Archief

Posts Tagged ‘Nederlands Dagblad’

Eerst geloven

Archeologie is een fascinerende wetenschap. Wie wil nu niet allerlei zaken ontdekken over tijden waarvan we vrijwel niets weten, meestal omdat het ons aan schriftelijke bronnen ontbreekt? Soms komen bij nieuwbouwprojecten voorwerpen aan de oppervlakte die ons iets vertellen over het dagelijks leven van mensen die we hooguit uit de geschiedenisboekjes kennen maar van wie we ons geen enkele voorstelling kunnen maken. Dat worden dan ineens mensen van vlees en bloed. Deze en gene zou maar wat graag zelf aan opgravingen deelnemen, in de hoop de vondst van z’n leven te doen. Als er iets belangrijks gevonden wordt, haalt dat ook direct de media. Dat was een paar jaar geleden het geval toen door opgravingen het plaatsje Hardenberg, waarvan veel Nederlanders misschien nooit gehoord hadden, ineens op de kaart kwam te staan.

Maar archeologie heeft ook een andere kant. Er zijn gebieden in de wereld waar territoria het onderwerp van conflict tussen verschillende staten of volken zijn. En dan kunnen archeologische vondsten heel goed van pas komen om te bewijzen dat een bepaald gebied altijd al tot het territorium van een volk heeft behoord. Wie denkt hier niet direct aan het Midden-Oosten en dan in het bijzonder Israël? En inderdaad kunnen Israëlische archeologen het niet altijd laten, archeologische vondsten direct te claimen als bewijzen van de aanwezigheid van het Joodse volk in een bepaald gebied in oude tijden. Daarmee willen ze dan de bewering van de Palestijnen dat de Joden indringers zijn in een gebied dat altijd hun heeft toebehoord, weerleggen. Meer ‘neutrale’ collega’s reageren meestal met scepsis op zulke beweringen en het gebeurt nogal eens dat de aanvankelijke toeschrijvingen van archeologische vondsten later moeten worden gecorrigeerd.

Ik zette het begrip ‘neutraal’ zojuist tussen hoge komma’s. Dat deed ik niet voor niets. Want archeologie is geen waardevrije wetenschap. Dat is zeker het geval wanneer het om Israël gaat. Want dat is niet alleen het land waar de Joden wonen en een eigen staat hebben, het is ook het land van de bijbel. Hier hebben zich de meeste geschiedenissen afgespeeld die in de bijbel worden beschreven. En daarmee is de archeologie van Israël niet alleen maar politiek brandbaar, maar ook religieus/theologisch.

Nu en dan wordt iets gevonden dat wordt toegeschreven aan figuren die we uit de bijbel kennen. Recent ging het om een zegelring die aan Pontius Pilatus zou hebben toebehoord. De reacties op zulke toeschrijvingen zijn meestal vrij voorspelbaar. Er zijn archeologen die direct uiterst sceptisch reageren. Ze lijken er soms weinig tijd voor nodig te hebben om tot de conclusie te komen dat die toeschrijvingen ‘natuurlijk’ niet kunnen kloppen. Je kunt je niet helemaal aan de indruk onttrekken dat sommigen de gedachte dat een bepaalde archeologische vondst het bestaan van een bepaalde bijbelse figuur zou bevestigen, nauwelijks kunnen verdragen. Dat heeft alles te maken met hun visie op de Joodse geschiedenis en vooral de bijbelse geschiedschrijving. Het bestaan van een hoogontwikkelde cultuur in bijvoorbeeld de tijd van David en Salomo wordt betwijfeld of zelfs expliciet ontkend. Vanuit de overtuiging dat men pas laat de schrijfkunst machtig was, wordt het onwaarschijnlijk geacht dat bepaalde geschriften zijn ontstaan in de tijd die door veel Schriftgetrouwe exegeten als ontstaanstijd wordt aangenomen. Het is bepaald geen uitzondering dat archeologische vondsten worden beschouwd vanuit de eigen vooroordelen. Enige religiestress, zoals men dat tegenwoordig wel noemt, lijkt ook sommige archeologen niet vreemd te zijn.

Maar vooroordelen kunnen ook aan de andere kant het oordeel vertroebelen. Het valt wel op dat elke archeologische vondst die de historiciteit van een bijbels gegeven lijkt te ondersteunen, door christelijke media enthousiast onthaald wordt. Vaak zonder het oordeel van archeologen af te wachten, die een wat grotere afstand tot de materie of de vindplaats hebben, worden beweringen van de vinders als feit gemeld. Bij de hiervoor genoemde vondst van wat beweerd werd een zegelring van Pilatus te zijn, was dat ook het geval. Media als het Nederlands Dagblad en het Reformatorisch Dagblad maakten er zonder dralen melding van. Weliswaar werd in de berichtgeving de toeschrijving van enige reserves voorzien, maar in de koppen vielen die dan vaak grotendeels weg. En juist aansprekende koppen blijven bij de lezer hangen. De bewering dat het hier inderdaad om de zegelring van Pilatus zou gaan, is inmiddels niet meer te horen.

Het valt best te begrijpen dat christelijke media zo reageren. Ze spelen daarmee in op de belangstelling van de lezers. Die horen wel graag dat archeologische vondsten bewijzen dat wat ze in de bijbel lezen, inderdaad waar is. Oudere lezers zullen zich herinneren dat ooit een boek op de markt kwam met de uitdagende titel “De bijbel heeft toch gelijk”. De Duitse auteur, Werner Keller, publiceerde dit boek in 1955; het werd kort daarna in vertaling uitgebracht. Een herziene uitgave kwam in 1989 op de markt en ook die werd in het Nederlands vertaald. Voor de gemiddelde bijbellezer valt onmogelijk na te gaan of de beweringen in dit en vergelijkbare boeken wetenschappelijk gefundeerd zijn. Dat is niet erg, want het geloof dat de bijbel betrouwbaar is, ook in de beschrijving van historische personen en gebeurtenissen, hangt niet van archeologische vondsten of van geschreven buiten-bijbelse bronnen af. Alleen al de titel van het boek van Keller zou christenen die de bijbel lief is, kopschuw moeten maken. Dat de bijbel gelijk heeft, behoeft geen bewijs. Het getuigenis van de Schrift zelf is voldoende. Of je haar betrouwbaar acht hangt vooral af van de vraag of je de Auteur voor betrouwbaar houdt.

Dat neemt niet weg dat ook christenen graag een ‘neutrale’ bevestiging van hun geloof zouden zien. Het is een heel menselijke neiging om iets tastbaars te willen hebben dat het geloof kan versterken of sceptici over de streep zou kunnen trekken. ‘Eerst zien en dan geloven’: dat is een heel menselijke instelling, sinds het begin van de geschiedenis. En door de eeuwen heen hebben mensen gevraagd en gezocht naar bewijzen van Gods bestaan of van wat Hij zei. Het volk Israël maakte beelden in een poging zich de Onzienlijke concreet en tastbaar voor te stellen, van het gouden kalf onderweg naar het beloofde land tot de stierkalveren in Dan en Bethel bij de grondvesting van het tienstammenrijk. Na Jezus’ opstanding komen we het bij zijn leerling Thomas tegen: eerst zien en dan geloven.

Tot op de dag van vandaag is dat de wens van mensen die moeite hebben in God te geloven of dat geloof afwijzen. In het Nederlands Dagblad van 7 februari j.l. zegt Jan Slagter, oprichter/directeur van omroep MAX: “Ik hou er een simpele redenering op na: als God bestaat, kan Hij zich toch laten zien? Gelovigen zeggen: ‘God heeft Jezus gestuurd’, maar ik heb Hem nooit gezien. Jezus liep volgens de Bijbel over het water, dat heb ik ook nooit gezien. Waarom zo moeilijk? Als ik God was, zou ik zeggen: ‘Kom morgen om twaalf uur naar het Malieveld, dan kunnen jullie Mij allemaal zien.'”

Die gedachte kan ook gelovigen zo maar bekruipen, als ze geconfronteerd worden met mensen die weigeren zich aan Christus over te geven. Als Hij zich nu maar eens zou laten zien. Als Hij zich nu maar eens zou laten horen. Dan zou men wel overstag gaan. Zou het? De bijbel levert daarvoor geen bewijs. Integendeel. Tijdens Jezus’ rondwandeling op aarde zag men God, in de persoon van zijn zoon. In Johannes 14 zegt Hij: “Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien; en hoe kunt u dan zeggen: Laat ons de Vader zien?” Ze hebben Hem gezien, maar de meerderheid heeft Hem afgewezen. Zien doet niet geloven. In de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus dringt de eerste er op aan dat Abraham naar zijn broers zal gaan om hen voor het oordeel te waarschuwen. Maar Abraham antwoordt dat ze de profeten hebben. Wanneer iemand uit de doden opstaat, zal hen dat niet op andere gedachten brengen. En in het boek Openbaringen (hfst 16) lezen we dat de offerschalen met Gods woede op de aarde worden leeggegoten. God laat concreet zien dat Hij er is en wie Hij is. Maar de mensen bekeren zich niet. Ze lasteren God en breken niet met het leven dat ze leiden.

Wie zich niet door de Schrift laat overtuigen, zal ook niet door archeologische vondsten of door een stem uit de hemel overstag gaan. Daarvoor zit het ongeloof en het verzet tegen God te diep. Wie zoiets verwacht, peilt de kracht van het verzet onvoldoende en onderschat de macht en de invloed van Gods tegenstander.

Van heel veel door de bijbel vermelde personen en gebeurtenissen zijn geen archeologische of buiten-bijbelse schriftelijke ‘bewijzen’ gevonden. Dat kan gelovigen teleurstellen. God had er toch voor kunnen zorgen dat wat de bijbel zegt, door tastbare bewijzen wordt ondersteund? Natuurlijk had Hij dat kunnen doen. Maar kennelijk heeft Hij ervoor gekozen dat achterwege te laten. Hij wil dat we aan zijn Woord genoeg hebben. Hij wil op zijn Woord geloofd worden. Dat is ook dat wat de ‘geloofsgetuigen’ in Hebreeën 11 met elkaar verbindt. Ze vertrouwden op de belofte. Ze geloofden zonder te zien, omdat ze Hem betrouwbaar achtten.

Daarop komt het uiteindelijk aan. Eerst geloven. Het zien komt later wel.

