen zij bevestigd werden, hebben zij “ja” gezegd, toen hun gevraagd werd of ze ervan overtuigd waren dat God hun tot die taak geroepen had. Dat moet dan achteraf als een vergissing worden aangemerkt. Daarbij blijft het niet. Want zo’n besluit impliceert dat de opvattingen van de voorstanders van de openstelling van de ambten voor vrouwen als onschriftuurlijk moeten gelden. Wat betekent dit voor het functioneren van predikanten en hoogleraren die zulke opvattingen publiek hebben uitgedragen? Er is niet veel fantasie voor nodig om te beseffen dat een zodanig besluit als een splijtzwam zal gaan werken. Alleen al om die reden kunnen we er gevoeglijk van uitgaan dat zo’n besluit niet genomen zal worden.

De tweede optie is dat wordt uitgesproken dat uit de discussies blijkt dat er veel onzekerheid bestaat over de correcte uitleg van teksten die met het onderwerp te maken hebben. De synode zou, vanuit de overweging dat een grote mate van consensus in deze kwestie gewenst is, kunnen besluiten een studie-deputaatschap te benoemen dat zich nog eens over de exegese van relevante Schriftplaatsen gaat buigen en met name over die, welke aanleiding geven tot fundamentele verschillen van inzicht. Je zou dit de veilige optie kunnen noemen. Definitieve besluiten worden niet genomen, noch in de ene noch in de andere richting. De discussie op allerlei niveaus kan worden voortgezet zonder consequenties voor de deelnemers. Het ligt voor de hand dat, zolang geen nieuw besluit wordt genomen, geen vrouwen in de ambten worden bevestigd. Die vrouwen die al een ambt bekleden, zouden hun termijn kunnen volmaken.

De derde optie is dat de synode uitspreekt dat het besluit weliswaar juist is maar dat de argumentatie te wensen overlaat. Ze zou uit haar midden een aantal afgevaardigden aan het werk kunnen zetten om een deugdelijker onderbouwing van de genomen besluiten te formuleren. Dit is de meest problematische optie. Het komt er in feite op neer dat de synode zegt: vrouwen mogen wel in de ambten benoemd worden, maar we weten eigenlijk niet zo goed waarom. Je zou dit ook de meest gênante optie kunnen noemen. Hiermee deelt de synode zichzelf en haar voorgangster een brevet van onvermogen uit.

De vierde optie heeft met de eerste gemeen dat ze de helderste is. De synode bevestigt het besluit van de GS-Meppel en meent dat de onderbouwing toereikend is en recht doet aan de Schrift. Maar daarmee is de kous niet af. De vraag die ze daarbij niet kan ontlopen, is of ze het kan volhouden dat alle meningen gelijke rechten hebben binnen de kerken. Want als de discussie sinds de laatste GS iets laat zien is het dat dit leidt tot ongemak, wrijving en gewetensconflicten. De synode ontkomt er niet aan zich af te vragen of deze verdeeldheid nog past binnen de bandbreedte van wat we als kerken onder ‘gemeenschap van de heiligen’ verstaan. Een bevestiging van de besluiten zal onvermijdelijk – en ook hier ligt een parallel met de eerste optie – tot verdere verdeeldheid leiden en wellicht tot een formele breuk binnen het kerkverband.

Welke optie is de meest waarschijnlijke? Ik zou het niet weten. De eerste is, zoals ik al suggereerde, de minst waarschijnlijke. De consequenties daarvan zullen zo ingrijpend zijn dat men het niet zal aandurven, zo’n besluit te nemen. Uiteraard hangt de uitkomst af van de vraag hoe de synode is samengesteld. Het lijkt echter onwaarschijnlijk dat er voldoende draagvlak zal zijn voor een zo vèrgaand besluit. Het feit dat tenminste twee vrouwelijke ouderlingen zijn afgevaardigd naar de GS-Goes maakt dat nog onwaarschijnlijker. Het zal dus wel één van de andere drie worden. Vooralsnog geef ik de laatste de meeste kans.

Er is nog een tweede kwestie die de gemoederen bezighoudt, al neemt die in de discussies in de pers en op vergaderingen een minder prominente plaats in. Dat laatste zou wel eens z’n oorzaak daarin kunnen vinden dat de fusie met de NGK minder verzet oproept dan de openstelling van de ambten voor vrouwen. Het is opvallend dat tijdens de GS-Meppel de stemverhoudingen bij deze twee onderwerpen verschilde. Het aantal stemmen tegen de fusie tussen GKV en NGK was kleiner dan dat tegen het voorstel betreffende de ambten. Daaruit moet de conclusie getrokken worden dat er afgevaardigden waren, die bezwaar hadden tegen de toelating van vrouwen tot de ambten, maar niet tegen de fusie met de NGK. En dat is vreemd. Want binnen de NGK is de uitoefening van de ambten van predikant en ouderling door vrouwen geen onderwerp van discussie meer. Het is inmiddels ingeburgerd en de kans dat het na een fusie met de GKV nog weer ter discussie zal worden gesteld, lijkt me vrij klein. Degenen die verschillend stemden, zullen zich toch wel gerealiseerd hebben dat met een fusie precies datgene de kerk binnenkomt, wat ze door hun tegenstem bij het voorstel over ‘vrouw en ambt’ buiten de deur wilden houden?

Maar daarbij blijft het niet. Zoals ik in eerdere weblogs heb betoogd, komen met de fusie ook andere zaken de kerk binnen die je juist zou moeten weren. Dat betreft de te zwakke binding aan de belijdenis en – daarmee annex – een te grote vrijheid van plaatselijke kerken op het gebied van de geloofsleer en de ethiek, alsmede de vrijheid de leer van ds. B. Telder uit te dragen en, niet te vergeten, het gedachtegoed van New Wine, dat op een aantal punten niet verenigbaar is met de gereformeerde geloofsleer en de gereformeerde manier van kerk-zijn. Het voorstel voor een kerkorde van de verenigde kerk onderstreept dat die kerk meer op de huidige NGK zal gaan lijken dan op de GKV, zoals die tot aan het begin van deze eeuw was.

