Archief

Archive for februari, 2012

Tucht op de tocht

De tucht staat op de tocht, zo lijkt het. Dat was in bepaalde christelijke kerken al heel lang het geval. Wanneer er geen eenstemmigheid is over leer en leven vervalt elke grond voor tuchtoefening. Maar ook in kerken van orthodoxe snit lijkt de tucht heel sporadisch te worden toegepast. Dat valt tenminste op te maken uit wat daarover in de pers de laatste jaren is geschreven.

Enige voorzichtigheid is hier uiteraard wel geboden. Er zijn geen harde gegevens over het aantal gevallen van tuchtoefening in reformatorische kerken. Dat is logisch, want de tuchtoefening voltrekt zich voor een groot deel buiten de openbaarheid. Pas bij een bepaalde fase van tuchtoefening wordt hierover aan de gemeente mededeling gedaan. Zover komt het in de regel niet. Meestal geven de betrokkenen er de voorkeur aan zich voor die tijd aan de gemeenschap van de kerk te onttrekken. In reformatorische kerken zijn onttrekkingen een frequent voorkomend verschijnsel. Hoevaak die een uitvloeisel zijn van tuchtoefening valt onmogelijk te zeggen.

De tucht is een wezenlijk onderdeel van de gereformeerde religie. Dat blijkt uit het feit dat twee van de drie Formulieren van Eenheid hieraan specifiek aandacht besteden. De Heidelbergse Catechismus spreekt over de kerkelijke tucht in Zondag 31, waarin de sleutels van het koninkrijk der hemelen aan de orde komen. Artikel 29 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis noemt de tuchtoefening als één van de kenmerken van de kerk van Christus. Het is dus bepaald niet van ondergeschikt belang of en zo ja, hoe de tucht wordt gehanteerd. Dat komt ook naar voren bij de bevestiging van ambtsdragers. Aan de te bevestigen broeders wordt gevraagd of ze beloven zich aan de “kerkelijke vermaning en tucht” te onderwerpen wanneer ze zich in leer of leven misgaan. Hetzelfde gebeurt bij de openbare geloofsbelijdenis, wanneer gevraagd wordt: “Belooft u (…) u aan de kerkelijke terechtwijzing te onderwerpen, indien u zich – waarvoor God u genadig beware – in leer of leven misgaat?”
Wanneer de kerk van Christus vooral verlegen met de tucht blijkt te zijn – en uitlatingen van ambtsdragers wijzen daarop – is er alle reden voor bezinning.

Er worden allerlei argumenten tegen tuchtoefening aangevoerd. Er wordt op gewezen dat het gevaar van misbruik op de loer ligt. Een kerkenraad zou in de verleiding kunnen komen een lastig gemeentelid door de kerkelijke tucht buiten gevecht te stellen.
Wie belijdt dat de mens van nature slecht is zal dit bezwaar niet zomaar van tafel vegen. Wie de waarde van de kerkelijke tucht wil hooghouden, zal zich van de gevaren goed rekenschap moeten geven. Het gevaar van misbruik, hoe reëel ook, heft het goede gebruik echter niet op. Het is bepaald niet overbodig in dit verband het belang van het kerkverband nog eens te onderstrepen. Een kerkenraad mag wel besluiten een gemeentelid van het avondmaal af te houden, maar voor elke volgende stap in het proces van tuchtoefening dient het advies van het kerkverband te worden ingewonnen. En elk gemeentelid dat onder censuur is gezet, heeft het recht tegen de beslissing van zijn kerkenraad in beroep te gaan bij de meerdere vergadering. In dit licht is het kerkverband – waarover nogal eens in negatieve termen wordt gesproken – dringend aan herwaardering toe.