Advertenties

Spiritueel tekort

Zoals elk jaar kwamen tijdens de Pinksterdagen duizenden christenen bij elkaar in Biddinghuizen, tijdens de conferentie die simpel ‘Opwekking’ heet. Juist die regelmaat, niet alleen wat het tijdstip betreft, maar ook in karakter en inhoud, behoort tot de aantrekkingskracht van deze manifestatie, zoals Gerard ter Horst in het Nederlands Dagblad schreef. Dat is opmerkelijk, want regelmaat en voorspelbaarheid worden vaak, vooral door jongeren, als bezwaar tegen kerkdiensten in reformatorische kerken ingebracht. De conferentie lijdt er echter allerminst onder, want terwijl kerkdiensten steeds minder bezocht worden, trok Opwekking dit jaar zo’n 75.000 bezoekers.

Of die er allemaal komen om geestelijk opgeladen te worden, is de vraag. Ook gezelligheid zal een rol spelen. “Verder telt mee dat juist de grootschaligheid extra mensen trekt: zoveel christenen bij elkaar wordt als bemoedigend ervaren, in een land waar ze een minderheid geworden zijn. Voor wie het gevoel heeft er in het werk, de buurt of zelfs in de kerk alleen voor te staan, is Opwekking als balsem voor de ziel”, schrijft Ter Horst. Desondanks lijdt het geen twijfel dat veel bezoekers komen om ‘bij te tanken’, zoals dat wel genoemd wordt. Dat geldt vooral voor die bezoekers die niet behoren tot een evangelische gemeente, maar eerder uit de ‘traditionele’ gereformeerde hoek komen. Kennelijk missen ze in hun eigen kerk of gemeente iets. Maar wat precies?

In de verschillende analyses die ik recent gelezen heb, wordt dat niet echt duidelijk. Ter Horst schrijft: “De theologische ligging van Opwekking, met haar sterke en expliciete nadruk op het (bijzondere) werk van de Heilige Geest verschilt nogal met die van een doorsnee protestantse kerk. Nu Opwekking doorgroeit, geeft dat te denken. Zeker, in veel kerken bestaat – op papier – een uitgebalanceerde visie op het werk van de Geest. Maar het lijkt wel of veel dominees die visie niet goed over het voetlicht krijgen, of te veel in het theoretische blijven steken. Dat steekt dan schril af bij de geloof-in-actie-aanpak van Opwekking.” De analyse van het verschil tussen Opwekking en ‘doorsnee’ protestantse kerken is correct, maar wat dan in die laatstgenoemde kerken precies ontbreekt, komt niet uit de verf.

Onderweg, een kerkelijk magazine dat in de GKV en de NGK verschijnt, heeft er een themanummer aan gewijd. Twee bijdragen zijn ook voor niet-abonnees digitaal beschikbaar. Eén ervan is een interview met het predikantenechtpaar Dick en Jeannette Westerkamp (NGK, Houten). Ze brachten de charismatische beweging New Wine naar Nederland en zitten dus qua ligging dicht tegen Opwekking aan. Hun wordt gevraagd: “Wat brengt dit soort buitenkerkelijke spirituele evenementen christenen wat ze in hun eigen kerk kennelijk niet vinden?” Jeannette zegt daarop: “Mensen komen om er een weekje tussenuit te zijn, om spiritueel bij te tanken, om seminars te bezoeken, om te aanbidden. Veel mensen zien we elk jaar weer, omdat hun kinderen zo genoten hebben in de kinderprogramma’s.” Daarmee zegt ze niets nieuws. Het is geen inhoudelijk antwoord en dat krijgen we ook in de rest van het interview eigenlijk niet. Ze ventileren wel hun eigen ideeën, maar of die datgene vertegenwoordigen waarnaar de bezoekers op zoek zijn, is de vraag.

De tweede voor niet-abonnees toegankelijke bijdrage is van de hand van ds. Maarten van Loon (GKV Dalfsen-Oost). Boven zijn artikel staat als titel: “Er is binnen onze traditie een spiritueel tekort ontstaan.” Wie nu een beschrijving verwacht van dat tekort, komt bedrogen uit. “Ik merk dat ik nog niet helemaal kan aanwijzen wat het spirituele tekort precies is, laat staan dat ik een oplossing kan geven.” Hij duidt wel van alles aan, maar heel concreet wordt het niet. Dat is natuurlijk wel een probleem, wanneer je van mening bent dat één van de redenen waarom Opwekking gereformeerden aanspreekt, een tekort van hun eigen kerk is. Als dat zo is, moet de kerk ernstig bij zichzelf te rade gaan. Maar dan moet eerst duidelijk worden wat er precies ontbreekt. En vervolgens moet dan de vraag aan de orde komen of de kerk wel kan en mag ‘leveren’ wat verlangd wordt. ‘U vraagt en wij draaien’ kan immers nooit het uitgangspunt van de kerk zijn.

Als ik Van Loon goed begrijp gaat het vooral om een gebrek aan beleving. Hij wijst erop dat gereformeerden – en daarbij doelt hij ongetwijfeld in de eerste plaats op leden van zijn eigen kerkverband en wellicht ook die van de NGK – niet alleen compensatie zoeken bij Opwekking, maar ook in de Christelijke Gereformeerde Kerken, die op z’n minst voor een deel in de traditie van de bevindelijkheid staan. Of het daarbij om dezelfde mensen gaat, is overigens nog maar de vraag, want wie positief staat tegenover gebedsgenezing heeft in de CGK niet veel te zoeken, terwijl dat nu juist tot de kern van de evangelische theologie behoort.

Van Loon stelt verstand tegenover gevoel. “Het objectieve van het heil wordt echter niet subjectief beleefd. Hart en ziel blijven er te veel buiten. De op zich begrijpelijke angst voor het subjectivisme leidde er binnen de vrijgemaakte traditie toe dat geloven synoniem werd aan het aanvaarden van een set waarheden en het innemen van de juiste standpunten. We redeneren veel, praten veel en gebruiken veel woorden. Zelfs als er iets bijzonders te vieren valt, gebruiken we eerst ellenlange formulieren. Geloof zat en zit te veel in ons hoofd. Met alle gevolgen van dien.”

Hier passen twee kanttekeningen. De eerste is dat dit nog steeds weinig concreet is. Bovendien moet de vraag gesteld worden of je beleving eigenlijk wel kunt ‘organiseren’. Of het geloof iets van ‘hart en ziel’ wordt, ligt uiteindelijk aan de gelovigen zelf. Maar daarnaast wordt hier een hele kerk op een bepaalde manier getypeerd, die haar geen recht doet. Het zal best waar zijn dat er gereformeerden zijn of waren voor wie geloven vooral bestaat (bestond) uit het aanvaarden van waarheden. Maar dit kan niet de gereformeerden worden aangewreven: daarmee wordt heel veel mensen onrecht aangedaan. Net als in de samenleving als geheel zijn er ook onder gereformeerden meer rationeel en meer emotioneel ingestelde mensen. Dat is geen gebrek, maar een heel normaal verschijnsel: geen twee karakters zijn gelijk. Het feit dat mensen weinig of geen uiting geven aan hun gevoel, wil niet zeggen dat ze dat niet hebben. Er bestaat ook geen plicht tot geestelijke extravertie. En het gebruik van formulieren sluit de beleving helemaal niet uit. Ook in bevindelijke kerkgenootschappen worden formulieren gebruikt.

We zouden hier een punt kunnen zetten. Eerst moet maar eens duidelijk worden wat voor leden van reformatorische kerken nu precies de meerwaarde van Opwekking is, voordat we gaan nadenken over de vraag wat de kerken hier mee zouden moeten of kunnen doen. Maar dat is een beetje gemakzuchtig. Wellicht kunnen we toch wel wat motieven distilleren uit wat in over dit onderwerp gezegd en geschreven is, waarbij in rekening gebracht moet worden dat de motieven van bezoekers heel verschillend kunnen zijn.

In zijn al eerder aangehaalde analyse geeft Gerard ter Horst een paar motieven. Ik noemde al het element van het getal: het met zovelen samen zijn is bemoedigend, zeker als je zelf kleine groepen gewend bent. Hij wijst er ook op dat muziek een belangrijk element op de conferentie is – trouwens, sowieso in de evangelische wereld. Het gaat dan vooral om een specifiek genre, bekend als ‘aanbiddingsmuziek’. Daarnaast noemt hij het feit dat de conferentie interkerkelijk is: “kerkmuren doen er nauwelijks toe”.

Daarmee noemt hij enkele factoren waarin de conferentie – en in het algemeen de evangelische beweging – zich onderscheidt van de ‘traditionele’ kerken. Die factoren maken ook direct duidelijk dat het veel te simpel is te zeggen, zoals de kop boven het interview met het echtpaar Westerkamp luidt, “Als de kerk deed wat ze moest doen, was New Wine niet nodig”. Voor wat het onderwerp van deze weblog betreft, zou men dat zo kunnen vertalen: als gereformeerde kerken deden wat ze moesten doen, hoefden de leden van die kerken niet naar Opwekking te gaan.

De muziek was traditioneel een punt van verschil, maar is dat inmiddels in veel mindere mate. In veel kerken heeft het evangelische liedrepertoire zijn intrede gedaan en in kerkdiensten van gereformeerde kerken worden soms meer Opwekkingsliederen dan psalmen gezongen. De rol van de muziek en de inbedding in de diensten zal nog wel verschillen, maar het is de vraag of dat essentieel is. Het is uiteraard mogelijk dat op Opwekking ook liederen gezongen worden, die in een gereformeerde kerkdienst niet of niet zo gauw zullen worden aangeheven. Dat kan heel goed een inhoudelijke reden hebben. Maar juist dan komen we een principieel verschil tussen Opwekking en gereformeerde kerken op het spoor. In de gereformeerde traditie wordt de inhoud van liederen getoetst aan de leer van de kerk. Bij de invoering van het Liedboek voor de Kerken in de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) bijvoorbeeld, is de inhoud van de bundel getoetst op Schriftgetrouwheid en verenigbaarheid met de belijdenis van de kerk.

Daar ligt de verbinding met een ander punt dat Ter Horst noemt: interkerkelijkheid. Die term is als zodanig onnauwkeurig, want ze suggereert dat bij Opwekking sprake is van een activiteit van verschillende kerken. Dat is niet het geval. Je zou beter kunnen zeggen dat Opwekking los staat van elke kerkelijke binding. Dat brengt mee dat ze ook los staat van elke kerkelijke inbedding en dus van elke geloofstraditie. “Kerkmuren doen er nauwelijks toe”, schrijft Ter Horst. Dat impliceert dat wat kerken scheidt – verschillen in geloofsleer, die voor een belangrijk deel het gevolg zijn van een verschillende manier van lezen van en omgang met de bijbel – ook geen rol speelt.

Voor beide hier genoemde aspecten geldt dat een gereformeerde kerk niet kan doen en niet mag doen wat Opwekking aanbiedt. Wanneer ze haar grondslag – de Schrift en de daarop gefundeerde belijdenis – serieus neemt, kan ze niet die elementen van Opwekking overnemen, die daarmee niet te verenigen zijn.

