Archief

Archive for maart, 2011

Geloven doe je samen

De voorpagina van het Nederlands Dagblad van 26 maart j.l. had een opvallende kop: “Ouders van homo’s geven liberalere uitleg Bijbelteksten”. Uit een onderzoek dat werd uitgevoerd te behoeve van een masterscriptie aan de Protestantse Theologische Universiteit in Kampen blijkt dat een flink aantal ouders van een homosexueel kind in orthodox-christelijke kring geneigd zijn teksten over homosexualiteit in de bijbel uit te leggen op een manier die vaak weinig verschilt van wat in meer liberale segmenten van de christelijke kerk gebruikelijk is. Een boek met alle resultaten en analyses daarvan zal later dit jaar verschijnen.

Het gaat me in deze weblog niet om het onderwerp homosexualiteit, maar eerder om de manier waarop de bijbel gelezen wordt. Je zou kunnen zeggen dat de desbetreffende ouders de bijbel contextueel lezen, dat wil zeggen door een bril die door hun persoonlijke omstandigheden gekleurd is. Voordat iemand daar direct de staf over breekt, is het wel goed zich te realiseren dat het praktisch onmogelijk is de bijbel niet contextueel te lezen. Strikte objectiviteit bestaat niet en er zijn waarschijnlijk geen twee gelovigen die bij het lezen van een bepaalde tekst precies hetzelfde ervaren. Bijbellezers zijn geen onbeschreven vellen papier. Ze brengen van alles mee wanneer ze de bijbel lezen: hun opvoeding, de traditie waarin ze zijn opgegroeid, de omgeving waarin ze verkeren en ook hun persoonlijke omstandigheden.

Er is op zichzelf niets mis met een contextueel lezen van de bijbel. Daarbij moet dan wel onderscheid gemaakt worden tussen verschillende vormen van contextueel lezen. Het is duidelijk dat de tijd waarin de lezer zich bevindt en zijn omstandigheden invloed hebben op wat hem in de bijbel speciaal aanspreekt. Wie in een derde-wereldland leeft zal in de bijbel andere dingen beklemtonen dan wie in een welvarend land woont. Teksten over slavernij zullen lezers in het rijke Westen niet direct aanspreken. Dat wil niet zeggen dat zulke teksten irrelevant geworden zijn, maar er moet wel een bepaald soort vertaalslag gemaakt worden om te begrijpen wat ze voor onze tijd en onze maatschappelijke omstandigheden betekenen. Het is ook logisch dat gelovigen die niet gehuwd zijn (geweest) en geen relatie hebben (gehad), enige afstand ervaren tot bijbelgedeelten die over het huwelijk gaan. Deze contextualiteit is onvermijdelijk. En zolang dit niet leidt tot een onderscheid tussen Schriftgedeelten met meer en met minder gezag is daar ook niets op tegen.

Er is ook een ander soort contextualiteit, en daarvan is de bovengenoemde houding een voorbeeld. Het is begrijpelijk dat ouders er moeite mee hebben wanneer hun kind weliswaar niet met het christelijk geloof wil breken, maar wel een weg gaat die in hun kring – familie, vrienden, de kerk – als in strijd met Gods wil wordt beschouwd. Onverkort vasthouden aan de daar heersende opvattingen kan het gevoel doen ontstaan dat men z’n eigen kind afvalt. De neiging de uitgangspunten die men altijd heeft gehanteerd, bij te stellen, is dan groot. De keuze voor een homosexuele relatie is slechts één voorbeeld. Het kan ook gaan om de keuze voor een andere kerk of geloofsgemeenschap of om bepaalde geloofsopvattingen, bijvoorbeeld betreffende de kinderdoop. Het zou me helemaal niet verbazen als veel gereformeerde ouders die er nooit aan twijfelden dat hun kerk de kerk van Christus was, de verschillen tussen kerken en groepen zijn gaan relativeren, mede onder invloed van de keuzen die hun kinderen gemaakt hebben.