Het feit dat tegen deze fusie zo weinig weerstand wordt geboden, is bepaald verontrustend. Kennelijk zien verreweg de meeste voorgangers en kerkenraden hier geen problemen. En van degenen bij wie dat wel het geval is, is lang niet iedereen bereid daaraan de consequentie te verbinden dat die fusie dan maar niet door moet gaan. Ik weet op dit moment niet of tegen het principebesluit tot een fusie door gemeenten bezwaren zijn ingebracht en ook niet wat de synode op dit punt eventueel nog zou moeten besluiten. Vooralsnog lijken de kansen dat er nog zand in de machine wordt gestrooid, niet erg groot. De trein zal dus wel voortrazen tot een stadium is bereikt dat er in feite geen weg terug meer is.

Wanneer inderdaad zal gebeuren wat ik hierboven als het meest waarschijnlijke heb aangemerkt, zullen leden van de GKV die zich met deze ontwikkelingen niet kunnen verenigen, des te nadrukkelijker voor de vraag komen te staan: wat nu? Daarover gaat de tweede aflevering van deze serie.

Parels voor de zwijnen

Het is weer Pasen geweest. Dat gaat in de regel niet ongemerkt voorbij. Dat was dit jaar zeker het geval. Op eerste Paasdag werd de wereld opgeschrikt door een terroristische aanslag op Sri Lanka, waarvan vooral christenen, die in kerken bijeen waren om de opstanding van Christus te herdenken en te vieren, het slachtoffer werden. Die datum was door de (waarschijnlijk) extremistische islamitische zelfmoordterroristen niet toevallig gekozen. Terwijl Jezus in de islam met egards wordt tegemoet getreden en de herdenking van zijn geboorte weinig weerstand ontmoet, is zijn opstanding een splijtzwam. Daarin komt immers naar voren dat hij echt God is, en dat wil er bij moslims – en niet alleen bij hen – niet in. Pasen is het feest waardoor bij uitstek het christendom zich van andere religies onderscheidt.

Maar ook andere jaren krijgt Pasen en wellicht nog meer de daaraan voorafgaande passietijd (voor seculieren is dat één pot nat) veel aandacht. In Nederland bezoeken vele duizenden één of meerdere uitvoeringen van de Matthäus-Passion van Johann Sebastian Bach. Daarin heeft ons land een traditie opgebouwd, die uniek is in de wereld en door buitenlandse muziekliefhebbers met verbazing wordt geregistreerd. Sinds 2011 is daar dan nog een ‘populaire’ versie van het lijdensverhaal bijgekomen: The Passion, georganiseerd door KRO-NCRV en EO. Die trekt elk jaar veel aandacht en ook de directe uitzendingen via de televisie worden door heel wat mensen bekeken. Zo gezien staat het er in Nederland met de aandacht voor het evangelie van het lijden en sterven van Christus en van zijn opstanding, in weerwil van de secularisatie, niet slecht voor.

Dat weerhoudt sommigen er niet van de alarmbel te luiden. Uit rechts-nationalistische hoek, en vooral door degenen die zich als ‘cultuurchristenen’ beschouwen, worden elk jaar alarmistische betogen afgestoken dat Nederland bezig is zijn christelijke feestdagen in de uitverkoop te doen, in een kennelijke poging de moslims onder ons niet voor het hoofd te stoten. Dit jaar was het de beurt aan Syp Wynia, voormalig redacteur van Elseviers Weekblad, om op Twitter te waarschuwen voor het verval van de christelijke feesten, en dan vooral Pasen. Daarbij verwees hij niet zozeer naar wensen van moslims, want dat zij bezwaar zouden maken tegen de viering van Pasen kunnen inmiddels zelfs de meest radicale islamofoben niet meer volhouden. Hij verweet vooral ‘autochtone’ Nederlanders, en dan met name christenen en hun organisaties, daaronder ook kerken, niet meer op te komen voor het behoud van hun feestdagen. Gevraagd naar bewijzen, bleef het stil. Het zal best waar zijn dat hier en daar in ‘autochtone’ kringen, en misschien zelfs in christelijke kring, suggesties gedaan worden om bijvoorbeeld een christelijke feestdag in te leveren in ruil voor een algemene vrije dag op een islamitisch feest. Maar dat is niet de algemene trend.

De alarmbellen van cultuurchristenen klinken ook nogal vals. Zij zien de christelijke feestdagen in de eerste plaats als piketpaaltjes van de Nederlandse Leitkultur. Ze brengen die feesten in stelling tegen bedreigingen van ‘vreemdelingen’. Het is een instrument in handen van een nationalistische ideologie. Cultuurchristenen maken zich in het geheel geen zorgen over de vraag of de boodschap van de evangeliën nog wel gehoord wordt. In de kerk zul je ze op eerste Paasdag niet aantreffen. Een zichzelf ‘cultuurchristen’ noemend politicus als Thierry Baudet liet er niet lang geleden in een discussie met SGP-leider Kees van der Staaij geen twijfel over bestaan dat hij geen boodschap heeft aan het christelijk geloof volgens de bijbel en dat hij zelfs een uitgesproken afkeer van christelijke kerken en organisaties heeft.

Het is overigens nog maar de vraag of het zo betreurenswaardig zou zijn, wanneer de aandacht voor de christelijke feesten zou verminderen. Want de aandacht die ze nu krijgen, of dat nu commercieel of muzikaal is, heeft meestal weinig te maken met waar die feesten echt over gaan. Natuurlijk, in Bachs Matthäus-Passion komt het evangelie onversneden naar voren. Maar hoeveel luisteraars begrijpen de boodschap? Het zal in Nederland niet zo zijn als in Frankrijk, waar het overgrote deel van de toehoorders geen flauw idee heeft waar dat werk eigenlijk over gaat, althans wanneer we Philippe Herreweghe, één van de grote Bachspecialisten van onze tijd, mogen geloven. Maar ook hier wordt de kern van de boodschap vaak gemist. Daaraan dragen ook uitvoerende musici en dirigenten bij, door aan Bachs werk, dat voor de Lutherse liturgie is bedoeld, een humanistische draai te geven, die onrecht doet aan de boodschap van het werk. Wie meent dat het alleen maar gaat over “verraad, om zwakte en om de dood waarvan we hopen dat hij niet het laatste woord heeft”, mist de essentie.