Een ander bezwaar is dat tuchtuitoefening nogal eenzijdig is. Het zijn vooral zonden tegen het zevende gebod die tot tuchtoefening aanleiding geven. Wie zich aan andere zonden schuldig maakt, die wellicht even ernstig zijn, blijft meestal onder de radar. Ook dit bezwaar kan niet zondermeer van de hand gewezen worden. Wanneer men er lucht van krijgt dat bijvoorbeeld een ambtsdrager onder de tucht is gezet – wat betekent dat hij voor een bepaalde tijd wordt geschorst en dat daarom per definitie niet verborgen kan blijven – wordt meestal zonder meer aangenomen dat het wel weer om een zonde tegen het zevende gebod zal gaan. Er bestaat dus ook een bepaald verwachtingspatroon. Dit zou inderdaad kunnen samenhangen met een eenzijdige aandacht voor dit soort zonden, terwijl andere gemakkelijk door de vingers worden gezien.
In dit verband moet er op gewezen worden dat alleen tucht geoefend kan worden over zonden die in de openbaarheid komen. Wanneer iemand zich schuldig maakt aan overspel is dat vrijwel altijd het geval. Het leidt meestal tot ontwrichting van een huwelijk en een gezin. Dat laat zich niet aan de openbaarheid onttrekken. Daartegenover staan vele zonden die slechts aan de dader bekend zijn. Wie zijn belastingformulier niet correct invult en probeert inkomsten aan de belasting te onttrekken, zondigt tegen het achtste gebod. Maar van kerkenraadsleden mag niet verlangd worden dat ze bij een huisbezoek inzage vragen in de financiën. Ook andere zonden vinden vaak buiten het zicht van de gemeente plaats, zoals familieruzies of roddel en achterklap. De kerkenraad heeft maar een beperkte kennis van de gemeente die aan zijn zorgen is toevertrouwd. Dat wordt ook erkend in de formulering op belijdenisattestaties. Daarin meldt de kerkenraad dat de desbetreffende broeder of zuster “voorzover hem bekend” gezond is in leer en leven.
Dat is maar niet alleen onvermogen, de kerkenraad mag bepaalde grenzen ook niet overschrijden. Ook ten aanzien van de toelating tot de viering van het avondmaal – waarmee oorspronkelijk het huisbezoek verbonden was – heeft hij beperkte mogelijkheden en beperkte bevoegdheden. Het toezicht op de deelname aan de avondmaalsviering die aan de kerkenraad is opgedragen kan en mag de eigen verantwoordelijkheid van de avondmaalsgangers zelf niet wegnemen.

Dat tuchtoefening zich vaak beperkt tot zonden tegen het zevende gebod valt niet te ontkennen. Dat heeft nog een andere oorzaak. In veel gevallen is daarover weinig verschil van mening. Zeker wanneer het gaat om overspel of om sexueel misbruik bestaat er een grote mate van eensgezindheid dat dit in de gemeente van Christus niet getolereerd kan worden. Over andere zaken is er minder eenstemmigheid. Natuurlijk, wanneer bekend wordt dat een gemeentelid zich aan financiële malversaties of aan fraude heeft schuldig gemaakt, zal waarschijnlijk niemand bezwaar aantekenen tegen tuchtoefening. Maar hoeveel instemming mag nog verwacht worden wanneer iemand onder de tucht wordt gezet die de zondag als een gewone dag beschouwt en structureel en langdurig de zondagse erediensten verzuimt? Wordt dat nog als zonde tegen het vierde gebod gezien? En wanneer een gemeentelid weigert de ambtsdragers tot zijn huis toe te laten, geldt dat nog als zonde tegen het vijfde gebod? Overigens brokkelt de eensgezindheid ten aanzien van zonden tegen het zevende gebod ook behoorlijk af. Ik wijs hier op de discussies over ongehuwd samenwonen en over homosexuele relaties.
Ten aanzien van de tucht over de leer liggen de zaken nog veel ingewikkelder. De gereformeerde leer staat niet echt in het centrum van de aandacht. Het lijkt belangrijker dat iemand gelooft dan wat hij gelooft. Zelfs voor leertucht over ambtsdragers kalft het draagvlak af. De recente discussies over het kerkelijke conflict van de jaren ’70 van de vorige eeuw binnen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) laten dat zien. De leringen die destijds mede aanleiding gaven tot het conflict worden nu als quantités négligeables afgedaan.