Het zou wat te eenvoudig zijn de schuld hiervoor alleen de ouders in de schoenen te schuiven. Het is ook de geest van de tijd die hierbij een rol speelt. De dominante mentaliteit is immers dat iedereen zelf bepaalt wat waarheid is. De vraag van Pilatus, “Wat is waarheid?”, drukt het gevoelen van onze tijd goed uit. Wie zal bepalen wat waarheid is? Je komt die houding voortdurend tegen. De Christenunie zegt dat alle christenen welkom zijn als lid. Maar, werpt iemand tegen, dat geldt dan niet voor homosexuelen die een relatie hebben, want daar is de Christenunie tegen. En, volgt daarop dan vaak, alleen maar vanwege haar specifieke opvatting ten aanzien van homosexualiteit. Ook in andere discussies is dat steeds weer het refrein: wie geeft mensen het recht hun opvatting tot maatstaf te verklaren?

Hier raken we een fundamenteel punt. Hoe weet iemand dat zijn opvatting in overeenstemming is met de Schrift? Zoals eerder opgemerkt, het is vrijwel onmogelijk de bijbel niet contextueel te lezen. En dan is dus direct de vraag: hoe kan ik er zeker van zijn dat ik de bedoeling van de Schrift recht doe, wanneer ik daaruit een bepaalde opvatting over, bijvoorbeeld, een ethisch vraagstuk destilleer? Deze vraag is niet te beantwoorden zolang we ons opsluiten in het enge kader van het individualisme dat het maatschappelijke klimaat bepaalt. Daarin wordt ieder mens op zichzelf teruggeworpen en moet hij zelfstandig beslissen wat waarheid is.

Hiermee wordt de mens overvraagd. Niemand kan een zaak van alle kanten in alle objectiviteit bekijken. Uiteindelijk kan niemand er ooit zeker van zijn dat hij het bij het rechte eind heeft en de juiste beslissing heeft genomen. De consequentie van het individualisme is òf een oeverloos relativisme – de waarheid bestaat niet – òf een voortdurende martelende onzekerheid over de juistheid van een opvatting of beslissing.

Het individualisme heeft ertoe geleid dat er nauwelijks nog iets te bedenken valt waarover brede maatschappelijke consensus bestaat. Daarin heeft de kerk zich lange tijd onderscheiden van ‘de wereld’. Maar dat onderscheid wordt steeds kleiner. Want ook binnen de kerken – inclusief kerken van orthodoxe signatuur – neemt de consensus af. Over allerlei zaken lopen de meningen uiteen en soms lijkt het erop alsof er evenveel meningen als gelovigen zijn. Daarin laat zich de toenemende invloed van het individualisme aflezen. Nu is het een goede zaak wanneer kerkleden individueel zich bezinnen op de consequenties van de Schrift voor allerlei zaken van het concrete dagelijkse leven. Het onderzoeken van de Schrift om antwoorden op actuele vragen te vinden kan niet genoeg gestimuleerd worden. Maar daarbij mag de kerkelijke gemeenschap niet buiten beeld blijven.

Wie belijdt dat de kerk een gemeenschap van de heiligen is, moet zich daaraan ook iets gelegen laten liggen. Dat betekent concreet dat men de resultaten van de persoonlijke bezinning aan die gemeenschap voorlegt en dat men bereid is zich te laten corrigeren. Het betekent anderzijds ook dat de kerkelijke gemeenschap mensen die zich voor ingrijpende vragen gesteld zien, niet in de kou laat staan. Want geloven doe je samen.

Er is over dit onderwerp nog wel meer te zeggen. Ook zaken als kerkverband en kerkorde hebben hiermee te maken, evenals kerkelijke relaties over de grenzen heen. Die komen bijvoorbeeld op de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) van Harderwijk aan de orde. Ik kom daar in een volgend artikel op terug.

Advertenties
Categorieën:christendom, kerk, maatschappij

De kerk en het verval van de christelijke politiek

6 maart 2011 1 reactie

Ook al is dit weblog vooral aan kerkelijke zaken gewijd, de kerk staat midden in de wereld. Dus er is alle reden eens naar de uitkomst van de verkiezingen voor de provinciale staten te kijken. Daar valt vanuit politiek en maatschappelijk oogpunt van alles over te zeggen. Ik beperk me hier tot één belangrijk aspect dat ik ook al aan de orde stelde na de verkiezingen voor de Tweede Kamer van vorig jaar.