Dat laatste citaat slaat trouwens niet op de Matthäus-Passion, maar zijn woorden van Leo Fijen, hoofdredacteur levensbeschouwing van KRO-NCRV en één van de geestelijke vaders van The Passion. Het is zijn antwoord op de vraag of “The Passion door al die mensen zo gewaardeerd [wordt] vanwege het spektakel en de stoet van zingende BN’ers die langstrekt, of (…) de mooie kijkcijfers – vorig jaar keken 3,2 miljoen mensen – wel degelijk uitdrukking [geven] aan een brede ontvankelijkheid voor de Paasgedachte” (De Volkskrant, 17.4.19). Niet dat hij de geestelijke dimensie onder het kleed schuift. Hij voegt eraan toe: “En het gaat om de paradox van de Stille Week voor Pasen: dat Christus ons het meest geeft als hij kansloos aan het kruis hangt.” Maar is dat echt alles?

The Passion vindt op diverse plaatsen in het land navolging, in de vorm van ‘mini-Passions’, Passiespelen of een uitbeelding van de kruisweg. “De kruisweg [in Sneek] is nota bene geopend door een burgemeester die zegt niet te geloven, maar die zo’n initiatief ziet als een welkome bijdrage aan de gemeenschapszin.” En daarmee wordt de herdenking van Christus’ lijden dienstbaar gemaakt aan een maatschappelijk ideaal van verbinding over grenzen heen. Met dat ideaal is niets mis, maar het lijden en sterven van Christus brengt nu juist geen verbinding, maar eerder verdeeldheid. Want iedereen die het verhaal hoort, wordt voor de keuze gesteld of hij de boodschap van persoonlijke schuld en de noodzaak van verzoening door een Ander aanvaardt of verwerpt. Van het antwoord hangt zijn of haar toekomst af. Het lijden en sterven van Christus is een tweesnijdend zwaard, om een bijbelse term te gebruiken.

Het is een oude vraag: mag wat kan? Moeten we blij zijn met een project als The Passion of het op z’n minst het voordeel van de twijfel geven? Een predikant schreef op Twitter dat hij een echtpaar kende dat door het kijken naar The Passion tot nadenken was gebracht en uiteindelijk tot geloof was gekomen. Dat is goed om te horen, maar kan niet dienen als argument ten faveure van dit project.

De verdeeldheid op dit punt is deels een kwestie van smaak, maar wellicht ook van cultuur. Ik zie hier – generaliserend gesproken – een verschil tussen de evangelische en de reformatorische wereld. De eerste – die voor een niet gering deel in de Amerikaanse cultuur wortelt – is over het algemeen wat minder huiverig om elementen van de hedendaagse, seculiere cultuur over te nemen en die voor eigen doeleinden te gebruiken. Of de vorm wel bij de inhoud past, is naar mijn waarneming nauwelijks een onderwerp van discussie. Vorm en inhoud lijken twee geheel gescheiden compartimenten te zijn. Het gaat toch in de eerste plaats om de goede bedoelingen; de vorm is van relatief ondergeschikt belang. Dat komt ook tot uiting in de evangelische liedcultuur. Als men al erkent dat aan de kwaliteit van teksten en muziek het één en ander ontbreekt, wordt dat niet echt als een probleem ervaren.

In de reformatorische wereld staat men traditioneel wat gereserveerder tegenover moderne cultuuruitingen. In bevindelijke kring uit zich dat in een meer of minder sterke vorm van wereldmijding. In kringen die door het denken van Abraham Kuyper zijn beïnvloed, staat men positiever tegenover de samenleving en uitingsvormen van de moderne cultuur als zodanig, maar die liggen altijd onder het beslag van de antithese. Dat laatste begrip wordt zelden meer in discussies gebruikt, maar de achterliggende gedachten – waartoe ook de overtuiging gerekend kan worden dat niet alles wat in onze tijd opgeld doet, zonder meer omarmd kan worden en bruikbaar gemaakt kan worden voor het eigen ideaal – zijn nog wel degelijk levend.

Ik denk echter dat er een diepere laag aangeboord moet worden. De hier aangesneden kwestie heeft mijns inziens een principiële kant. Evangelischen hebben van oudsher een sterke drive om zoveel mogelijk mensen met het evangelie in aanraking te brengen, rechtsom of linksom. Daarbij hebben ze ongetwijfeld de Schrift aan hun zijde. Voor zijn hemelvaart geeft Jezus zijn discipelen de opdracht alle volken tot zijn leerlingen te maken. Die lieten, zoals het boek Handelingen laat zien, weinig middelen onbeproefd om hun boodschap te slijten. Of we dat als maatstaf moeten nemen voor vandaag, is de vraag. Uiteindelijk weten we niet of ze bepaalde middelen bewust hebben laten liggen omdat die niet bij de aard van hun boodschap pasten. Bovendien zijn er dusdanige verschillen tussen de culturen van toen en die van nu dat het optreden van de apostelen toen niet zonder meer overgebracht kan worden naar onze tijd.