Die kritische instelling ontbreekt in het interview met het echtpaar Westerkamp. Daarbij vallen twee dingen op. Ze redeneren vrijwel geheel vanuit de behoeften van jongeren. Natuurlijk zijn die voor de kerk belangrijk, maar de gemeenschap van de heiligen bestaat uit mensen van allerlei leeftijden. Op Opwekking zullen de meeste bezoekers inderdaad behoren tot wat we ‘jongeren’ noemen, maar er zijn daar ook ouderen. Die komen nauwelijks in beeld. Het tweede opvallende aspect van het interview is dat de cultuur van onze tijd als uitgangspunt wordt genomen, zonder dat die aan fundamentele kritiek wordt onderworpen. “We hebben zelf meegemaakt dat jongeren van onze gereformeerde kerk gedoopt werden op een festival, terwijl ze als kind al bij ons gedoopt waren. Ze hadden een geweldige ervaring met God gehad en lieten zich daar ter plekke dopen. Wij vonden dat lastig.” Het woord ‘lastig’ is in dit verband meer dan een understatement; hier is alle reden voor een principiële stellingname ten aanzien van de visie op de doop in evangelische kring en op het verschijnsel van ‘overdopen’ en de relatie tussen dit verschijnsel en het kerklidmaatschap. Maar die blijft achterwege.

Nog een veelzeggend voorbeeld. “Het zou wenselijk zijn dat communitygevoel van buitenkerkelijke evenementen te integreren in de eigen gemeente. Laatst las ik dat de kerken uit het Nieuwe Testament uit maximaal zeventig personen bestonden. Gemeenteleden zou daarom ook eens per maand samen naar de kerk kunnen gaan, zoals men in het Bijbelse Israël naar de tempel ging, en op de andere zondagen iets anders kunnen doen, in kleine groepen, met mensen die goed bij je passen.” Daarmee sluit Jeannette Westerkamp zich aan bij wat een dominante trek is van het moderne christendom: je kiest een kerk of de gelovigen die bij je passen. Wordt daarmee niet de eigen behoefte in het centrum geplaatst? Is dit iets anders dan een christelijk klinkende variant van wat een kenmerk is van onze cultuur: het gaat om jou en jij bent het middelpunt van je eigen universum?

Ik wees er al op dat gebedsgenezing één van de wezenskenmerken van de evangelische beweging is. Behoort dit tot wat leden van traditionele gereformeerde kerken bij Opwekking zoeken? Daar ben ik niet zeker van. Ik heb niet de indruk dat dit element van het evangelische denken onder gereformeerden veel weerklank vindt. Van Loon noemt het in zijn artikel helemaal niet. Ik wees er al op dat hij de ‘zoekers’ zowel naar Opwekking als naar de CGK ziet gaan. Wellicht nemen degenen die naar Opwekking gaan de praktijk van gebedsgenezing op de koop toe. Dat wil niet zeggen dat het geen aandacht verdient, want gebedsgenezing speelt op de conferentie een belangrijke rol en daardoor kan het toch weerklank vinden bij bezoekende gereformeerden. Hopelijk hebben die, mede vanuit hun eigen traditie, toch wel oog voor de voetangels en klemmen die hier liggen.

In zijn analyse wijst Ter Horst de gebedsgenezing zelfs als “open zenuw” aan. “Er zijn inmiddels grote groepen christenen die geloven dat God ook nu nog (grote) wonderen doet. Toch roept deze gang van zaken vragen op. Worden alleen succesvolle genezingen getoond? Mag je ook genezen van innerlijke pijn, en is dat dan ook meet- en zichtbaar? En als je rugklachten had, maar niet ging staan, is dat dan een vorm van ongeloof? Waar is het besef dat een wonder eerder een teken is dan een ‘eind goed, al goed’-oplossing? En wat als je wel ging staan, maar niet genas?” Hij wijst erop dat de praktijk van gebedsgenezing op Opwekking “met pastorale ongelukken is omgeven”. Het is terecht daarbij de vinger te leggen, maar we mogen niet over het hoofd zien dat we hier te maken hebben met een principieel verschil tussen de evangelische en de gereformeerde geloofsleer. In het kader van dit artikel ga ik daarop nu verder niet in.

Tussen de analyses van Van Loon en het echtpaar Westerkamp zitten belangrijke en principiële verschillen. Jeannette Westerkamp zegt in het interview: “Laatst sprak ik een vriend die zei: we leven in een beeldcultuur, waarin mensen iets moeten zien om het te kunnen geloven. Maar ook een cultuur waarin iets goed moet voelen om waar te zijn. Je hebt dus een andere manier van evangelieverkondiging nodig, eentje die hierbij past.” Dit laat opnieuw zien hoe de Westerkamps de huidige cultuur kritiekloos tegemoet treden. Want dit heeft belangrijke consequenties. Iets moeten zien om het te kunnen geloven – was dat niet het probleem dat Thomas had? In feite bevestigt dit de analyse van Matthijs Vlaardingerbroek, die ik in mijn vorige weblog aanhaalde, naar aanleiding van de nadruk op gebedsgenezing in evangelische kring, waartoe hij zelf behoort: “Als Nederlandse christenen lijken wij onbewust te smachten naar keiharde bewijzen van Gods bestaan en zijn kracht. Doen wij dit wellicht om onszelf houvast te geven?” Niet zien en toch geloven: dat is wat de geloofsgetuigen in Hebreeën 11 met elkaar verbindt. Het behoort tot de kern van het spreken van de Schrift.

Van Loon houdt staande dat er niets mis is met de gereformeerde geloofsleer. “Het spirituele tegoed in onze kerken bestaat vooral uit het sterke besef dat de zekerheid van het geloof iets buiten mijzelf is. Het is Gods initiatief en Hij is trouw. Daardoor word ik niet teruggeworpen op mezelf. Die sterke nadruk op de objectiviteit van het heil vind ik een prachtig tegoed. (…) Veel van wat ik bij mezelf en in mijn traditie mis, is niet te wijten aan een lacune in de gereformeerde leer, maar aan het gevolg van het niet te gelde maken van elementen die al lang en breed benoemd zijn.”

Om een antwoord te zoeken op de vraag of, en zo ja, in welke zin er sprake is van een ‘spiritueel tekort’ op het gereformeerde erf, lijkt me dit een gezond uitgangspunt.

Bij de dood van een theoloog

Het overlijden van de theoloog Harry Kuitert heeft heel wat pennen in beweging gebracht. Niet alleen in protestantse of, ruimer, christelijke kring, maar zelfs daarbuiten. Dat heeft enerzijds te maken met het feit dat zijn uitspraken en boeken nogal geruchtmakend waren, maar is ook te verklaren uit zijn bijdragen tot de maatschappelijke discussies over met name euthanasie. In een verder verleden oefende hij kritiek op kerkelijke uitspraken over kernbewapening.

Wat in de reacties uit meer behoudende kring opvalt is de terughoudendheid. Dat is ook het geval bij de toon die het Nederlands Dagblad in zijn commentaar aanslaat. Weliswaar schrijft Dick Schinkelshoek dat zijn naam verbonden is aan de “stapsgewijze afbraak van gereformeerde geloofswaarheden”. “Ieder nieuw boek ging Kuitert daarin een stukje verder. Totdat hij en veel van zijn (jongere) generatiegenoten geen geloof meer overhielden, en ze eenzaam onder een lege hemel achterbleven. De weg van Kuitert bleek niet bevrijdend, maar heilloos.” Maar tegelijk roept hij de critici op tot zelfonderzoek.

Hij wijst op de persoonlijke aanvallen en de soms grove kwalificaties die hem ten deel vielen. Kritiek daarop is terecht en wie de schoen past, moet hem vooral aantrekken. Maar dat is niet het enige. Gesuggereerd wordt dat de kritiek op Kuitert ook wel eens uit angst kan zijn voortgekomen. “Angst voor het afbrokkelen van zekerheden die, toen iemand als Kuitert ertegenaan duwde, niet zo zeker bleken te zijn. Angst voor de vragen die Kuitert stelde (‘hoe weten we zo zeker wat we zeggen te weten over God?’) en de wetenschap dat men die vragen ook aantreft op de bodem van het eigen hart.” Dat laat zich gemakkelijk opschrijven, is echter niet te bewijzen. Er is ook kritiek op gekomen: mensen uit bijvoorbeeld EO-kringen, die destijds het debat over Kuitert van nabij hebben meegemaakt, herkenden dit niet. Maar er zit natuurlijk wel een kern van waarheid in. Want geloven komt niemand aanwaaien. Juist een gereformeerde gelovige die met de Heidelbergse Catechismus belijdt dat de mens van nature geneigd is God en de naaste te haten, zal het gevaar van de sirenenzang van Kuitert en anderen niet onderschatten. Het is dus best mogelijk dat de kritiek op Kuitert werd ingegeven door angst. Maar dat is dan een terechte angst: niet de angst dat hij misschien gelijk zou kunnen hebben, maar de angst dat de gelovige datgene ontnomen wordt wat hem wapent tegen de aanvallen van de duivel.

Is het, vanuit dat perspectief, te verdedigen dat ook in orthodoxe kring de reacties op Kuiterts overlijden van enige terughoudendheid getuigen? Ja en nee.

Ja: over iemand schrijven of spreken die zojuist is overleden, is een riskante aangelegenheid. Daar is enige terughoudendheid wel op haar plaats. De zegswijze “over de doden niets dan goeds” is niet algemeen geldig, want over bepaalde mensen valt niets goeds te zeggen. Natuurlijk kun je ervoor kiezen iemands overlijden gewoon te melden zonder daar verder nader op in te gaan. Maar wanneer iemand een prominente rol in het kerkelijke en maatschappelijke leven heeft gespeeld, zoals Kuitert, is dat geen optie. Bovendien was zijn invloed groot en dan kun je er, zeker als christelijke krant, moeilijk het zwijgen toe doen.

Nee: Kuitert heeft, zoals het ND-commentaar terecht zegt, een belangrijke rol gespeeld in de afbraak van “gereformeerde geloofszekerheden”. Ik zou het wat scherper willen formuleren. Kuitert is gelovigen voorgegaan in de stapsgewijze afbraak van het geloof in een levende God. Het gevolg is dat niet weinigen hun geloof helemaal zijn kwijtgeraakt. Ze staan nu met lege handen. Daarbij past wel een kanttekening. Wellicht zouden ze hun geloof ook zonder Kuitert zijn kwijtgeraakt. Bovendien: wie zijn geloof aan de wilgen hangt, doet dat zelf. Ieder is persoonlijk aanspreekbaar op zijn relatie tot God en op de inhoud van zijn geloof. Niemand kan zich achter een ander verschuilen en de schuld op anderen afschuiven.