Toen was één van de opvallendste aspecten van de uitslag het enorme stemmenverlies van de christelijke partijen waardoor hun aantal zetels in de Tweede Kamer fors werd gereduceerd. Vooral bij het CDA was het verlies enorm. Naar verhouding wisten de Christenunie en de SGP zich redelijk te handhaven. Ook al moest eerstgenoemde een zetel afstaan, echt dramatisch was het verlies niet. De uitslag van de verkiezingen van vorige week woensdag laat een op het eerste gezicht vergelijkbaar, maar bij nadere beschouwing toch ander beeld zien. Het CDA heeft zich weliswaar kunnen handhaven, maar van enig herstel was geen sprake. De SGP wist wat stemmen te winnen, maar er waren toch ook heel wat plaatsen waar ze veren moest laten. Deze keer viel de klap vooral bij de Christenunie. Een deel van het verlies is te wijten aan de substantieel hogere opkomst, die altijd in het nadeel van partijen met een trouwe achterban werkt. En omdat een deel van de aanhang bij de kamerverkiezingen al had afgehaakt, kan het niet verbazen dat het verlies van toen bij deze verkiezingen doorwerkte.

Maar er was toch iets opvallends. Het waren vooral christelijke bolwerken waar de Christenunie stemmen verloor. Daartoe behoren plaatsen als Bunschoten en Urk en dorpen op de Veluwe. Juist daar waar de Christenunie altijd zeker kon zijn van een omvangrijke en trouwe achterban raakte ze vele stemmen kwijt. Waar zijn die stemmen naartoe gegaan? Het lijkt erop dat de SGP hiervan een deel heeft gekregen. Maar de bescheiden stemmenwinst van de SGP kan het soms grote verlies van de Christenunie niet helemaal verklaren. In de genoemde plaatsen kreeg ook de PVV flink wat stemmen. Dat bracht Trouw ertoe te schrijven dat nu ook aanhangers van de Christenunie naar de PVV zijn overgelopen.

Zonder verder onderzoek is die conclusie wat voorbarig. Wanneer partij A 10 procent van de stemmen verliest en partij B 10 procent wint, is het verleidelijk aan te nemen dat die 10 procent van de ene naar de andere partij is gegaan. Maar zo eenvoudig is het meestal niet. Desalniettemin is er wel reden aan te nemen dat inderdaad van een overloop van de Christenunie naar de PVV sprake is. Na de kamerverkiezingen van vorig jaar is door een commissie uit de Christenunie een onderzoek gehouden. Daaruit kwam geen substantieel stemmenverlies aan de PVV naar voren. Er was eerder sprake van verlies aan linkse partijen, deels – maar niet uitsluitend – van kiezers die van nature niet tot de achterban van de partij behoren maar bij eerdere verkiezingen Christenunie gestemd hadden vanwege een aansprekend programma. Het is niet uitgesloten dat ook bij deze verkiezingen sommige kiezers die eerder Christenunie hebben gestemd, nu één van de linkse partijen hebben gekozen. Maar of dat ook voor de genoemde gemeenten geldt is maar zeer de vraag. Het sterk conservatieve karakter van deze plaatsen lijkt er eerder op te wijzen dat kiezers uit de natuurlijke achterban van de Christenunie dit keer hun stem aan de PVV hebben gegeven.

Wellicht liggen hier ook strategische overwegingen aan ten grondslag. Men wilde door een stem op de PVV – en misschien ook de SGP – bereiken dat dit kabinet, dat door de Christenunie nogal kritisch bejegend wordt, in de Eerste Kamer een meerderheid zou krijgen. Er kunnen ook meer inhoudelijke redenen zijn. Welke dat precies zijn is niet zonder nader onderzoek vast te stellen. Maar het zou naïef zijn te denken dat de achterban van de Christenunie immuun zou zijn voor de mantra’s die door PVV-politici worden aangeheven. U kent ze wel: de klachten over niet-westerse allochtonen – lees: moslims -, de gevaren van ‘islamisering’ en de teloorgang van de ‘christelijk-joodse cultuur’.