De sterke motivatie tot evangelisatie van de evangelische beweging is bewonderenswaardig, maar er zit wel een schaduwkant aan. Het leidt vaak tot een manier van optreden die onnodig weerstand opwekt en vaak getuigt van een gebrek aan sensitiviteit. Dat is niet maar een kwestie van cultuur, dat heeft een diepere reden. Ik heb er al eerder, naar aanleiding van de dood van de Amerikaanse evangelist John Chau, op gewezen dat in de evangelische beweging het arminianisme een niet te onderschatten rol speelt. Op het vlak van zending en evangelisatie leidt dat ertoe dat men geneigd is aan de mens een te grote rol toe te kennen. Uiteindelijk hangt het van de gelovigen af of ‘de wereld’ met het christelijk geloof in aanraking komt. Dan is eigenlijk geen middel te gek. Het verklaart ook waarom het nogal eens voorkomt dat evangelische gelovigen hun ‘gewone’ beroep opgeven om zich een ‘bediening’ toe te eigenen. Werk is tenslotte maar werk en je specifiek inzetten voor de verbreiding van het evangelie is van veel groter gewicht.

In de gereformeerde traditie wordt meer ruimte gelaten aan de heilige Geest. In de gereformeerde belijdenissen en vooral in de Dordtse Leerregels wordt beklemtoond dat de mens wel een rol speelt – en moet spelen – in de verkondiging van het evangelie, maar dat het uiteindelijk de heilige Geest is die het geloof geeft. Hij kan dat doen – en doet dat soms ook – zonder menselijke tussenkomst. Dat geeft rust: wanneer mensen geen mogelijkheden zien of van mening zijn dat bepaalde middelen niet bij de aard van de boodschap passen, weet de Geest wel raad. Hij kan langs andere wegen mensen toch bereiken. Maar hij kan ze ook het geloof onthouden.

Evangelischen en gereformeerden erkennen beide dat de heilige Geest met een kromme stok een rechte slag kan slaan. Daarmee is nog niet gezegd dat we hem kromme stokken moeten aanbieden, in de verwachting dat hij er een rechte slag mee slaat. Sterker nog: ook van het laten liggen van een kromme stok kan een boodschap uitgaan. Passie en Pasen zijn parels van grote waarde. Ze zijn te kostbaar om ze voor de zwijnen te gooien.

Klimaat in de kerk

Lange tijd leek de christelijke kerk – in algemene zin: de gezamenlijke christenen in Nederland – definitief in de marge van de samenleving te zijn gedrukt. Weinig mensen lieten zich nog iets gelegen liggen aan wat kerken te melden hadden. Is daar iets in veranderd? Je zou het bijna denken. Want de laatste maanden hebben activiteiten van en gebeurtenissen in kerken nogal wat aandacht getrokken.

De eerste publieke manifestatie van de kerk was het zogenaamde kerkasiel. Wat oorspronkelijk als een actie van een vrijgemaakt-gereformeerde kerk begon, breidde zich al snel als een olievlek over christelijk Nederland uit. Mensen van allerlei kerkelijke kleur – van orthodox tot vrijzinnig – traden als ‘voorganger’ in de doorlopende ‘kerkdienst’ op. Dat trok de aandacht van de media, tot in de Verenigde Staten aan toe. In bepaalde kringen – die waarin men zich sterk maakt voor een ruimhartig asielbeleid – leverde dit de kerken veel goodwill op. Die leek teniet te worden gedaan toen de zogenaamde Nashville-verklaring verscheen. Dat sommige kerken of delen van kerken zich daartegen uitspraken, werd wel waargenomen, maar toch kwamen ‘de kerken’ hiermee in een kwaad daglicht te staan. En toen was daar de scriba van de PKN, René de Reuver, die publiek steun uitsprak voor de door Milieudefensie georganiseerde Klimaatmars. Voorafgaand aan die mars is er een oecumenische viering met een klimaatgebed en een klimaatlied.

Terwijl deze stellingname bij diegenen die zich sterk maken voor een actiever klimaatbeleid in goede aarde valt, stuit ze ook op kritiek. Die komt, zoals te voorspellen was, van de rechterzijde in het politieke spectrum, waar men er moeite mee heeft de feiten rond klimaatverandering onder ogen te zien en, wanneer men de opwarming van de aarde al erkent, geneigd is het gedrag van de mens als haar oorzaak te ontkennen of zo klein mogelijk te maken. Daaruit vloeit voort dat klimaatbeleid eigenlijk overbodig is. Maar ook binnen de PKN is er kritiek. Die richt zich op twee punten. In de eerste plaats zijn er ook in de kerk mensen die twijfels hebben aan de feitelijkheid van de klimaatverandering en de menselijke oorzaken daarvan. Die voelen sterke verwantschap met de hierboven geschetste politieke opvattingen. Maar ook bij degenen die wel bereid zijn toe te geven dat we een probleem hebben en dat daaraan iets gedaan moet worden, heerst soms ongemak over het ‘activistische’ karakter van de nagestreefde maatregelen. Wordt hier niet teveel van de maakbaarheid van de werkelijkheid uitgegaan? Sommige nemen hier de term ‘klimaatreligie’ of ‘klimaatgeloof’ in de mond. Daarmee wil men tot uitdrukking brengen dat men vindt dat het zwaartepunt teveel van het jenseits naar het diesseits is verschoven.

Het is niet zonder ironie dat men daarmee een term gebruikt die ook wordt gehanteerd door seculieren die een weerzin tegen elke vorm van religie hebben. Door het streven naar een klimaatbeleid als ‘religie’ te bestempelen, maken ze duidelijk dat de daarachter liggende opvattingen niet op feiten maar op geloof zijn gebaseerd en daarom niet serieus genomen dienen te worden. Voor hen vallen ze in de sfeer van de sprookjes, zoals ze ook de bijbel als een sprookjesboek beschouwen.

Er is nog een tweede bezwaar. Sommige leden van de PKN, en dan met name degenen die zich in de behoudende flank van de kerk bevinden, hebben ernstige bedenkingen tegen een politieke rol van de kerk. Daarbij wordt er op gewezen dat de politieke opvattingen van de leden van de PKN sterk uiteenlopen. Dat maakt het voor de kerk moeilijk een standpunt in te nemen, want er zijn altijd leden die zich niet vertegenwoordigd voelen in de opvattingen die door de kerkleiding worden uitgedragen. Daarnaast heeft men principieel bezwaar tegen politieke stellingnamen van de kerk. Vooral dit bezwaar vindt ook buiten de PKN weerklank. Zeker de kleinere protestantse kerken zijn traditioneel huiverig om politieke standpunten in te nemen. Ze laten dat liever aan hun leden over, die zich vanuit hun geloofsovertuiging in politiek en samenleving inzetten.