Dat laat onverlet dat wie zich in het publieke debat beweegt een bijzondere verantwoordelijkheid draagt. Door de geschiedenis heen hebben dichters, denkers en wetenschappers grote invloed uitgeoefend, soms ten goede – en in dit Reformatiejaar kunnen we dan aan Luther en Calvijn denken – maar vaker nog ten kwade. Woorden hebben effect en degenen die ze uitspreken of opschrijven moeten zich daarvan bewust zijn. Iedereen die in de publieke sfeer spreekt of schrijft moet deze woorden van Jezus ter harte nemen: “Wie een van de geringen die in mij geloven van de goede weg afbrengt, die kan maar beter met een molensteen om zijn nek in zee geworpen worden en in de diepte verdrinken” (Mt 18,6).

Afscheiden of doorploeteren?

Het komt niet vaak voor dat de bouw van een kerk de landelijke seculiere pers haalt. Als dat gebeurt, moet er wel iets aan de hand zijn. Dat was dan ook het geval in Yerseke, waar de Gereformeerde Gemeente een nieuwe kerk met 2000 zitplaatsen wil bouwen, in de publiciteit als ‘megakerk’ betiteld. Daarvoor gingen in het Zeeuwse dorp niet alle handen op elkaar. De bezwaren richtten zich vooral op de grootte van het gebouw, de plaats waar het moet komen te staan en de overlast, die ervan verwacht wordt. Dat zo’n kerk in seculier Nederland leidt tot irritatie en een oprisping van afkeer van geloof en kerk is te verwachten. Maar ook onder christenen klonken kritische geluiden. De locale fractie van de Christenunie stemde tegen het verlenen van een bouwvergunning. Op 12 juli j.l. reageerde Sjirk Kuijper, hoofdredacteur van het Nederlands Dagblad, in een commentaar onder de titel ‘Kerkelijk comfort’. Dat ging vooral over de ‘kwestie-Yerseke’, maar Kuijper betrok hier een andere kwestie bij.

De Doorbrekers, die zichzelf omschrijven als “een moderne kerk met een passie voor Jezus en voor mensen”, kondigden aan een vestiging te beginnen in Drechtsteden, het gebied rond Dordrecht. Dat riep bij bestaande kerken nogal wat kritiek op. Als men zo nodig mensen voor Jezus wil winnen, waarom vestigt men zich dan uitsluitend in gebieden waar de kerkdichtheid nogal groot is? Voorbeelden zijn Barneveld – midden in wat als biblebelt bekend staat – en Amersfoort.

Zijn commentaar kwam Kuijper op nogal wat kritiek te staan. Ik zag op Twitter allerlei kritische opmerkingen voorbij komen. Op Facebook schreef iemand zelfs dat hij nu zijn abonnement op het Nederlands Dagblad zou opzeggen. Dat is een nogal drastische stap als reactie op een commentaar. Kennelijk heeft Kuijper een gevoelige snaar geraakt waardoor nogal wat mensen vertoornd zijn geraakt. Is daar reden voor?

Om te beginnen: de bouw van een ‘megakerk’ door de Gereformeerde Gemeente van Yerseke is niet vergelijkbaar met de vestiging van een filiaal van de Doorbrekers in Drechtsteden. In het eerste geval is er sprake van een kerk die te klein geworden is. Kuijper wijst op het verschijnsel dat zich in de bevindelijke flank van christelijk Nederland manifesteert: gelovigen kruipen bij elkaar en als gevolg daarvan worden bestaande kerken te klein, terwijl elders kerken leeglopen en gemeenten worden opgeheven. Eén van de punten van kritiek was dat hij hier zijn pijlen wel erg eenzijdig op de Gereformeerde Gemeenten richt. Want het is de vraag of dat verschijnsel zich tot de bevindelijke kerken beperkt. Ook de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) kennen hun bolwerken. Dat zijn dan niet gemeenten als Bunschoten-Spakenburg, waar de gereformeerden traditioneel al sterk vertegenwoordigd waren. Eerder moet je dan denken aan steden als Amersfoort en Zwolle, die in de loop van een paar decennia zich sterk hebben uitgebreid, niet alleen burgerlijk, maar ook kerkelijk.

Burgerlijke en kerkelijke uitbreiding hebben overigens alles met elkaar te maken. Zaken als beschikbare huisvesting, bereikbaarheid en aard en omvang van werkgelegenheid hebben ongetwijfeld de kerkelijke groei gestimuleerd. Daarbij moet dan ook bedacht worden dat in lang niet elke gemeente vrije vestiging mogelijk is. In zijn commentaar noemt Kuijper ook de beschikbaarheid van een reformatorische basisschool als oorzaak van de ‘samenklontering’ van leden van de Gereformeerde Gemeenten. Maar dat is in vrijgemaakt-gereformeerde kring niet anders, al is daar waarschijnlijk vooral de aanwezigheid van voortgezet onderwijs doorslaggevend (geweest). Dat nogal wat mensen met opgroeiende kinderen zich in de nabijheid van zulk onderwijs vestig(d)en, heeft (had) zeker ook financiële en praktische redenen. Openbaar vervoer is in de loop van de tijd duurder geworden en in sommige gevallen nog slechts mondjesmaat beschikbaar. Het is overigens de vraag hoelang deze trek naar de centra zal aanhouden, gezien het feit dat gereformeerd onderwijs voor steeds meer ouders geen bijzonder hoge prioriteit meer heeft.

Uit deze observaties mag de conclusie getrokken worden dat in dit opzicht de kritiek op de concentratie van leden van de Gereformeerde Gemeenten niet helemaal eerlijk is.

Meer houdt snijdt de tweede oorzaak die Kuijper noemt: kerksplitsing of dubbele diensten zijn geen optie vanwege het tekort aan predikanten. “De hoge drempel voor het predikambt houdt de schaarste aan dominees in stand.” Dat is een terechte constatering, evenals zijn opmerking dat dit het gevolg is van de geloofsleer van de Gereformeerde Gemeenten (en van de bevindelijke kerken in het algemeen). Slechts zelden worden studenten tot de theologische opleiding toegelaten, en dat zijn dan vaak ook nog mannen op leeftijd. Ze moeten overtuigend kunnen aantonen dat ze bekeerd zijn en dat betekent dat ze een verhaal moeten kunnen vertellen hoe God in hun leven heeft ingegrepen. Dan wordt de spoeling dun.

Aan het eind van zijn commentaar gaat Kuijper nog in op het initiatief van de Doorbrekers. “[Daar] hebben bezoekers vaak veel kilometers achter de wielen als ze de theaterzaal betreden. Toch gaat Doorbrekers (gesticht door ex-leden van de Gereformeerde Gemeenten) juist daar zitten waar het al barst van de kerken en christenen: Barneveld, Amersfoort, Zwolle, Goes, en nu dus de Drechtsteden. De ervaring is dat zulke aansprekende megakerken vooral bekeerlingen trekken die de ‘traditionele’ kerk waarin ze opgroeiden voor Geesteloos of zelfs dood verklaard hebben.” Men spreekt in dit verband wel eens ironisch over het ‘rondpompen’ van gelovigen.

Het zal duidelijk zijn dat we hier met een verschijnsel te maken hebben dat niet zonder meer met de samenklontering in bevindelijke kring vergeleken kan worden. In het laatste geval is immers geen sprake van een achterliggende theologische motivatie: er ligt geen kerkelijk conflict aan ten grondslag. Dat is bij de Doorbrekers anders: die zien zich als een alternatief voor bestaande kerken waarover ze zich een algemeen negatief oordeel aanmatigen. Daarom mist de kritiek op hun vestigingsbeleid doel. Je zou in zekere zin kunnen zeggen dat hier wel sprake is van een kerkelijk conflict, zij het niet in organisatorische zin.

Kritiek op de Doorbrekers zal dan ook een theologische moeten zijn. Maar die blijft achterwege. Dat is overigens ten aanzien van de Gereformeerde Gemeenten ook het geval. Het blijft bij een constatering, waaraan verder geen oordeel wordt verbonden. Dat is natuurlijk ook lastig, wanneer een helder beoordelingscriterium ontbreekt. Dat heeft Kuijper nog eens expliciet verwoord in de rubriek ‘Van de redactie’ op 15 juli, waar hij – na eraan te hebben herinnerd dat de krant 25 jaar geleden de exclusieve binding aan de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) had opgegeven – schrijft: “Later is ook de exclusieve band met de gereformeerde belijdenissen losgeknoopt.” Goed beschouwd is dat wel ironisch: wat ongetwijfeld als stap naar een grotere mate van vrijheid werd (wordt) beschouwd, is in feite een handenbinder. Want elk ander beoordelingscriterium dan dat van de gereformeerde belijdenis – als samenvatting van de Schrift – is per definitie subjectief en dus vatbaar voor kritiek.

De slotzin van het commentaar vat de teneur van het betoog samen. “Afscheiden, iets nieuws en waars beginnen, veilig op één hoop gaan zitten: dat gaat Nederlandse christenen beter af dan trouw verder ploeteren met de dolende en kwijnende gemeenschap waarin God je geplaatst en geroepen heeft, en zijn werk met je begonnen is.”

Het gebruik van het woord “afscheiden” doet hier nogal vreemd aan. Want in de besproken kwesties gaat het helemaal niet over “afscheiden”. In de kwestie-Yerseke is, zoals ik al opmerkte, geen sprake van een theologisch conflict. En alhoewel de Doorbrekers zich als alternatief voor bestaande kerken presenteren, zijn ze geen “afscheiding” van zulke kerken. Hooguit kun je zeggen dat veel – de meeste? – van hun leden zich van de kerken waarvan ze lid waren, hebben afgescheiden. Maar wellicht zouden ze dat ook zonder de Doorbrekers wel gedaan hebben; er zijn immers genoeg kramen op de kerkelijke markt. Want dat ze zich van hun kerken hebben afgescheiden heeft ongetwijfeld een theologische achtergrond. Wanneer men zich in zijn denken van de kerk waarvan men lid is, verwijdert, is het niet zo vreemd dat men daarmee breekt. Had Kuijper met het gebruik van het woord “afscheiden” wellicht de ontwikkelingen binnen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) in gedachten, na de besluiten over vrouw en ambt van de dit jaar gehouden Generale Synode?

