Archief

Archive for the ‘politiek’ Category

Privacy en pastoraat

Het is zomervakantie, dus tijd voor een wat minder zwaar onderwerp. Dat wil niet per definitie zeggen dat hier geen principes in geding zijn. Dat zal nog wel blijken.

De Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG), die 25 mei j.l. van kracht geworden is, heeft al heel wat pennen en tongen in beweging gebracht, in de samenleving en ook in kerkelijke kring. De in Europees verband vastgestelde regeling is dermate uitgebreid en gedetailleerd dat vrijwel niemand weet waar hij aan toe is. Dat leidt vrijwel onvermijdelijk tot paniekreacties en angstzaaierij. En uiteraard zijn er organisaties die de geldbuidel al horen rinkelen: ze kunnen een goede boterham verdienen met het geven van voorlichting aan organisaties die met persoonsgegevens werken. En welke doet dat nu niet?

Een voorbeeld van een paniekreactie is het besluit van scholen geen lijsten met namen van voor hun examen geslaagden te publiceren. Dat tot leedwezen van al die ouders die graag de naam van hun zoon of dochter in een rij van geslaagden hadden zien staan. Er is ook angstzaaierij, bijvoorbeeld toen in kerkelijke kring gesuggereerd werd dat kerkdiensten fundamenteel van karakter zouden veranderen, wanneer personen niet meer genoemd mogen worden. Mag je de gemeente in een kerkdienst eigenlijk nog wel op een bepaalde tekortkoming aanspreken, wanneer die dienst door heel Nederland (en daarbuiten) via internet te volgen is? Gelukkig hebben sommigen hun gevoel voor humor niet verloren. Een predikant twitterde: Ik was van plan komende zondag voor Willem-Alexander te bidden, maar mag dat wel zonder zijn toestemming?

Wat zullen we van de AVG gaan merken en wat zullen de gevolgen voor kerken zijn? De onzekerheid zal voorlopig nog wel even voortduren, allerlei duurbetaalde voorlichtingsbijeenkomsten ten spijt. Laat ik er om te beginnen maar eens een paar cliché’s tegenaan gooien.

Allereerst: de wal zal het schip wel keren. Men zal al snel merken dat de werkelijkheid dusdanig ingewikkeld is dat de AVG voor een deel haar doel voorbij zal schieten of allerlei ongewenste effecten zal hebben. De regeling is aan de tekentafel ontworpen en onvoldoende aan de praktijk getoetst. In een aantal gevallen is de centrale registratie van persoonsgegevens onvermijdelijk. Denk hier aan het onderwijs, de maatschappelijke hulpverlening of de gezondheidszorg. Men zal er wel achter komen dat het te tijdrovend en te arbeidsintensief is om iedere betrokkene van te voren expliciet om toestemming voor zulke registratie te vragen. Het zal me dus niet verbazen, wanneer na verloop van tijd de regeling weer op de schop gaat.

Vervolgens: de soep wordt niet zo heet gegeten als die wordt opgediend. Theoretisch mag er nu ineens van alles niet, maar de vraag is of dat te controleren valt en wie dat dan gaat doen. Kort geleden oordeelde het Europese Hof van Justitie dat de Jehova’s Getuigen geen gegevens van hun huis-aan-huisbezoeken mogen bijhouden. Dat is in hoge mate een theoretische uitspraak. Want wat iemand die langs de huizen gaat in zijn persoonlijke notitieboekje vastlegt, is voor niemand te controleren. Dat hij zijn gegevens aan een collega doorgeeft, evenmin. En trouwens: de bezochten die hebben laten weten van verder contact niet gediend te zijn, zullen ook niet blij zijn, wanneer een volgende Getuige nietsvermoedend bij hem aan de deur komt, omdat zijn collega de gemaakte afspraak niet heeft doorgegeven. Ook voor kerkdiensten die via internet te volgen zijn, lijken de gevolgen beperkt. Er gaat heus niet elke zondag een aantal ambtenaren alle kerkdiensten volgen om te kijken of er wellicht persoonlijke informatie wordt gedeeld en vervolgens te gaan controleren of de betrokkene daarvoor van tevoren wel toestemming heeft gegeven. Ik zou bijna zeggen: deden ze dat maar, daar zouden ze in veel gevallen wellicht niet slechter van worden. In de praktijk zal het er waarschijnlijk op neerkomen dat mensen achteraf kunnen klagen bij de Autoriteit Persoonsgegevens. In zo’n geval heeft de kerkenraad dan natuurlijk wel een goed verhaal nodig.

Maar afgezien daarvan, hoe moet de kerk met deze AVG omgaan en wat zouden de consequenties kunnen zijn?