Hebben de critici gelijk? We zullen zien.

In een wat verder verleden hebben de twee grootste kerken die nu de PKN vormen – de Nederlandse Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken in Nederland, soms aangeduid als ‘synodaal’ – allerlei politieke uitspraken gedaan, bijvoorbeeld ten aanzien van het bezit en gebruik van kernwapens, de apartheid in Zuid-Afrika of de oorlog in Vietnam. Daartegen kwam fel verzet vanuit de kerk zelf, maar ook door politieke partijen die een tegenovergesteld standpunt innamen, werden zulke acties niet op prijs gesteld. Kleinere reformatorische kerken hebben zich van dat soort uitspraken altijd onthouden. Nu ligt dat alleen al uit formeel oogpunt voor de hand. De Nederlandse Hervormde Kerk was een landelijke organisatie met plaatselijke afdelingen en kon dus uitspraken doen, omdat de generale synode, waar dit soort zaken besproken werden, een permanent bestuursorgaan vormde. Hoewel de Gereformeerde Kerken anders georganiseerd waren en oorspronkelijk een vrijwillig verband van plaatselijke kerken waren – vandaar het meervoud in de naam – gingen die in de loop van de tijd steeds meer op de Hervormde Kerk lijken. De synode kreeg een semi-permanente status. Daarmee lag de weg vrij als kerk uitspraken te doen die boven het belang van het kerkverband uitgingen. Dat was en is in de kleinere kerken, zoals de GKV en de CGK, principieel anders. Wanneer daar de laatste vergadering van de generale synode is gesloten, houdt dit orgaan op te bestaan. Er is dus geen instantie die op permanente basis zich namens de kerk in het publieke debat kan mengen.

Toch is er reden het verschil enigszins te relativeren. Het enkele feit dat kerkelijke vergaderingen geen politieke uitspraken doen, impliceert niet dat een kerk zich verre houdt van politiek. We moeten dan vooral naar plaatselijke kerken kijken. Uiteraard is het onmogelijk daarvan een compleet beeld te krijgen. Maar zo nu en dan viel in de pers wel iets over initiatieven van kerken(raden) te lezen. Hier en daar heeft een kerkenraad zich weleens tot de plaatselijke overheid gericht, bijvoorbeeld over de openstelling van winkels op zondag. Zelf kan ik me herinneren dat op GKV-kansels rondom verkiezingen nauwelijks verholen voor een goede uitslag voor het Gereformeerd Politiek Verbond (later opgegaan in de Christenunie) werd gebeden. Nu kan men zeggen dat hier wel een verschil ligt: uitspraken van kerkelijke vergaderingen waren veel gedetailleerder en gaven ook aan wat van de overheid verwacht werd. Daar tegenover kan gewezen worden op de manier waarop in preken en kanselgebeden werd gereageerd op de politieke discussies over wetgeving met betrekking tot abortus en euthanasie. Misschien moeten we toch concluderen dat de verschillen wellicht niet zo groot waren als gesuggereerd wordt.

Nu kan ik me voorstellen dat me tegengeworpen wordt dat het in de laatstgenoemde gevallen gaat om zaken waarover de bijbel glashelder is en dus geen verschil van mening kan of mag bestaan. Maar dat is uiteraard subjectief. Want synodes die uitspraken deden over kernwapens of apartheid waren van mening dat ook daarover de bijbel geen misverstand liet bestaan. De vraag of we aan de bijbel concrete aanwijzingen kunnen ontlenen voor de politieke besluitvorming en zo ja, welke precies, hangt uiteindelijk af van de manier waarop je de bijbel leest. Geen wonder dus dat daarover de meningen uiteen lopen.

En daarmee zijn we dan ook direct bij de zaken die nu een rol spelen. Ik zal de kwestie rond het kerkasiel hier grotendeels laten rusten, omdat die intussen geschiedenis is. Op dit moment trekt vooral het thema ‘klimaat’ de aandacht. Moet de kerk op dat punt een standpunt innemen en dat ook publiek uitdragen?

De PKN heeft, zoals al gesignaleerd, het probleem dat de politieke standpunten van de leden sterk uiteenlopen. Dat heeft alles te maken met haar diversiteit op het vlak van de geloofsleer, die weer het gevolg is van de verschillen in de manier waarop de bijbel wordt gehanteerd en uitgelegd. Het probleem van de PKN is dus niet in de eerste plaats politiek, maar theologisch. Het is een huis dat tegen zichzelf verdeeld is. Dat verzwakt haar geloofwaardigheid en het effect van haar stellingname, want elke uitspraak kan gerelativeerd worden door te wijzen op tegenovergestelde opvattingen van kerkleden. Dat is overigens niet alleen een probleem van de kerkleiding, maar evengoed van hen die problemen hebben met haar politieke stellingnamen. Zolang zij de pluriformiteit van de kerk accepteren, moeten ze niet klagen over de consequenties daarvan zoals die in de politieke stellingnamen van de kerkleiding naar voren komen. De beschuldigende vinger naar de kerkleiding wijst ook naar hen zelf.

Maar wanneer dat probleem van politieke verdeeldheid niet bestaat, of in veel mindere mate, zoals in de kleinere reformatorische kerken, is dan de weg vrij voor politieke positiekeuzen? Ik ga nu even voorbij aan het eerder genoemde formeel-organisatorische aspect en concentreer me op de principiële kant van de zaak. In de bijbel vinden we niet zoveel aanwijzingen voor de manier waarop de kerk zich in politiek en samenleving moet bewegen. Het Oude Testament helpt ons hier sowieso niet verder, omdat ‘kerk’ en ‘staat’ toen praktisch samenvielen. Het Nieuwe Testament laat zich over deze kwestie ook niet uit. Dat heeft uiteraard alles te maken met de toen bestaande politieke situatie, maar ook met het feit dat de christelijke gemeenten nog volop in opbouw waren. Geen wonder dus dat de apostelen zich in hun pastorale brieven vooral op het samenleven binnen de gemeenten richten (naast de geloofsleer en de ethiek). Maar wellicht mogen we daaruit ook wel afleiden dat de taak van de kerk in de samenleving een beperkte is en dat ze vooral de opdracht heeft door haar samenleven binnen de gemeente een voorbeeld voor die samenleving te zijn.