De afsluitende alinea heeft een duidelijk gereformeerde trek, wanneer Kuijper spreekt over “trouw verder ploeteren met de dolende en kwijnende gemeenschap waarin God je geplaatst en geroepen heeft, en zijn werk met je begonnen is.” Het bloed kruipt kennelijk waar het niet gaan kan. Het is ongetwijfeld een Schriftuurlijke gedachte dat iedereen door God op een bepaalde plek geplaatst is en dat daar dus zijn of haar verantwoordelijkheid begint. Dat geldt voor het gezin even zo goed als voor de kerk. Maar daarmee is het verhaal niet afgelopen. Volgens de Nederlandse Geloofsbelijdenis dient elke kerk altijd gemeten te worden aan wat de Schrift over de kerk zegt; dat wordt in deze belijdenis in enkele artikelen samengevat. Daaruit volgt dat ieder kerklid altijd moet toetsen of de kerk waarvan hij door geboorte of door een beslissing van zijn ouders lid is, nog wel aan die maatstaven voldoet.

“Afscheiden, iets nieuws en waars beginnen” – de formulering en de context suggereren dat Kuijper dit negatief waardeert. De Nederlandse Geloofsbelijdenis doet dit niet. Sterker nog: ze spreekt zelfs uit dat afscheiding een plicht is wanneer de kerk niet meer de titel ‘kerk van Christus’ verdient. Zonder die confessionele basis wordt het dilemma “afscheiden of doorploeteren” een onontwarbare knoop.

Kerkelijke eigenwijsheid

28 december 2015 1 reactie

Wij mensen worden kennelijk geboeid door wie afwijkt van de norm. Sommige acteurs schijnen liever misdadigers te spelen dan personen die aan de kant van de wet staan omdat eerstgenoemden interessanter zouden zijn. In onze samenleving wordt schande gesproken over de misdaden waaraan figuren uit de onderwereld en leden van motorbendes zich schuldig maken, maar wanneer het slachtoffer van een liquidatie wordt begraven, haalt dat niet zelden de media. En wie herinnert zich niet het optreden van beroepscrimineel Willem Holleeder in het televisieprogramma College Tour?

Kerkelijk Nederland laat een vergelijkbaar beeld zien, zij het op een geheel ander niveau. Ook hier kunnen mensen die afwijken van wat gangbaar is en ‘buiten de lijntjes kleuren’, vaak op veel belangstelling rekenen. Een aantal jaren geleden portretteerde het Nederlands Dagblad christenen van allerlei slag en niet zelden behoorden die tot deze categorie. In opvattingen en gedragingen weken ze af van wat in elk geval in hun kring gebruikelijk was. Zoiets wordt kennelijk interessant gevonden. Mensen die de gebaande wegen volgen kunnen op minder belangstelling rekenen. Blijkbaar wordt er van uitgegaan dat zij niets interessants te vertellen hebben.

Mensen die afwijken van het gangbare wordt vaak het etiket ‘eigenzinnig’ opgeplakt. Dat wordt in de regel positief bedoeld. Nu valt daarvan ook veel positiefs te zeggen. Het betekent dat men zich zelfstandig een oordeel vormt en niet simpelweg de meerderheid volgt. Dat is helemaal in overeenstemming met wat de Reformatie beoogde. Niemand kan zich achter de priester of de kerk verschuilen. ‘Ik geloof wat de kerk gelooft’ – daar komt niemand mee weg. Ieder staat zelf voor God en moet zich tegenover hem verantwoorden. Het is ook in de lijn die uit de Schrift naar voren komt. Ieder is voor zichzelf en voor zijn eigen daden verantwoordelijk. De vader wordt niet gestraft voor de misdaden van zijn zoon en omgekeerd. Ieder moet zijn eigen straf dragen.

Maar hier ligt altijd het gevaar van het individualisme op de loer. Dan verwordt eigenzinnigheid tot eigenwijsheid. De eigen oordeelsvorming wordt dan losgemaakt van de gemeenschap van de heiligen, zoals de Apostolische Geloofsbelijdenis de kerk typeert. Dat is helemaal in de geest van de tijd. Ieder bepaalt zelf wat hij gelooft. Dat is niet alleen kenmerkend voor de samenleving – vooral sinds het verval van de verzuiling en de ontideologisering van het politieke en maatschappelijke debat – maar ook voor de christelijke kerk. Het feit dat iemand tot een bepaalde kerk behoort zegt nog maar weinig over de inhoud van zijn geloof en de manier waarop hij dat geloof in het dagelijks leven vormgeeft. Binnen bepaalde kaders is de christelijke samenleving net zo veelkleurig en ‘multicultureel’ als de wereld daarbuiten.

Nu is die meerkleurigheid als zodanig niet nieuw. Ook vroeger bestond er verschil tussen een gereformeerde kerk in, bijvoorbeeld, Groningen en één in meer zuidelijke streken van het land. De manier waarop een gemeente kerk is staat niet los van de cultuur van de regio waartoe ze behoort. Maar er was wel een grotere mate van gemeenschappelijkheid. Die betrof in de eerste plaats de geloofsleer. Wat een gemeente – of die nu in Groningen of in Maastricht samenkwam – geloofde lag vast in de belijdenis van de kerkelijke gemeenschap en eventuele kerkelijke uitspraken op generaal-synodaal niveau. De vormgeving van de liturgie was in grote lijnen identiek, in overeenstemming met wat daarover binnen het kerkverband was afgesproken. Ook in de praktische vormgeving van het kerkelijk leven was er een grote mate van eenheid: de vrijheid van gemeenten werd begrensd door wat in de kerkorde was vastgelegd.

Al die papieren waarnaar ik hier verwijs bestaan nog altijd. Er zijn nog steeds belijdenissen, maar de mate waarin en de manier waarop die functioneren, is in toenemende mate aan variatie onderhevig. Het kan zomaar gebeuren dat tijdens het catechetisch onderwijs de Heidelbergse Catechismus dicht blijft. En dat boek functioneert ook op ander vlak steeds minder: naarmate de middagdiensten minder worden bezocht is ook de uitleg van de leer van de kerk aan sterke erosie onderhevig. De kerkorde bestaat nog wel, maar is een andere dan vroeger. Ze regelt minder en laat meer aan de vrijheid van de plaatselijke kerken over. Op het gebied van de liturgie beperken afspraken zich inmiddels vrijwel geheel tot advies; geregeld wordt er nauwelijks meer iets.

Ook hier geldt dat een zekere vrijheid voor de plaatselijke kerk in overeenstemming is met het gereformeerde kerkmodel. Dat gaat immers van de zelfstandigheid van de gemeente uit. Er is geen Gereformeerde Kerk met plaatselijke afdelingen; gereformeerde kerken sluiten zich vrijwillig tot een kerkverband aaneen. Ze aanvaarden dan ook de regels die binnen dat kerkverband worden afgesproken. Maar juist dat is in toenemende mate problematisch. Gemeenten willen wel tot het kerkverband behoren; ze zouden waarschijnlijk hevig verontwaardigd zijn wanneer ze eruit zouden worden gezet. Maar ze willen zelf bepalen of en in hoeverre ze zich houden aan wat binnen dat kerkverband is afgesproken.

Daaraan heeft dat kerkverband zelf ook schuld. Want waar ruimte wordt geboden aan eigenzinnigheid ligt het gevaar van eigenwijsheid op de loer. Dan gaan gemeenten niet maar alleen hun eigen gang, maar dan laten ze zich ook niet aanspreken, laat staan corrigeren, door het kerkverband. En dat laat toe dat gemeenten soms ver afwijken van wat binnen dat kerkverband gebruikelijk is. Het ontbreekt vaak aan de moed om zo’n gemeente voor de keus te stellen: òf zich conformeren aan wat is afgesproken òf een eigen weg gaan en dan de consequentie van een uittreding uit het kerkverband aanvaarden. Dat zou duidelijkheid scheppen naar alle kanten.

De hier geschetste ontwikkeling laat zich goed illustreren aan de hand van de Christelijke Gereformeerde Kerk van Zwolle en haar predikant Henk Mijnders. Hun positie in hun kerkverband werd geschetst in het Nederlands Dagblad van 31 oktober 2015. Hieruit komt het beeld naar voren van een predikant die de nodige moeite heeft met zijn kerkverband en met wat hem vanuit de gereformeerde traditie wordt aangereikt. In de weerslag van dit artikel in de media hebben vooral de opstelling van Mijnders en zijn gemeente ten aanzien van homosexuele relaties en de consequenties daarvan voor de positie van deze gemeente binnen het kerkverband de nodige aandacht gekregen. Mijnders suggereerde dat wanneer het standpunt van ‘Zwolle’ door de Generale Synode van de CGK opnieuw wordt afgewezen een ‘herverkaveling van de kerkelijke kaart’ haast onvermijdelijk is. “Of we gaan zelfstandig verder, of we moeten ons aansluiten bij een ander kerkverband.” Uit een reactie van zijn kerkenraad kan worden opgemaakt dat de soep niet zo heet wordt gegeten als hij wordt opgediend, maar desondanks heeft zich het beeld gevestigd dat de CGK van Zwolle een afwijzing van haar opvattingen ten aanzien van de positie van homosexuelen in de kerk eigenlijk niet accepteert.

Daarmee bevestigen Mijnders en tot op zekere hoogte ook zijn kerkenraad het hierboven geschetste beeld. Er is niets tegen wanneer Mijnders op grond van een studie van de Schrift tot een andere conclusie ten aanzien van homosexualiteit komt dan in zijn kerk gebruikelijk is. Wie met Schriftuurlijke argumenten komt, heeft het recht gehoord te worden. Maar dan moet men wel accepteren dat de conclusies die men getrokken heeft, met Schriftuurlijke argumenten worden weerlegd. Wie in een kerkelijke gemeenschap – de zichtbare vorm van de gemeenschap van de heiligen – wil functioneren, moet niet alleen de bemoediging en de bijstand aanvaarden, maar ook de correctie en het vermaan. Dat in het onderhavige geval die bereidheid niet lijkt te bestaan, is niet alleen het gevolg van de eigenzinnigheid die ongetwijfeld een kenmerk van Mijnders is. Het wordt ook veroorzaakt door zijn visie op de Schrift, die merkwaardig weinig aandacht heeft gekregen.

“De Bijbel wordt het Woord van God op het moment dat Bijbelwoorden door jou zijn heengegaan en jij kunt getuigen: die woorden hebben mij beslissend veranderd”, zo wordt Mijnders geciteerd. Ik heb niet vernomen dat hij dit citaat heeft gecorrigeerd als niet in overeenstemming met zijn visie. Daarmee verwijdert hij zich principieel van wat de gereformeerde belijdenis leert over de aard en het gezag van de Schrift. Het is logisch dat die manier van omgaan met de Schrift ook doorklinkt in zijn benadering van homosexualiteit en homosexuele relaties. In deze Schriftvisie krijgen menselijke inzichten zoveel gewicht dat aan het goddelijk gezag van de Schrift tekort wordt gedaan. Dan is het geen wonder dat de realiteit van relaties in liefde en trouw de duidelijkheid van de Schrift ten aanzien van relaties overschaduwt. Het verschil in visie tussen Mijnders – en waarschijnlijk zijn kerkenraad – enerzijds en de Generale Synode van zijn kerken anderzijds wortelt vooral daarin dat de manier waarop tegen de aard en gezag van de Schrift wordt aangekeken, principieel verschilt.