Eenzijdigheden in de tuchtoefening moeten we niet te lijf gaan door de laatste restjes van de tucht op te ruimen. Er moet niet minder maar juist meer tucht geoefend worden. Daarmee doel ik niet in de eerste plaats op censuurmaatregelen. Wanneer en in welke gevallen die aan de orde zijn behoort tot de bevoegdheid van kerkenraden. Daar begint de tuchtoefening ook niet mee. Tuchtoefening begint op de kansel. De Heidelbergse Catechismus noemt de verkondiging van het evangelie als eerste sleutel van het koninkrijk der hemelen. Dat moet dan ook in de prediking tot uiting komen. Die mag niet vrijblijvend zijn, noch ten aanzien van de leer noch met betrekking tot het leven van de gemeente.

De tucht staat op de tocht. Wie wil voorkomen dat ze wegwaait moet bij de prediking beginnen.

Advertenties

De kromme stok van Wim Berkelaar

De column van Wim Berkelaar waarover de vorige bijdrage in deze weblog ging, houdt de gemoederen nog steeds bezig. Sinds dat stuk werd geschreven, gaf Berkelaar een nadere verantwoording en uitleg in het Nederlands Dagblad van 1 februari. Als het zijn bedoeling was de gemoederen enigszins tot bedaren te brengen is hij daarin niet geslaagd, zoals uit de reacties op de website van de krant blijkt. Wel geeft zijn artikel een beter inzicht in de manier waarop hij naar de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) kijkt. Het is een nuttige aanvulling op wat hij in zijn column schreef en wat Peter Bergwerff in zijn artikel, waaruit ik in mijn vorige bijdrage citeerde, naar voren haalde over de motieven van Berkelaar. Er valt niet aan de conclusie te ontkomen dat Berkelaar van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) niet veel begrijpt. Dat betreft niet alleen de kerken zoals ze in de jaren ’60 van de vorige eeuw waren. Zijn begrip van deze kerken zoals ze in deze tijd zijn is niet veel groter. Ik ga hier maar voorbij aan de vraag of hier sprake is van onvermogen of van onwil.

In mijn vorige artikel heb ik betoogd dat het niet de eerste taak van de historicus is een oordeel uit te spreken over de zaken of de personen waarmee hij zich bezighoudt. Hij moet in de eerste plaats feiten verzamelen, hun samenhang blootleggen en ze in hun contekst plaatsen. Als hij al een oordeel wil vellen, kan dat alleen op basis van kennis en inzicht. Waar die ontbreken, is elk oordeel een slag in de lucht.

Vervolgens is het dan noodzakelijk dat hij duidelijk maakt aan de hand van welke criteria een eventueel oordeel geveld wordt. Wordt het optreden van een persoon bijvoorbeeld gemeten aan de hand van diens eigen normen of die van het milieu waarin hij opereerde? Of legt de historicus andere criteria aan? En zo ja, welke dan? Als het zijn persoonlijke criteria zijn, wie wordt daar dan wijzer van, behalve de schrijver zelf? Zit iemand te wachten op de vraag of een persoon in zijn optreden of denken voldoet aan de persoonlijke maatstaven van de desbetreffende historicus? En als deze meent bepaalde handelingen of denkbeelden te moeten bekritiseren, zou hij die dan niet in elk geval aan het juiste adres moeten richten?