Het feit dat het Nieuwe Testament eigenlijk geen concrete aanwijzingen geeft, betekent dat de kerk van nu zelf haar weg zal moeten vinden. Daarbij moet ze zich niet laten intimideren door de afweerhouding van een seculiere samenleving. Die wijst er graag op dat kerk en staat wettelijk gescheiden zijn en daaruit wordt dan de conclusie getrokken dat geloof en politiek twee gescheiden compartimenten zijn. Dat is een fundamenteel misverstand. De scheiding van kerk en staat is hoofdzakelijk bedoeld om de zwakkere partij, de kerk, te vrijwaren van de dwang van de sterkere partij, de overheid. Er vloeit niet uit voort dat de kerk haar mond zou moeten houden over politieke en maatschappelijke kwesties.

Er zijn wel goede argumenten te geven voor een zekere terughoudendheid van de kerk. Het eerste is het feit dat het de kerk soms aan deskundigheid ontbreekt om concrete aanwijzingen voor gewenst beleid te kunnen geven. ‘Schoenmaker, blijf bij je leest’ is een oude en waardevolle waarheid. Het tweede is dat de keuze voor onderwerpen die aan de orde gesteld worden, al gauw iets willekeurigs kan krijgen. Wat in de samenleving onderwerp van discussie is, kan en moet soms ook door de kerk worden opgepakt, maar het mag niet de kerkelijke agenda gaan bepalen. Het gevaar van hypes en het berijden van stokpaardjes ligt altijd op de loer. Een derde argument is belangrijker: de eerste taak van de kerk is de verkondiging van het evangelie. Daarin onderscheidt ze zich van maatschappelijke organisaties en politieke partijen.

Maar daarmee is niet alles gezegd. Want dan is direct de vraag: hoe ver reikt die verkondiging van het evangelie dan en wat zijn daarvan de consequenties voor het leven van de gelovigen, individueel en samen, in de kerk en daarbuiten? Niemand zal beweren dat de kerk zich moet beperken tot een woordje voor de ziel. De bijbel zelf is glashelder over de ethische consequenties van het evangelie. Jezus zelf heeft daarover in de bergrede en in zijn verdere onderwijs geen misverstand laten bestaan en ook de apostelen doen dat in hun pastorale brieven niet. De boodschap van de kerk is naar haar aard maatschappelijk relevant. De vraag is hoe die relevantie concreet gemaakt moet worden.

Daarbij komt allereerst de prediking in beeld. Daarin staat de uitleg van de Schrift centraal, maar vervolgens moet die ook worden toegepast. Daarbij gaat het om het leven van de gelovigen in de breedste zin van het woord. Daarbij kan de samenleving niet buiten schot blijven, want gelovigen zijn daar een onderdeel van. Door zich op een bepaalde manier daarin te bewegen zeggen ze, zonder woorden, ook iets over die samenleving. Maar het kan en moet soms ook met woorden. Er zijn voor christenen in ons land genoeg mogelijkheden dat wat ze in de kerk hebben gehoord, concreet te maken in de samenleving, in daden en in woorden.

Soms kan het nodig zijn dat in de prediking de samenleving heel concreet aan de orde komt. Maar daarbij bestaat wel het gevaar dat daarmee de verantwoordelijkheid van de toehoorders onderbelicht blijft. Dat is ook het risico van het politieke spreken van de kerk. Wanneer zij meent de overheid te moeten aanspreken op haar verantwoordelijkheid in een bepaalde kwestie, mogen de kerkleden niet buiten schot blijven. Anders wordt het kerkelijk spreken goedkoop.

Laat ik dat toespitsen op de kwestie die het startpunt van dit betoog was: het klimaat en alles wat daarmee samenhangt. Allereerst mag en moet de kerk gewoon uitgaan van feiten waarover binnen de wetenschap een grote mate van overeenstemming bestaat. Ze moet zich verre houden van de verdachtmaking van wetenschap, die in bepaalde kringen bon ton is. Op grond daarvan kunnen en moeten de toehoorders op hun verantwoordelijkheid voor de schepping gewezen worden. Het is van groot belang dat dit op een goede manier gebeurt.

Sommige christenen zijn nogal kritisch op de beweging die zich inzet voor de bescherming van de natuur en voor maatregelen tegen de opwarming van de aarde. Ik wees er al op dat soms gesproken wordt over ‘klimaatreligie’. Zulk spreken kán een middel zijn om de discussie dood te slaan en zich te onttrekken aan een kritische beschouwing van het eigen gedrag. Dat laat onverlet dat de kerk wel kritisch moet blijven tegenover initiatieven uit seculiere kring. Ze moet een eigen koers varen, die gestempeld is door het evangelie. Dat kan bijvoorbeeld door consequent te spreken over zorg voor de schepping. Daarmee wordt voorkomen dat de natuur als een zelfstandige entiteit wordt gezien, die waarde heeft in zichzelf. De natuur moet niet in de eerste plaats omwille van de natuur zelf bewaard worden en zelfs niet om de planeet voor toekomstige generaties leefbaar te houden. Met de schepping moet zorgvuldig worden omgegaan vanwege de Schepper: de natuur is het werk van zijn handen. Door de schepping te beschermen en te bewaren eren we de Schepper. Daarmee wordt ook voorkomen dat natuurbehoud een zelfstandig issue wordt, dat losstaat van andere zaken die tot de christelijke ethiek behoren, zoals de bescherming van het ongeboren leven. Wie de natuur wil beschermen omdat ze het maaksel van Gods handen is, zal zich ook inzetten voor de bescherming van het ongeboren leven, dat Hij in de moederschoot geweven heeft. Het zijn twee kanten van dezelfde medaille. Maar dat betekent ook dat wie het vanzelfsprekend vindt dat de zorg voor het ongeboren leven in de prediking aan de orde komt en onderwerp van gebed is, de zorg voor de schepping daarvan niet kan uitsluiten.