In dat licht moeten ook andere elementen van Mijnders’ denken, zoals die in het artikel naar voren komen, worden bezien. Daarbij gaat het over de vraag of degenen die het geloof vaarwel zeggen, inderdaad verloren gaan en over de vraag of de hel een lijden is “dat nooit meer zal stoppen”. Mijnders geeft ook aan dat hij er niet uit komt hoe het na dit leven verder gaat. Hij merkt op dat de bijbel “een contextueel boek” is. Hem wordt tegengeworpen dat de bijbel op die manier een warboel wordt en dat je eruit kunt halen wat je wilt. Hij weerspreekt het niet. “Waarheid is een eschatologisch begrip. We zijn onderweg naar de waarheid. (…) Wij mogen geen gesneden beeld van God maken.”

Dat klinkt bescheiden. Maar die bescheidenheid is ver te zoeken in de manier waarop hij zijn eigen opvattingen presenteert. Ook zijn opstelling ten aanzien van zijn kerkverband is geen toonbeeld van bescheidenheid. Wie zijn visie niet aan het oordeel van de gemeenschap van de heiligen wil onderwerpen, verklaart ze in feite sacrosanct. Maakt zo iemand zelf niet een gesneden beeld van God?

Er is geen enkele reden zulke eigenzinnigheid te omarmen, zoals in reacties op sociale media is gedaan. Want hier wordt in feite de gemeente aan het particuliere inzicht en de eigenwijsheid van een predikant en zijn kerkenraad uitgeleverd. Het is nu precies de taak van de gemeenschap van de heiligen – in dit geval het kerkverband van de Christelijke Gereformeerde Kerken – corrigerend op te treden. Dat kan betekenen dat wanneer de door ‘Zwolle’ aangehangen visie wordt verworpen en dit oordeel door de desbetreffende gemeente wordt afgewezen, er geen andere oplossing bestaat dan deze gemeente niet langer als lid van het kerkverband te aanvaarden.

Waar kerkelijke eigenwijsheid zich manifesteert moet de gemeenschap van de heiligen in het geweer komen. Dat is haar pastorale plicht.

Kom van die troon af!

Onder christenen wordt al zeker honderd jaar – en misschien nog wel langer – gediscussieerd over de verhouding tussen geloof en wetenschap. Die discussie spitst zich vooral toe op de relatie tussen geloof en natuurwetenschap. Natuurlijk worden ook in andere wetenschappen, zoals de psychologie en de sociologie, theorieën gedebiteerd waartegen vanuit een christelijke overtuiging bezwaar kan worden gemaakt. Maar die worden meestal niet universeel omarmd. Je zou hier bijvoorbeeld kunnen denken aan de neurobioloog Dick Swaab die een ‘materialistische’ en ‘deterministische’ visie op het menselijk brein heeft. “[De] natuurkundige en chemische processen in onze hersenen bepalen hoe we reageren en wie wij zijn”, zoals samengevat door Wikipedia. Dat dit gevolgen heeft voor de visie op menselijk gedrag en daarmee ook op hoe men denkt over zonde en het menselijk vermogen keuzes te maken, is duidelijk. Maar zijn visie is ook binnen het vakgebied omstreden en je hoeft geen christen te zijn om die theorie te verwerpen. In de natuurwetenschappen ligt dat in veel gevallen anders, en dat geldt zeker voor wat onder christenen het heetste hangijzer is: de evolutietheorie.

Die wordt vrijwel alleen door christenen – op grond van wat zij in de Schrift lezen – verworpen of in elk geval betwijfeld. Binnen de natuurwetenschap vertegenwoordigen degenen die kritiek leveren op de uitgangspunten van de evolutietheorie hooguit een zijstroom. De hoofdstroom bestaat uit wetenschappers die deze theorie als bewezen aanvaarden. Dat maakt de discussie over dit onderwerp bij voorbaat al gecompliceerd. Het is voor natuurwetenschappers vrij gemakkelijk kritiek af te doen als voortkomend uit een gebrek aan kennis. Natuurwetenschap wordt – in tegenstelling tot sociale wetenschappen als de psychologie – als een ‘harde’ wetenschap beschouwd. Het gaat daarin om feiten, die te controleren zijn. Theorieën als de evolutietheorie zijn gebaseerd op metingen, die herhaalbaar zijn en dus verifieerbaar. Daarmee staan vertegenwoordigers van de natuurwetenschap al bij voorbaat op voorsprong wanneer ze in discussie gaan met bijvoorbeeld theologen. Die beroepen zich immers op de Schrift, die op verschillende manieren wordt uitgelegd. Tegenover elk argument tegen de evolutietheorie dat wordt ondersteund met een beroep op de Schrift staat een tegenovergesteld argument waarvoor men zich op diezelfde Schrift beroept.

Ook op een andere manier trekken theologen aan het kortste eind. De natuurwetenschap is niet zomaar voor iedereen toegankelijk. Je moet er een grondige kennis van hebben om argumenten pro en contra de evolutietheorie te kunnen wegen. Er zullen niet veel theologen zijn die zulke kennis in huis hebben. Daar tegenover staat dat natuurwetenschappers zich zonder al te veel scrupules op het terrein van de exegese begeven. Ze menen over voldoende kennis te beschikken om op dat terrein uitspraken te doen. In zekere zin is dat nog terecht ook: de Schrift is immers aan de gemeente – de gelovigen samen dus – toevertrouwd en de exegese is niet voorbehouden aan enkele ‘deskundigen’.

De discussie over ‘schepping of evolutie’ – om het maar even populair uit te drukken – heeft nieuwe voeding gekregen door het recent verschenen boekje Het geheime logboek van topnerd Tycho, geschreven door nanobioloog Cees Dekker, hoogleraar aan de TU Delft, en Corien Oranje, vooral bekend als auteur van kinderboeken. Dit boekje is dan ook voor kinderen bestemd en wil hun duidelijk maken dat er geen tegenstelling bestaat tussen het serieus nemen van de Schrift en de aanvaarding van de evolutietheorie. Ik heb het niet gelezen, maar het lijkt me op voorhand een ongelukkig initiatief. Kinderen kunnen immers de verschillende argumenten niet wegen en hebben geen inzicht in de consequenties die een aanvaarding van die theorie voor het lezen van de Schrift kan hebben. De geschiedenis van de schepping beperkt zich tenslotte niet tot de eerste hoofdstukken van Genesis. Op allerlei plaatsen in de bijbel wordt ernaar verwezen. Zo’n boekje zou op z’n minst onder begeleiding gelezen moeten worden, maar de meeste ouders en leerkrachten beschikken over te weinig natuurwetenschappelijke kennis om het naar voren gebrachte van ter zake doend commentaar te voorzien. Het blootstellen van kinderen aan een op z’n minst omstreden theorie gaat op deze manier wel enigszins op indoctrinatie lijken.

Het wekt ook enige verbazing wanneer Corien Oranje in een interview met het Nederlands Dagblad (18.9.15) zegt: “De uitgever vroeg ons eerst om twee opties aan te reiken, het creationisme en theïstische evolutie. Cees wilde dat niet, en hoe meer ik erover ging lezen, hoe meer ook ik dacht: de evolutietheorie klopt gewoon.” Gaat dat zo gemakkelijk? Ik betwijfel of ze over grondige natuurwetenschappelijke kennis beschikt om de argumenten die ter verdediging van de ‘theïstische evolutie’ worden aangevoerd, te toetsen. Daarmee lijkt me de conclusie dat de evolutietheorie ‘gewoon’ klopt op z’n minst voorbarig. In het slechtste geval heeft ze zich door de geleerdheid van haar medeauteur en de boekjes die haar – door hem? – zijn aangereikt, laten intimideren.

Maar wellicht moeten we dit in een breder kader plaatsen. De christelijke wereld lijkt zich in een fase te bevinden waarin monumenten van zekerheid ernstige vormen van verval beginnen te vertonen. Opinieleiders die in een niet eens zo ver verleden uitstraalden dat ze alles – of in elk geval heel veel – zeker wisten, gedragen zich nu als zoekende zielen of brengen hun overtuigingen nog slechts mompelend en met veel mitsen en maren naar voren. Ze willen vooral niet de indruk wekken dat ze overtuigd zijn van hun gelijk, laat staat van anderen te verwachten dat ze dat gelijk erkennen. Deze houding past bij het geestelijk klimaat van deze tijd, niet minder dan dat de zekerheden van vroeger en de manier waarop ze werden uitgedragen, pasten bij een tijd waarin het ideologische gelijk en de overtuiging dat er een absolute waarheid bestond het politieke en maatschappelijke debat beheersten.

Enkele weken geleden had ik het genoegen een promotie aan de Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) in Kampen bij te wonen. Dr. A.P. van Langevelde verdedigde als proefschrift een biografie van Cornelis Veenhof, vroeger hoogleraar aan deze universiteit (toen nog Theologische Hogeschool geheten). “In zijn jeugd worstelde hij met de vraag of hij wel echt bekeerd was en of hij wel tot het domineesambt geroepen was. Die twijfels verdwenen toen hij boeken van Klaas Schilder en Antheun Janse las, twee gereformeerde opinieleiders in de jaren dertig. Beiden hadden een afkeer van bevindelijke twijfels en benadrukten de zekerheid van Gods beloften in de Bijbel. Het ging hun om absolute gehoorzaamheid aan de Bijbel, die helder en slechts voor één uitleg vatbaar was. Veenhof kwam terecht in de ‘het klimaat van het absolute’, schrijft Van Langevelde. In dat klimaat werd fel gediscussieerd over bijvoorbeeld de geloofszekerheid, het genadeverbond en de pluriformiteit van de kerk. De stijl van de debatten was rationeel, consequent en absoluut. Het leidde tot verwijdering en droeg bij aan de Vrijmaking, de scheuring in de Gereformeerde Kerken in 1944”, zo vat het Nederlands Dagblad van 23 september 2015 Van Langevelde’s analyse samen.