Die aantrekkingskracht bestond waarschijnlijk al wel eerder. Maar de drempel om naar de PVV over te stappen was groot. Tegen de PVV bestaat in christelijke kring veel weerstand. Het kost dus moeite om de overstap te maken. Het lijkt erop dat de rem om PVV te stemmen, begint de verdwijnen. En dat heeft ongetwijfeld te maken met het feit dat de PVV nu bij het regeringsbeleid is betrokken. Weliswaar is ze geen volwaardig coalitiepartner, maar haar wordt wel invloed op het regeringsbeleid gegund. Het ligt voor de hand te concluderen dat dit de drempel om PVV te stemmen, heeft verlaagd. Kortom, de gedoogsteun van de PVV aan het kabinet-Rutte heeft haar salonfähig gemaakt.

“Er is werk aan de winkel”, zei André Rouvoet als reactie op de teleurstellende verkiezingsuitslag. Dat geldt niet alleen voor de Christenunie, maar ook voor de christelijke kerken. Want daar is de traditionele achterban van de Christenunie te vinden. En dat betekent dat ook kerken voor de vraag staan hoe ze met dit verschijnsel omgaan. Dat leden van christelijke kerken op niet-christelijke partijen stemmen is geen nieuw verschijnsel. In kerken die een grote verscheidenheid aan dogmatische opvattingen kennen, zoals de PKN en de kerken waaruit ze is voortgekomen, is dat al decennia lang de gewoonste zaak van de wereld. Maar inmiddels is dit verschijnsel ook in kerken van een meer orthodoxe signatuur doorgedrongen. Er zijn gereformeerden die op GroenLinks of de SP stemmen, of zelfs op D66 – van de genoemde partijen waarschijnlijk wel het meest uitgesproken antichristelijk. Tot op heden geven kerken niet de indruk dit als een groot probleem te zien dat een antwoord vraagt.

Het lijkt erop dat steeds meer leden van christelijke kerken de PVV hun stem geven. Zal dat de kerken wakker schudden? De kerk heeft geen politieke taak. Vroeger namen de rooms-katholieke bisschoppen de vrijheid de gelovigen voor te schrijven op welke politieke partij ze moesten stemmen. Die tijden zijn voorbij, gelukkig. Met zulke voorschriften zou de kerk haar boekje te buiten gaan. Het zou ook onjuist zijn in de kerk verkiezingsmateriaal van de Christenunie of de SGP neer te leggen. Maar dat betekent niet dat het de kerk om het even mag zijn welke keuze haar leden in het stemhokje maken. Die keuze heeft immers alles te maken met het leven naar Gods wet.

In kerkdiensten wordt de lezing van de Tien Geboden vaak gevolgd door de samenvatting die Jezus ervan heeft gegeven. Het tweede deel daarvan luidt: heb uw naaste lief als uzelf. Kan wie dat ’s zondags hoort, de woensdag daarop het hokje rood maken bij een partij die naastenliefde niet in haar woordenboek heeft staan? Is Jezus’ voorschrift in de Bergrede dat we zelfs onze vijanden moeten liefhebben te verenigen met de keuze voor een partij die mensen vanwege hun geloof wil discrimineren, in de hoop dat ze hun biezen pakken?

Maar de kerk moet de spade nog wat dieper in de grond steken. Waarom nemen gelovigen hun toevlucht tot de PVV? Die speelt vooral in op de angst voor een machtsgreep van de islam. Met de vraag of die angst reëel is moet de kerk zich niet bezighouden. Dat is iets voor het maatschappelijke en politieke debat. De vraag die de kerk moet stellen is: hoe is de angst voor islamisering te verenigen met de belijdenis van Gods voorzienigheid? En stel nu eens dat er inderdaad een tijd aanbreekt dat christenen in hun vrijheid beperkt worden door moslims – of door wie dan ook. Drs. C.J. Haak, docent missiologie aan de TU te Kampen, zei kortgeleden: als de kerk wordt platgebrand, wat dan nog? Dan bouwen we toch een nieuwe? Dat klinkt wat erg simpel, maar hij treft daarmee wel de kern van de zaak: zijn we als christenen bereid te lijden? Of verdedigen we onze comfortabele maatschappelijke positie vooral om dat gevaar uit te bannen? Zo ja, wat zegt dat dan over ons geloof? Is ons dat nog wat waard?

Ook voor de kerk is er werk aan de winkel.