Het gaat in de concrete toepassing van de boodschap van de Schrift altijd in de eerste plaats om het leven van de gelovigen. Dat geldt ook voor de zorg voor de schepping. Daarbij dient de voorganger wel enige wijze terughoudendheid te betrachten. Ieders leven is immers verschillend en algemene uitspraken over gewenst gedrag kunnen zomaar verkeerd worden opgevat of het doel missen. De prediking moet vooral de toehoorders tot zelfonderzoek en de gemeente tot onderling gesprek aanzetten. Er zijn allerlei vormen te bedenken om zich te bezinnen over de consequenties van wat in de prediking is aangereikt, zoals verenigingen, huiskringen en gespreksgroepen. En uiteraard moet hier ook het huisbezoek genoemd worden. Want daarin gaat het om het persoonlijk geloof, maar dat heeft altijd praktische consequenties. Het gesprek daarover mag niet uit de weg worden gegaan, ook niet ten aanzien van onze omgang met de schepping.

Het klimaat moet in de kerk zeker aan de orde komen, want de schepping moet de kerk en haar leden een zorg zijn.

Eerst geloven

Archeologie is een fascinerende wetenschap. Wie wil nu niet allerlei zaken ontdekken over tijden waarvan we vrijwel niets weten, meestal omdat het ons aan schriftelijke bronnen ontbreekt? Soms komen bij nieuwbouwprojecten voorwerpen aan de oppervlakte die ons iets vertellen over het dagelijks leven van mensen die we hooguit uit de geschiedenisboekjes kennen maar van wie we ons geen enkele voorstelling kunnen maken. Dat worden dan ineens mensen van vlees en bloed. Deze en gene zou maar wat graag zelf aan opgravingen deelnemen, in de hoop de vondst van z’n leven te doen. Als er iets belangrijks gevonden wordt, haalt dat ook direct de media. Dat was een paar jaar geleden het geval toen door opgravingen het plaatsje Hardenberg, waarvan veel Nederlanders misschien nooit gehoord hadden, ineens op de kaart kwam te staan.

Maar archeologie heeft ook een andere kant. Er zijn gebieden in de wereld waar territoria het onderwerp van conflict tussen verschillende staten of volken zijn. En dan kunnen archeologische vondsten heel goed van pas komen om te bewijzen dat een bepaald gebied altijd al tot het territorium van een volk heeft behoord. Wie denkt hier niet direct aan het Midden-Oosten en dan in het bijzonder Israël? En inderdaad kunnen Israëlische archeologen het niet altijd laten, archeologische vondsten direct te claimen als bewijzen van de aanwezigheid van het Joodse volk in een bepaald gebied in oude tijden. Daarmee willen ze dan de bewering van de Palestijnen dat de Joden indringers zijn in een gebied dat altijd hun heeft toebehoord, weerleggen. Meer ‘neutrale’ collega’s reageren meestal met scepsis op zulke beweringen en het gebeurt nogal eens dat de aanvankelijke toeschrijvingen van archeologische vondsten later moeten worden gecorrigeerd.

Ik zette het begrip ‘neutraal’ zojuist tussen hoge komma’s. Dat deed ik niet voor niets. Want archeologie is geen waardevrije wetenschap. Dat is zeker het geval wanneer het om Israël gaat. Want dat is niet alleen het land waar de Joden wonen en een eigen staat hebben, het is ook het land van de bijbel. Hier hebben zich de meeste geschiedenissen afgespeeld die in de bijbel worden beschreven. En daarmee is de archeologie van Israël niet alleen maar politiek brandbaar, maar ook religieus/theologisch.

Nu en dan wordt iets gevonden dat wordt toegeschreven aan figuren die we uit de bijbel kennen. Recent ging het om een zegelring die aan Pontius Pilatus zou hebben toebehoord. De reacties op zulke toeschrijvingen zijn meestal vrij voorspelbaar. Er zijn archeologen die direct uiterst sceptisch reageren. Ze lijken er soms weinig tijd voor nodig te hebben om tot de conclusie te komen dat die toeschrijvingen ‘natuurlijk’ niet kunnen kloppen. Je kunt je niet helemaal aan de indruk onttrekken dat sommigen de gedachte dat een bepaalde archeologische vondst het bestaan van een bepaalde bijbelse figuur zou bevestigen, nauwelijks kunnen verdragen. Dat heeft alles te maken met hun visie op de Joodse geschiedenis en vooral de bijbelse geschiedschrijving. Het bestaan van een hoogontwikkelde cultuur in bijvoorbeeld de tijd van David en Salomo wordt betwijfeld of zelfs expliciet ontkend. Vanuit de overtuiging dat men pas laat de schrijfkunst machtig was, wordt het onwaarschijnlijk geacht dat bepaalde geschriften zijn ontstaan in de tijd die door veel Schriftgetrouwe exegeten als ontstaanstijd wordt aangenomen. Het is bepaald geen uitzondering dat archeologische vondsten worden beschouwd vanuit de eigen vooroordelen. Enige religiestress, zoals men dat tegenwoordig wel noemt, lijkt ook sommige archeologen niet vreemd te zijn.