Op de analyses van Van Langevelde valt wel iets af te dingen. Vooral het label ‘het klimaat van het absolute’ dat hij Schilder en zijn medestanders en de latere tegenstanders van Veenhof (in de jaren ’60 van de vorige eeuw) opplakt, lijkt me aanvechtbaar. Hij lijkt het conflict vooral vanuit sociologisch gezichtspunt te benaderen; de geestelijke dimensie – die voor de hoofdrolspelers de hoofdzaak was – blijft onderbelicht, zoals één van de opponenten ook opmerkte. Maar Van Langevelde heeft ongetwijfeld gelijk als hij een verband legt tussen de zekerheid die door Schilder en – tijdens het kerkelijk conflict binnen de GKV – door iemand als Kamphuis werd verdedigd enerzijds en het maatschappelijke klimaat van de jaren ’30 respectievelijk de jaren ’60 anderzijds. Dat is op zichzelf niet verrassend: de kerk en haar leden maken deel uit van het maatschappelijk leven en krijgen dus altijd iets – of zelfs veel – mee van het daar heersende klimaat.

Maar als dat zo is geldt dat ook voor onze tijd. Het feit dat de positie van Veenhof in de huidige GKV op nogal wat sympathie kan rekenen, is veelzeggend. Maar daarbij blijft het niet. Sinds de jaren ’90 van de vorige eeuw vindt in Nederland iets plaats wat je ‘ontideologisering’ zou kunnen noemen. Bekend is de uitspraak van voormalig premier Kok, die als leider van de PvdA van mening was dat zijn partij haar ideologische veren moest afschudden. Ideologie staat tegenwoordig in een kwade reuk. Het riekt naar zekerheid en die is verdacht. Dat in de praktijk ideologie helemaal niet is uitgestorven en politici en opiniemakers nog steeds uitgaan van hun eigen gelijk heb ik al eens eerder betoogd. Maar dat wordt niet van de daken geschreeuwd. Het staat tegenwoordig in elk geval niet netjes er rond voor uit te komen dat je overtuigd bent van je eigen gelijk. En dat heeft ook in christelijke kring consequenties. Dan kan het zelfs gebeuren dat een predikant twijfel als iets positiefs beschouwt.

Wanneer zekerheden ‘niet meer van deze tijd’ zijn – om het meest inhoudsloze ‘argument’ van onze tijd te gebruiken – is het begrijpelijk dat ook christelijke boegbeelden hun zekerheden onder het tapijt schuiven of daarvan zelfs helemaal afstand nemen. Dat allerlei christenen nu tot de conclusie komen dat de evolutietheorie ‘gewoon klopt’ lijkt niet zozeer het gevolg van een dieper inzicht in de Schrift, laat staan in de natuurwetenschap, maar vooral van een algehele twijfel ten aanzien van de waarheid van wat we in de Schrift lezen. Als gevolg daarvan wordt het beroep op de Schrift om een bepaald standpunt te verdedigen dan wel te weerleggen, steeds problematischer. Een typerend voorbeeld is de manier waarop het argument dat Jezus in zijn gesprekken gewoon verwijst naar de schepping wordt ‘weerlegd’. Hij paste zich aan het begripsvermogen van zijn gehoor aan. Daarmee wordt in feite elk beroep op wat Hij heeft gezegd bij voorbaat ontkracht. Want Hij verwijst ook naar andere zaken die wetenschappelijk gezien op z’n minst twijfelachtig zijn, zoals het verblijf van Jona in de vis en de verandering van de vrouw van Lot in een zoutpilaar.

En wat te denken van de opstanding? “Theoloog Reinier Sonneveld stelde dat God zich in het scheppingsverhaal aanpast aan de cultuur en het bevattingsvermogen van mensen. Maar bestaat dan de kans dat we straks ook de opstanding van Jezus en zijn wonderen niet meer letterlijk nemen? ‘Ik zie het om me heen niet gebeuren’, antwoordde hij. ‘Alle evangelicale theologen die ik lees, zijn hartstikke theïstisch evolutionistisch maar houden tegelijk hartstikke vast aan de letterlijke uitleg van Jezus’ opstanding.” (ND, 25.9.15). Wellicht zegt dit vooral iets over de boeken die hij leest en over het gebrek aan logisch consistent denken van de auteurs. Je zou van geluk moeten spreken wanneer mensen de uiterste consequenties van wat ze voor waar aannemen niet altijd trekken of misschien niet eens zien. Maar erg geruststellend is dat niet. Sonneveld vervolgt: “Bovendien: tegen de opstanding zie ik geen wetenschappelijke bezwaren, omdat de wetenschap daarover helemaal niet gaat. Ook is nooit bewezen dat er geen wonderen bestaan.” Dat lijkt me nogal inconsequent: als wonderen kunnen bestaan, waarom dan het wonder van de schepping niet? Het is me ook niet duidelijk waarom er geen wetenschappelijke bezwaren tegen de opstanding zouden bestaan. Ik denk niet dat ook maar één bioloog zal durven beweren dat een mens kan opstaan uit de dood.

In deze kwestie komen twee lijnen samen. De eerste is een toenemende onzekerheid over de betrouwbaarheid van wat we in de Schrift lezen. Die heeft gevolgen voor de ethiek, zoals blijkt uit een door het Nederlands Dagblad gehouden onderzoek naar de omgang van vijftigplussers met het geloof. Het komt ook tot uiting in de verlegenheid met de tegenstelling tussen wat de Schrift als echt gebeurd presenteert en de waarheidsaanspraken van de wetenschap. Het lijkt erop dat de aanspraken van de Schrift met steeds grotere scepsis worden bejegend terwijl die van de wetenschap onkritisch worden omarmd, zelfs wanneer men daarvan hooguit oppervlakkige kennis bezit en de reikwijdte en consequenties ervan niet overziet. Daarbij kan men er op wijzen dat de Schrift op allerlei punten verschillend wordt uitgelegd. Maar dat is geen argument om vervolgens de wetenschap op de troon te zetten. Want zelfs als alle natuurwetenschappers het eens zijn over een wetenschappelijke theorie is dat nog geen reden die als waar te aanvaarden. Tenslotte is alle wetenschap – hoe ‘hard’ ook – mensenwerk en gebaseerd op menselijke waarnemingen. Dat is geen verwijt, maar gewoon het constateren van een feit. Een mens kan nu eenmaal niet verder kijken dan zijn menselijke neus lang is. Er zou veel gewonnen zijn wanneer wetenschappers zich dat meer zouden realiseren en dat ook publiek zouden erkennen. Maar dan moeten ze wel van hun troon afkomen en dat is voor vele van hen waarschijnlijk teveel gevraagd. “U hebt hem bijna een god gemaakt” en “u hebt hem toevertrouwd het werk van uw handen”. Daarmee zet David in Psalm 8 de mens – met al zijn mogelijkheden en inzichten – op zijn plaats. De troon komt hem niet toe.

Wie kunnen we geloven? Dat is niet in de eerste plaats een kwestie van kennis, maar van vertrouwen. Dat bepaalt aan wiens antwoorden je het meeste geloof hecht. Dat zou voor christenen geen vraag moeten zijn.

Slecht voorbeeld

Al decennia wordt er onderzoek gedaan naar jongeren en het geloof en jongeren in de kerk. Vele rapporten, artikelen, brochures en boeken zijn eraan gewijd. Dat wijst erop dat er een ‘jongerenprobleem’ bestaat. Elk jaar verlaten vele jongeren de kerk waarin ze zijn opgegroeid en dat gaat niet zelden gepaard met een afscheid van het christelijk geloof.

Met de ouderen loopt het zo’n vaart niet. Tenminste, dat zou je denken gezien de relatief geringe aandacht die aan het thema ‘ouderen en het geloof’ of ‘ouderen in de kerk’ wordt besteed. Misschien leeft hier en daar de gedachte dat ouderen er wel komen en dat aan hun geestelijk welbevinden geen speciale aandacht hoeft te worden gegeven. Er zijn nogal wat gemeenten waar men een jongerenpastoraat in het leven heeft geroepen en speciale ambtdragers voor de jongeren heeft aangesteld. Vergelijkbare voorzieningen voor ouderen zijn er veel minder, misschien uitgezonderd in die gemeenten waar het aantal ouderen substantieel is. Wellicht gaat dat veranderen wanneer de vergrijzing zich ook in de kerk steeds nadrukkelijker doet gevoelen.

In het licht van het bovenstaande is het opmerkelijk dat het Nederlands Dagblad een speciaal onderzoek wijdde aan de vraag hoe vijftigplussers met het geloof omgaan en of en in welk opzicht zich hun opvattingen en gedrag over een periode van 25 jaar hebben gewijzigd. Uit het onderzoek springen twee punten naar voren. Het eerste is dat bij een substantieel deel van degenen die de verstuurde enquête hebben ingevuld, het gedrag en de opvattingen ten aanzien van een aantal zaken nogal zijn veranderd. Het tweede is dat een aantal respondenten de vrees uitspreekt dat toekomstige generaties minder betrokken zullen zijn bij de kerk. De intrigerende vraag is of er een verband tussen het één en het ander bestaat. Ik wil proberen op die vraag een antwoord te vinden. Bij mijn analyse kan ik slechts uitgaan van de gegevens die de krant op 23 april j.l. publiceerde. Daarbij past dus enige voorzichtigheid want sommige gegevens zou je nader gespecificeerd willen zien om er iets meer over te kunnen zeggen.

Bij het onderzoek passen wel een paar kanttekeningen. Daar is allereerst – zoals bij elk onderzoek van dit soort – de vraag of de geselecteerde groep geënqueteerden representatief is. Die vraag laat zich op basis van de publicatie in het ND niet beantwoorden. Bovendien is dit een technische kwestie waarover alleen ter zake kundigen een oordeel kunnen vellen. Vermelding verdient wel het feit dat slechts iets meer dan de helft van degenen die benaderd werden, de enquete hebben geretourneerd.

Vervolgens moet gewezen worden op het feit dat de geselecteerde groep erg omvangrijk is wat betreft de leeftijd: iedereen van 50 jaar en ouder. Daar valt dus iemand van 55 onder, maar ook iemand van 85. Daar zit 30 jaar tussen en daarmee behoren ze tot verschillende generaties. Het zou interessant zijn te weten hoe de antwoorden op de gestelde vragen verschillen per leeftijdscategorie. In de ND-publicatie zijn de antwoorden niet uitgesplitst, met uitzondering van die betreffende de kerkgang.

Zo’n uitsplitsing is met name van belang omdat daardoor meer inzicht verkregen kan worden over de periode in het leven van de respondenten waarin zich eventuele veranderingen hebben voltrokken. Gevraagd werd naar veranderingen in gedrag en opvattingen over een periode van 25 jaar. Daarin kan veel gebeuren. Wanneer iemand van 55 andere opvattingen heeft dan 25 jaar geleden ligt het voor de hand te veronderstellen dat de omslag zich op middelbare leeftijd heeft voltrokken. Dat is de tijd dat veel mensen opgroeiende kinderen hebben en dat kan grote invloed hebben op de ontwikkeling van meningen en gedragingen. Iemand kan mogelijkerwijs precies vertellen wat het verschil tussen ware en valse kerk is, maar houdt hij die opvatting staande wanneer zijn kinderen ‘gemengd’ trouwen en elders kerkelijk onderdak vinden?

