Archief

Archive for december, 2010

Daar wordt de rust geschonken

Het was een opvallend artikeltje op de site Habakuk. Ronald Koops, hoofdredacteur van het evangelische nieuwsblad Uitdaging, beklaagt zich over de hoeveelheid herrie in de samenleving. Daar is niets opmerkelijks aan: dat zal iedereen herkennen. Op straat, in winkels, als je door een helpdesk in de wacht gezet wordt – overal wordt je letterlijk om de oren geslagen met muziek. En zelfs mensen die zich in gezelschap bevinden, kun je nog met een oordopje in elk geval in één oor zien, want zonder muziek – of in elk geval geluid – kan men blijkbaar niet.

Het opvallende is dat Koops signaleert dat deze lawine van geluid ook kerken en gemeenten overspoelen en dat hij pleit voor het in ere herstellen van de stilte. Dat is om twee redenen opvallend. Hij is zelf ook actief in de muziek, en gezien zijn evangelische achtergrond zal hij wel de nodige decibellen produceren. Want – en dat is de tweede reden – juist in de evangelische wereld wordt doorgaans muziek gemaakt op een aanzienlijk hoger geluidsniveau dan gereformeerden in meer traditionele kerkdiensten gewend zijn. Het zijn vooral evangelische gemeenten die als eerste de uit de populaire muziek afkomstige band een plaats hebben gegeven in hun samenkomsten. Van daaruit heeft het verschijnsel zich verder verspreid en heeft het inmiddels ook in menige gemeente van reformatorische snit zijn intrede gedaan.
Juist dit verschijnsel is er voor een belangrijk deel verantwoordelijk voor dat het aantal decibellen in kerkdiensten flink wordt opgeschroefd, want ik moet de eerste band nog horen die niet vooral veel lawaai produceert. Alleen al de door zulke bands gebruikte instrumenten nodigen daartoe uit. En het karakter van de ten gehore gebrachte muziek past daarbij. Subtiliteit en introvertie zijn niet de meest in het oor springende kenmerken van ‘evangelische muziek’.

“Het wordt hoog tijd dat de gemeente de helende werking van de stilte en de rust van God herontdekt. Dat kerken en gemeenten oases van rust worden. Dat men zich stil weet in de liefdevolle en ontzagwekkende aanwezigheid van God. De waarheid van Psalm 62 wordt alleen ontdekt, als je het probeert: stil zijn, onze gedachten richtend op Hem. ‘Alleen bij God vindt mijn ziel haar rust, van Hem komt mijn redding.'” Het valt niet moeilijk zo’n pleidooi voor het eerherstel van rust en stilte bij te vallen. Het is te hopen dat deze visie veld wint in de kringen waarin Koops verkeert. En met een beetje geluk zullen reformatorische gemeenten die ontwikkeling ook dan volgen.

Maar er zijn wel een paar kanttekeningen bij deze hartekreet te maken.
Is stilte het enige alternatief voor lawaai? Is het echt nodig van het ene uiterste in het andere te vallen? Is er geen tussenweg?

In dit verband is het goed eraan te herinneren dat ‘stilte’ binnen evangelische kring geen onbekend verschijnsel is. In de bijeenkomsten mag het er dan meestal nogal luidruchtig aan toe gaan, voor het persoonlijk leven wordt juist de stilte gepropageerd. Weliswaar is de ‘stille tijd’ inmiddels een algemeen begrip geworden in de christelijke wereld, het idee is van evangelische oorsprong en vindt binnen de evangelische wereld nog altijd de vurigste pleitbezorgers.

Er doet zich dus het merkwaardige verschijnsel voor dat zowel excessief lawaai als volledige stilte kenmerken van de evangelische geloofsbeleving lijken te zijn. Je bent bijna geneigd te denken dat het tweede een soort compensatie vormt voor het eerste. Maar wellicht moeten we deze twee verschijnselen als twee kanten van dezelfde medaille beschouwen. In de evangelische muziek staat de lofprijzing centraal, in de stille tijd het contact met God. Tegen beide is in principe niets in te brengen. God verwacht van de gelovigen dat ze zijn lof zingen. En Hij wil ook contact met zijn kinderen. Maar zowel lofprijzing als het zoeken van contact met God kunnen gemakkelijk ontsporen.

Evangelische muziek is vaak nogal eenzijdig: de aandacht voor de schaduwzijden in het leven van de christen is nogal mager. En de lofprijzing neigt niet zelden tot extase, met een eindeloze herhaling van dezelfde tekstuele en muzikale frasen. Staat de eer van God dan nog wel centraal of de eigen emotie? Overdaad in de lofprijzing kan gemakkelijk een dwingend karakter krijgen.

Ook de stilte brengt dat gevaar mee. Door concentratie moet het contact met God tot stand komen. Maar God laat zich niet dwingen. In het Nederlands Dagblad van 17 december j.l. staat in de bijlage Gulliver een artikel over de broederschap van Taizé. Iemand zegt over zijn ervaring: “Mijn ziel werd stil voor God en opende zich voor de werking van Gods Geest”. Welke werking? De stilte als zodanig is geen werktuig van de Geest. Rust vinden bij God is iets anders dan God vinden door rust.

Stilte en lawaai zijn geen van beide specifieke werktuigen van de Geest. In het Oude Testament manifesteerde God zich op heel verschillende manieren. Soms door middel van storm en bliksem, dan weer door een zachte bries. Na de afsluiting van de canon laat Hij zich in de eerste plaats in zijn Woord vinden. Zowel in de publieke als in de persoonlijke eredienst moet dus alles erop gericht zijn dat Hij aan het Woord komt.