Maar vooroordelen kunnen ook aan de andere kant het oordeel vertroebelen. Het valt wel op dat elke archeologische vondst die de historiciteit van een bijbels gegeven lijkt te ondersteunen, door christelijke media enthousiast onthaald wordt. Vaak zonder het oordeel van archeologen af te wachten, die een wat grotere afstand tot de materie of de vindplaats hebben, worden beweringen van de vinders als feit gemeld. Bij de hiervoor genoemde vondst van wat beweerd werd een zegelring van Pilatus te zijn, was dat ook het geval. Media als het Nederlands Dagblad en het Reformatorisch Dagblad maakten er zonder dralen melding van. Weliswaar werd in de berichtgeving de toeschrijving van enige reserves voorzien, maar in de koppen vielen die dan vaak grotendeels weg. En juist aansprekende koppen blijven bij de lezer hangen. De bewering dat het hier inderdaad om de zegelring van Pilatus zou gaan, is inmiddels niet meer te horen.

Het valt best te begrijpen dat christelijke media zo reageren. Ze spelen daarmee in op de belangstelling van de lezers. Die horen wel graag dat archeologische vondsten bewijzen dat wat ze in de bijbel lezen, inderdaad waar is. Oudere lezers zullen zich herinneren dat ooit een boek op de markt kwam met de uitdagende titel “De bijbel heeft toch gelijk”. De Duitse auteur, Werner Keller, publiceerde dit boek in 1955; het werd kort daarna in vertaling uitgebracht. Een herziene uitgave kwam in 1989 op de markt en ook die werd in het Nederlands vertaald. Voor de gemiddelde bijbellezer valt onmogelijk na te gaan of de beweringen in dit en vergelijkbare boeken wetenschappelijk gefundeerd zijn. Dat is niet erg, want het geloof dat de bijbel betrouwbaar is, ook in de beschrijving van historische personen en gebeurtenissen, hangt niet van archeologische vondsten of van geschreven buiten-bijbelse bronnen af. Alleen al de titel van het boek van Keller zou christenen die de bijbel lief is, kopschuw moeten maken. Dat de bijbel gelijk heeft, behoeft geen bewijs. Het getuigenis van de Schrift zelf is voldoende. Of je haar betrouwbaar acht hangt vooral af van de vraag of je de Auteur voor betrouwbaar houdt.

Dat neemt niet weg dat ook christenen graag een ‘neutrale’ bevestiging van hun geloof zouden zien. Het is een heel menselijke neiging om iets tastbaars te willen hebben dat het geloof kan versterken of sceptici over de streep zou kunnen trekken. ‘Eerst zien en dan geloven’: dat is een heel menselijke instelling, sinds het begin van de geschiedenis. En door de eeuwen heen hebben mensen gevraagd en gezocht naar bewijzen van Gods bestaan of van wat Hij zei. Het volk Israël maakte beelden in een poging zich de Onzienlijke concreet en tastbaar voor te stellen, van het gouden kalf onderweg naar het beloofde land tot de stierkalveren in Dan en Bethel bij de grondvesting van het tienstammenrijk. Na Jezus’ opstanding komen we het bij zijn leerling Thomas tegen: eerst zien en dan geloven.

Tot op de dag van vandaag is dat de wens van mensen die moeite hebben in God te geloven of dat geloof afwijzen. In het Nederlands Dagblad van 7 februari j.l. zegt Jan Slagter, oprichter/directeur van omroep MAX: “Ik hou er een simpele redenering op na: als God bestaat, kan Hij zich toch laten zien? Gelovigen zeggen: ‘God heeft Jezus gestuurd’, maar ik heb Hem nooit gezien. Jezus liep volgens de Bijbel over het water, dat heb ik ook nooit gezien. Waarom zo moeilijk? Als ik God was, zou ik zeggen: ‘Kom morgen om twaalf uur naar het Malieveld, dan kunnen jullie Mij allemaal zien.'”

Die gedachte kan ook gelovigen zo maar bekruipen, als ze geconfronteerd worden met mensen die weigeren zich aan Christus over te geven. Als Hij zich nu maar eens zou laten zien. Als Hij zich nu maar eens zou laten horen. Dan zou men wel overstag gaan. Zou het? De bijbel levert daarvoor geen bewijs. Integendeel. Tijdens Jezus’ rondwandeling op aarde zag men God, in de persoon van zijn zoon. In Johannes 14 zegt Hij: “Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien; en hoe kunt u dan zeggen: Laat ons de Vader zien?” Ze hebben Hem gezien, maar de meerderheid heeft Hem afgewezen. Zien doet niet geloven. In de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus dringt de eerste er op aan dat Abraham naar zijn broers zal gaan om hen voor het oordeel te waarschuwen. Maar Abraham antwoordt dat ze de profeten hebben. Wanneer iemand uit de doden opstaat, zal hen dat niet op andere gedachten brengen. En in het boek Openbaringen (hfst 16) lezen we dat de offerschalen met Gods woede op de aarde worden leeggegoten. God laat concreet zien dat Hij er is en wie Hij is. Maar de mensen bekeren zich niet. Ze lasteren God en breken niet met het leven dat ze leiden.

Wie zich niet door de Schrift laat overtuigen, zal ook niet door archeologische vondsten of door een stem uit de hemel overstag gaan. Daarvoor zit het ongeloof en het verzet tegen God te diep. Wie zoiets verwacht, peilt de kracht van het verzet onvoldoende en onderschat de macht en de invloed van Gods tegenstander.

Van heel veel door de bijbel vermelde personen en gebeurtenissen zijn geen archeologische of buiten-bijbelse schriftelijke ‘bewijzen’ gevonden. Dat kan gelovigen teleurstellen. God had er toch voor kunnen zorgen dat wat de bijbel zegt, door tastbare bewijzen wordt ondersteund? Natuurlijk had Hij dat kunnen doen. Maar kennelijk heeft Hij ervoor gekozen dat achterwege te laten. Hij wil dat we aan zijn Woord genoeg hebben. Hij wil op zijn Woord geloofd worden. Dat is ook dat wat de ‘geloofsgetuigen’ in Hebreeën 11 met elkaar verbindt. Ze vertrouwden op de belofte. Ze geloofden zonder te zien, omdat ze Hem betrouwbaar achtten.

Daarop komt het uiteindelijk aan. Eerst geloven. Het zien komt later wel.