Je zou ook graag willen weten onder invloed van welke factoren veranderingen hebben plaatsgevonden. Waren het persoonlijke ervaringen? Heeft het te maken met wat men gehoord of gelezen heeft? Heeft men zich door argumenten laten overtuigen of was het gevoel de doorslaggevende factor? Juist de kwesties waarover de respondenten hun mening moesten geven – ongehuwd samenwonen, homoseksuele relaties, de vrouw in het ambt en de kerkgang – laten zich niet reduceren tot een simpel ‘ja’ of ‘nee’ dan wel ‘voor’ of ‘tegen’. Daar zou je graag willen weten hoe men tot een antwoord komt en welke argumenten men daarvoor gebruikt. Er worden wel enkele deelnemers aan het woord gelaten, maar die zijn op geen enkele manier representatief.

Zeker voor de kerk lijkt het me van wezenlijk belang te weten te komen op welke manier mensen tot hun standpuntbepaling komen. Uit artikelen in de pers komt herhaaldelijk naar voren hoezeer wat goed voelt doorslaggevend is. Toen het Nederlands Dagblad nog de mogelijkheid bood digitaal op artikelen te reageren, bleek hoe vaak mensen zich door hun gevoel laten leiden. Degenen bij wie dat het geval is accepteren niet dat wat goed voelt wellicht naar Schriftuurlijke normen niet goed genoemd mag worden. Niet zelden geeft het eigen voorstellingsvermogen de doorslag: ik kan me niet voorstellen dat God een homoseksuele relatie in liefde en trouw zou afkeuren – om maar eens een voorbeeld te noemen.

Natuurlijk zijn er ook die zich serieus met een onderwerp bezighouden en zich in de literatuur die daarover verschenen is, oriënteren. Er is tegenwoordig van alles te krijgen en wat men niet in bladen of boeken vindt, kan men op het internet tegenkomen, tot aan pennevruchten van hier verder niet bekende auteurs uit verre landen aan toe. Dat is onvermijdelijk: ook in dit opzicht is de wereld een dorp geworden. Het is ook niet verkeerd. De vraag is wel of men altijd voldoende kritische zin meebrengt bij het tot zich nemen van wat uit allerlei bronnen opwelt. Kritisch lezen – en dat betekent in dit geval: met een door de Schrift aangereikte bril – is niet ieder gegeven. Juist daarom is het belangrijk dat meningsvorming over ‘hete hangijzers’ niet alleen maar in de binnenkamer plaatsvindt, maar ook – en vooral – in de gemeenschap van de kerk.

En daar zit een groot probleem. De antwoorden op de vraag naar de kerkgang laten zien dat het niet meer vanzelfsprekend is dat alle kerkdiensten – voorzover mogelijk – worden bezocht. In toenemende mate lijkt men zelf te willen uitmaken of het zinvol is aan een kerkdienst deel te nemen. Daarmee komt dus de meningsvorming in de gemeenschap van de kerk onder druk te staan. Weliswaar staan daar dan andere dingen tegenover – bijvoorbeeld samenkomsten van een kleine groep, zoals een huiskring – maar daar komt slechts een gedeelte van de gemeente waartoe men behoort. Bovendien is in zulke structuren het gevaar reëel dat het vooral gelijkgezinden zijn die elkaars gezelschap zoeken. Dat staat diametraal tegenover wat kenmerkend is voor de kerk: een gemeenschap van mensen die in allerlei opzichten heel verschillend zijn en uit zichzelf nooit elkaar zouden hebben opgezocht maar door God zelf bij elkaar zijn gezet.

Vooral de middagdienst staat onder druk. In veel gemeenten laat de deelname daaraan ernstig te wensen over. Sommige kerkenraden leggen het hoofd in de schoot: overtuigd dat het schip niet meer te keren is, schaffen ze de middagdienst af. Dat was traditioneel het moment waarop de leer van de Schrift – gewoonlijk aan de hand van de Heidelbergse Catechismus – werd uiteengezet en verkondigd. Wanneer de middagdiensten verder in verval raken of van de zondagse agenda worden afgevoerd, zal de verkondiging van de leer van de kerk nog verder worden ondermijnd. Daarmee verdwijnt ook de mogelijkheid de gemeenteleden te begeleiden in de confrontatie met wat op de al dan niet christelijke markt aan meningen wordt aangeboden. Naarmate ook christenen meer en meer bezwijken voor de verleiding zich aan te passen aan wat volgens de dominante maatschappelijke opvattingen normaal is, moet in de prediking de confrontatie met die heersende meningen worden aangegaan. Waar de verkondiging en uitleg van de leer van de kerk in verval raakt, moet men zich over de middelpuntvliedende krachten in de meningsvorming van de gemeenteleden niet verbazen.

De vraag is overigens wel of een frequenter kerkbezoek tot een grotere eenheid in gedrag en denken zou leiden. Want dan moeten voorgangers wel duidelijke taal spreken en de Schrift en de belijdenis aan het woord laten komen. Ze moeten – naar de eis van hun ambt – geestelijk leiding geven. Ze waken immers over de zielen van de hun toevertrouwde gelovigen, volgens het bevestigingsformulier voor predikanten. Maar gevreesd moet worden dat nogal wat voorgangers het op dit punt laten afweten. Wie per artikel in de pers een pleidooi voert voor een grotere invloed van het charismatische denken in de gereformeerde kerken, zoals onlangs in het Nederlands Dagblad te lezen was, stuurt hen de verkeerde kant op.

Wellicht is hier ook enige angst in het spel. Voorgangers durven misschien niet meer openlijk te zeggen waar het op staat, uit angst dat gemeenteleden bij wie de boodschap verkeerd valt, afhaken. Wie vanaf de kansel verkondigt dat het bijwonen van twee diensten per zondag de regel is en dat die gewoonte heel goed vanuit de Schrift te beargumenteren valt, zal niet op algemeen applaus hoeven te rekenen. Hij mag blij zijn dat aanvaard wordt dat hij het zegt. Of ernaar geluisterd, laat staan gehandeld wordt, is een heel andere vraag. Het is tegenwoordig niet meer gebruikelijk over een verschil van mening met argumenten te debatteren. Men geeft er de voorkeur aan zich van de boodschap niets aan te trekken.

Dat heeft ook met het toegenomen individualisme te maken: ieder mag voor zichzelf uitmaken wat hij vindt en hoe hij zich gedraagt. Dat maakt concrete prediking en huisbezoek nogal problematisch. Sommige ambtsdragers vallen degenen die zulke opvattingen huldigen, ook nog bij. Nog niet zo lang geleden was in het Nederlands Dagblad een ingezonden brief van een voorzitter van een kerkenraad te lezen – niet op persoonlijke titel, maar onder vermelding van zijn kerkelijke functie – waarin met zoveel woorden werd betoogd dat je uit de bijbel eigenlijk geen algemeen geldende regels kunt afleiden.

De kern van het individualisme is dat ieder individu zelfstandig zijn normen en waarden bepaalt die dan ook alleen voor hemzelf gelden. Je kunt niet tegen een ander zeggen: “gij zult”, maar zo’n uitspraak wordt ook niet van anderen geaccepteerd. Nu zal men zelden openlijk zeggen dat men de kerkelijke gemeenschap niet belangrijk vindt. Er bestaat in de maatschappij als geheel een duidelijk verlangen naar gemeenschap. Het is één van de drijvende krachten achter het populisme. Maar daarbij zoekt men dan wel een gemeenschap die voldoet aan bepaalde voorwaarden: het moet wel een gemeenschap zijn van gelijkgezinden. Voor het rechts-radicale populisme betekent dit dat wie geen Nederlandse wortels heeft die minstens drie generaties terug reiken, er niet bij hoort. Een gemeenschap op voorwaarden: dat is ook een gemeente waarvan de voorganger gemeenteleden die het kerkenraadsbeleid bekritiseren, dringend adviseert maar op te krassen – en dat is dan nog een gekuiste weergave. Daarmee verwordt de kerk tot een secte.

Die staat diametraal tegenover wat het wezenlijke is van de kerk volgens de gereformeerde kerkorde, die overigens geworteld is in de Schrift. Daarin zitten mensen die elkaar niet hebben uitgezocht en elkaar misschien niet eens sympathiek vinden. Maar ze hebben wel boodschap aan elkaar en willen van elkaar leren. Waar die wil ontbreekt, verwordt de gemeente tot een groep van mensen die nog wel een aantal fundamentele leerstellingen delen, maar zich verder in leer en leven zodanig van elkaar verwijderen dat het woord ‘gemeenschap’ niet meer echt van toepassing is.

Veel geënqueteerden spraken als hun verwachting uit dat toekomstige generaties minder kerkelijk betrokken zijn. Ik zou graag willen weten hoeveel van hen minder frequent de kerkdiensten bezoeken en of hun opvattingen in de loop van de tijd zijn losgeraakt van wat hun kerk belijdt. Want wanneer men zelf het verkeerde voorbeeld geeft, moet men zich niet beklagen wanneer volgende generaties een stap verder gaan of de uiteindelijke consequenties trekken. Sommigen lieten weten dat hun minder frequente kerkbezoek hun geloof niet heeft verzwakt. Maar om welk geloof gaat het dan? Het geloof waarvan men de inhoud hoogstpersoonlijk – zonder inbreng van de kerkelijke gemeenschap – bepaalt? Niet de individuele gelovige maakt uit wat geloof is. Dat wordt in de gemeenschap van de kerk bepaald. Aan de kerk is het Woord toevertrouwd, hier vindt de ‘bediening van de verzoening’ – om een oude term van stal te halen – plaats en hier worden de sleutels van het hemelrijk gehanteerd.

Er is een uitdrukking die zegt: “Goed voorbeeld doet goed volgen”. Dat geldt ook voor de manier waarop men gelooft en zich beweegt binnen de kerkelijke gemeenschap. Het omgekeerde is echter ook waar: slecht voorbeeld doet slecht volgen. Daarom moet ieder zich afvragen of hij wel een voorbeeld geeft dat navolgenswaard is. Wie de regelmatige kerkgang laat verslonzen, moet zich niet verbazen dat jongeren nog veel minder vaak de kerk van binnen zien. Er zal best een jongerenprobleem zijn, maar wellicht is dat voor een deel – en in toenemende mate – een ouderenprobleem.