Dit soort overwegingen zijn relevant in het onderhavige geval. In zijn column schrijft Berkelaar: “Kamphuis had zich als predikant doen kennen als een geharnast verdediger van de leer dat de vrijgemaakt-gereformeerde kerk de ‘ware kerk’ was. Er liep voor hem een rechte lijn tussen de Reformatie van Maarten Luther (1517) via de Afscheiding van 1834 en de Doleantie van 1886 tot aan de Vrijmaking van 1944. Dat die leer op zichzelf dwaasheid is, door en door onhistorisch denken verraadt en als hoogmoedig kan worden getypeerd (als er een ‘ware’ kerk is, dan is er immers ook een ‘valse’ kerk – en wie zal dat bepalen?) is tot daaraan toe.” Uit de laatste zin blijkt dat Berkelaar niets op heeft met de leer betreffende de kerk zoals die in de gereformeerde belijdenis wordt verwoord. Dat is zijn goed recht, maar het is nogal vreemd zijn bezwaar ten tonele te voeren als onderdeel van zijn requisitoir tegen Kamphuis. Zijn verwijt is in feite dat Kamphuis de leer van zijn kerk verdedigde. Maar als Berkelaar tegen die leer bezwaar heeft, moet hij die richten tegen de kerken die Kamphuis diende.
Ter vergelijking: gereformeerden verwerpen het primaat van de paus. Maar het is niet terecht en ook weinig zinvol bijvoorbeeld kardinaal Eijk te bekritiseren wanneer die dat leerstuk verdedigt. Als vertegenwoordiger van zijn kerk mag van hem niet anders verwacht worden. Kritiek hierop moet gericht zijn op zijn kerk, niet op hem persoonlijk.

Berkelaar vervolgt dan: “De ware misdaad van Kamphuis was dat hij gewetensdwang begon te beoefenen en anderen, die twijfelden aan de gedachte van de ‘ware kerk’ week in, week uit de maat nam in het weekblad De Reformatie.” In zijn artikel in het Nederlands Dagblad spreekt hij over pogingen censuur uit te oefenen over “vrije gedachtenvorming”. Deze taxatie van het perswerk van Kamphuis laat ik hier onbesproken. Hier gaat het om zijn typering van dat werk als “gewetensdwang” en “censuur”. Daaruit komt opnieuw een gebrek aan begrip van de Gereformeerde Kerken naar voren.

Gewetensdwang betekent dat iemand niet de vrijheid heeft te denken wat hij wil. Kamphuis was helemaal niet in de positie zulke ‘gewetensdwang’ uit te oefenen. En mogelijkheden tot ‘censuur’ had hij al helemaal niet. In het gereformeerde kerkrecht is dat de exclusieve taak van kerkenraden. Kamphuis sprak vooral ambtsdragers – in dit geval speciaal voorgangers – aan op hun gebondenheid aan de gereformeerde belijdenis. Elke ambtsdrager had zich immers door zijn handtekening onder het ondertekeningsformulier verplicht die belijdenis uit te dragen en alles wat daarmee in strijd was te weerleggen. Ook Kamphuis had – eerst als predikant en later als hoogleraar aan de Theologische Hogeschool – zijn handtekening gezet. De daaruit voortvloeiende taak nam hij serieus. En hij sprak ook ambtsdragers aan op de belofte die ze met hun handtekening hadden afgelegd. Niemand was verplicht die handtekening te zetten. De consequentie was dan wel dat het ambt voor hen gesloten zou blijven. Maar dat behoort tot het wezen van gereformeerde kerken: ambtsdragers hebben geen absolute vrijheid van meningsuiting. In hun uitlatingen – mondeling via preken of schriftelijk in boeken en artikelen – behoren ze te blijven binnen de grenzen die de belijdenis trekt. Natuurlijk staat het Berkelaar vrij hierop kritiek te leveren. Maar die moet dan wel aan het juiste adres gericht zijn. In dit geval betekent dat de Gereformeerde Kerken.