Dat wordt het meest bevorderd wanneer de eredienst gekenmerkt wordt door rust en regelmaat. Er hoeven geen stiltes gevallen te zijn om na afloop van de dienst te kunnen constateren: daar werd de rust geschonken.

Advertenties

Een profeet zonder boodschap

Profeten in het Oude Testament hadden een verantwoordelijke positie. Zij gaven de woorden van God door. De boodschappen die ze aan het volk verkondigden hadden ze direct van God ontvangen. Daaraan ontleenden ze hun gezag. God nam het juist hun bijzonder kwalijk wanneer ze hun positie misbruikten om hun eigen ideeën aan de man te brengen. Ze bekleedden die met goddelijk gezag, terwijl ze aan hun eigen brein ontsproten waren.

Na de afsluiting van de canon van de Schrift zijn zulke profeten er niet meer. Het valt niet uit te sluiten dat God mensen direct kan aanspreken. Het staat de heilige Geest tenslotte vrij zijn eigen middelen te kiezen om mensen op een bepaald spoor te zetten. Maar dat zijn dan wel boodschappen voor persoonlijk gebruik. De oorsprong ervan kennen alleen zij zelf. De buitenwereld moet zich van een oordeel daarover onthouden, tenzij de inhoud van die ‘openbaring’ strijdig is met het geopenbaarde Woord van God.

Daarom moeten we terughoudend zijn met te spreken over ‘moderne profeten’ en over ‘profetisch spreken’. Het is nogal wat wanneer van iemand gezegd wordt dat hij “een profeet (is) door God gezonden, maar niet geliefd omdat hij de waarheid spreekt.” Deze typering gebruikt een lezeres in een ingezonden in het Nederlands Dagblad van 4 december voor David Heek. De aanleiding is het vraaggesprek met deze aan de Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) afgestudeerde theoloog in het Nederlands Dagblad van 27 november.

Nu is het best mogelijk dat mensen in onze tijd profetisch spreken. Daarvan kan sprake zijn wanneer ze de boodschap van de Schrift grondig hebben bestudeerd, die zich eigen hebben gemaakt en in staat zijn die toe te passen op de tijd waarin we leven. Maar altijd zal ook hun boodschap moeten worden getoetst aan de Schrift. Alvorens iemand per ingezonden brief de profetenmantel om te hangen, is het raadzaam zich kritisch te bezinnen op de boodschap die hij brengt. En zolang iemand geen kerkelijk ambt bekleedt is er geen enkele grond hem als “door God gezonden” te beschouwen. In de kerk is alleen hij door God gezonden, die Hij via zijn gemeente tot het ambt roept.

Nu is niemand verantwoordelijk voor de etiketten die anderen hem opplakken. Maar Heek geeft wel aanleiding tot zulke etikettenplakkerij. Hij vergelijkt zich met Amos en zegt dat hij met het klimmen van de jaren “pastoraler en herderlijker” wil worden dan hij is, maar “dat profetische wil ik houden”. Daarmee trekt hij ook zelf de profetenmantel aan, en dat lijkt me voor iemand die nog geen roeping heeft ontvangen en geen verantwoordelijkheid voor een gemeente heeft gedragen, een vorm van overmoed.

Zou hij trouwens zelf de tegenspraak in zijn woorden beseffen? Hij erkent dat zijn spreken niet pastoraal is. Veroordeelt hij daarmee niet zichzelf? Want als er iets is dat het spreken van de profeten van het Oude Testament kenmerkte, was dat het pastoraal was. De bedoeling was immers de kudde van God terug te roepen tot de grote herder? Dat sloot harde woorden bepaald niet uit, maar daarin was steeds het warmkloppende hart van God hoorbaar. In het interview ontbreekt dat geheel.

Het volk van God in het Oude Testament was lastig, tegendraads en eigenwijs. Lees de toespraak van Mozes in Deuteronomium er maar op na. Daarin wordt het volk er nog eens met de neus op gedrukt hoe vaak het zich tegen Gods wil heeft verzet. Maar God geeft zijn volk niet op. Er worden waarschuwingen uitgedeeld en bedreigingen geuit, maar steeds met het perspectief van zegen bij bekering. Al die lastige Israelieten worden niet afgeschreven. Dat is nog eens wat anders dan de manier waarop Heek mensen wegzet die moeite hebben met zijn manier van preken of zich op een in zijn ogen ongewenste manier gedragen.

Mozes en de profeten van het Oude Testament waren ook concreet als ze het kwaad aanwezen. Ze kwamen niet met algemeenheden in de vorm van sweeping statements waarin hun toehoorders zich niet konden herkennen. Predikanten hebben volgens Heek te grote salarissen. In de kerk bepalen de regels het spel. Er is in de kerk een gebrek aan gemeenschap, “we houden niet van elkaar en we bidden niet voor elkaar”. In de meeste preken staat Christus niet centraal. Deze ongenuanceerde manier van oordelen waarbij persoonlijke ervaringen op een gehele gemeenschap worden geprojecteerd, hebben meer gemeen met de stijl van Wilders dan met de stijl van de profeten.

Wie zich opwerpt als profeet moet worden getoetst op het profetisch karakter van zijn spreken. Van dat profetisch karakter blijkt in het interview niets. Vooralsnog is Heek een profeet zonder boodschap. Er mag van alles mis zijn met de kerk, aan zo’n profeet heeft ze geen behoefte. En wie zelf erkent dat het hem aan herderlijkheid ontbreekt, kan de profetenmantel beter aan de kapstok laten hangen.