Onbegrip blijkt ook uit de opmerkingen die Berkelaar zich over Kamphuis’ collega Douma veroorlooft. “Zijn Kamper oud-collega Jochem Douma, emeritus-hoogleraar ethiek aan de Broederweg, die zich in de jaren zeventig liet kennen als het progressieve uithangbord van de vrijgemaakt-gereformeerden, toonde zich in zijn herdenking een hardliner die zich pal achter Kamphuis opstelde. Ook al zou hun toon verschillend zijn geweest, Kamphuis en Douma deelden hun ‘liefde voor de gereformeerde religie’. En ze deelden de laatste jaren ‘zorg over de koers van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt’. De ooit zo progressieve Douma bekritiseert nu degenen die in openheid hun gereformeerde geloof willen belijden – notabene in navolging van Douma zelf, die in de jaren zeventig ruimte zocht.”

Douma heeft de verschillen tussen hem en Kamphuis nooit onder het tapijt geveegd. Zelfs in zijn artikel naar aanleiding van diens overlijden heeft hij die nog eens gememoreerd. Maar de openheid die Douma altijd heeft gepropageerd – en waarop hij nooit is teruggekomen – was geen openheid waarbij de gereformeerde belijdenis ter discussie werd gesteld. Hij zocht inderdaad ruimte, maar dan wel binnen de grenzen van die belijdenis. Daarom is er geen tegenstelling tussen zijn pleidooi voor openheid en zijn bezorgdheid over de huidige ontwikkelingen in de Gereformeerde Kerken. En daarom is het ook logisch dat hij in zijn herdenkingsartikel de eensgezindheid tussen Kamphuis en hem in hun “liefde voor de gereformeerde religie” onderstreept. In zijn column heeft Berkelaar er blijk van dat zowel de kennis van als de liefde voor de gereformeerde religie bij hem ontbreekt.

Dat blijkt ook uit het artikel van Peter Bergwerff in het Nederlands Dagblad van 28 januari. Daarin komt naar voren dat Berkelaar een afkeer heeft van collectivisme. “Als gelovige sta je individueel coram Deo. Voor het aangezicht van God.” In zijn eigen artikel van 1 februari weerspreekt hij de typering van Bergwerff niet. We mogen dus aannemen dat deze Berkelaars denken correct heeft weergegeven.
Uiteraard staat elke gelovige als individu voor het aangezicht van God. Ieder is zelf verantwoordelijk en kan zich niet achter anderen of achter de kerk verschuilen. Dat was zelfs een kernelement in de Reformatie en daarin ligt nog steeds een fundamenteel verschil tussen de kerken die daaruit zijn voortgekomen en de rooms-katholieke kerk. Maar dat heeft met individualisme niets te maken. Individualisme is een geseculariseerde radicalisering van de persoonlijke verantwoordelijkheid die een wezenskenmerk van de gereformeerde religie is. De gereformeerde belijdenis beklemtoont dat God geen losse individuen verzamelt maar een kerk vergadert. Berkelaar maakt een simpele tegenstelling tussen individualisme en collectivisme. Dat is ongetwijfeld geïnspireerd, zoals Bergwerffs artikel ook aangeeft, door Berkelaars studie van de communistische wereld. Maar die tegenstelling kan niet zomaar overal op geprojecteerd worden. Zowel een gereformeerde kerk als christelijke politiek onttrekken zich aan dit simplistische schema.

Opnieuw: Berkelaar heeft het volste recht voor het individualisme te kiezen. Maar het is vreemd dat hij een persoonlijke aanval op Kamphuis gebruikt om daaraan lucht te geven. Zijn bezwaren tegen diens denken en optreden zijn niets anders dan bezwaren tegen de gereformeerde leer en de gereformeerde manier van kerk-zijn. Die moet hij dan aan de Gereformeerde Kerken adresseren.

Het lijkt erop dat Berkelaar een stok heeft gezocht om de hond te slaan. Dat blijkt een kromme stok te zijn. Daarmee kan iemand soms een rechte slag slaan, maar Berkelaar heeft misgeslagen. En je moet niet een hond slaan, wanneer je een probleem met zijn baasje hebt.