Vooropgesteld: de aandacht voor privacy is een goede zaak. Er zijn steeds meer tekenen dat bedrijven gemakkelijk toegang hebben tot persoonsgegevens of die zonder al te veel problemen tegen betaling kunnen verkrijgen. De recente ophef rond Facebook is maar één van de vele voorbeelden. Je kunt weliswaar bij het gebruik van internet je sporen uitwissen, maar daar moet je wel veel moeite voor doen. En veel diensten – bijvoorbeeld van Google – zijn zo zeer met elkaar verknoopt dat de één niet optimaal functioneert zonder de ander. Voeg daar nog aan toe dat er altijd kwaadwilligen zijn die moedwillig persoonsgegevens verspreiden om bepaalde mensen te kwetsen of hen in een kwaad daglicht te stellen en het zal duidelijk zijn dat de aandacht voor privacy bepaald niet overdreven is.

De christelijke kerk moet zich daarom niet met een schouderophalen van de AVG af maken of er tegen ageren, alsof het allemaal overdreven of schadelijk zou zijn. Juist in de kerk behoren mensen zich veilig te voelen. Mijns inziens ligt de bescherming van persoonsgegevens in het verlengde van het negende gebod. Het heeft alles te maken met de bescherming en bevordering van de goede naam van mensen. Wanneer de AVG kerken ertoe aanzet bij zichzelf te rade te gaan of men wel voldoende zorgvuldig met de gegevens van haar leden omgaat, lijkt me dat zonder meer winst. Het is bijvoorbeeld geen overbodige luxe wanneer een kerkenraad zich bezint of in kerkdiensten in de afkondigingen of in de voorbeden wel in detail moet worden ingegaan op de aard van de ziekte van een gemeentelid of over zoiets als echtscheiding. Wellicht zijn er alternatieven te bedenken waardoor men de privacy van mensen kan beschermen zonder dat voorbede daardoor van haar kracht wordt beroofd.

Kerkenraden moeten zich ook bezinnen op hun eigen werkwijze en functioneren. Weliswaar zijn ambtsdragers verplicht tot geheimhouding en in veel gevallen zullen ze dat met een handtekening bekrachtigen, maar daarmee is niet elk probleem opgelost. Want hoeveel informatie over de leden van zijn wijk kan of mag de wijkouderling met zijn collega’s delen? Bij gevallen waarin wellicht van tuchtoefening sprake moet zijn, is een zekere mate van informatieoverdracht onvermijdelijk. En het valt niet in te zien, hoe de ambtelijke zorg van de kerkenraad kan functioneren, wanneer een ouderling bij zijn aftreden de gegevens over de leden van zijn wijk niet mag overdragen aan zijn opvolger.

Het zijn voorbeelden van zaken waarbij wel iets, maar lang niet alles kan worden vastgelegd. En als iets door middel van een schriftelijke regeling wordt vastgelegd, is het lang niet altijd te controleren of de afspraken wel worden nagekomen. Wanneer een ambtsdrager belooft na zijn aftreden zijn aantekeningen over de leden van zijn wijk te vernietigen, wie controleert dat dit ook daadwerkelijk gebeurt? Veel van wat wenselijk is, hangt af van de goede wil van betrokkenen. Het spreekwoord zegt: Vertrouwen is goed, controle is beter. Dat is een waarheid als een koe, maar wanneer controle onmogelijk is, blijft alleen vertrouwen over. Dat is een kenmerk van de kerk. Dat ze daarmee ook kwetsbaar is, lijkt me evident. De kerk kan niet anders dan dat accepteren.

En daarmee kom ik dan op de vraag in hoeverre de kerk zich mag of moet conformeren aan een regeling als de AVG. Zoals ik al schreef, de motivatie van die regeling is achtenswaardig en de kerk kan die zonder meer steunen. Dat moet ze ook duidelijk uitspreken en voor zover mogelijk door haar handelen uitstralen. Maar daarmee is niet gezegd dat ze zich willoos en kritiekloos aan deze regeling moet onderwerpen.

Kan de kerk nog wel voorbede doen voor zieken of voor degenen die met bepaalde problemen geconfronteerd worden, op het gebied van werk en inkomen, of op het vlak van relaties? Moet de voorganger in zijn gebed spreken over “iemand die” of “een gemeentelid dat”, zonder een concrete naam? Moeten de afkondigingen zich beperken tot algemene zaken, zonder concrete namen van gemeenteleden te noemen? En kan de voorganger in zijn preek nog bepaalde kwesties in de gemeente aan de orde stellen? Die vragen zijn vooral urgent vanwege het feit dat tegenwoordig vrijwel alle kerkdiensten op één of andere manier op afstand te volgen zijn via internet of kerktelefoon.

Om met het laatstgenoemde te beginnen: ik zie niet in waarom bepaalde concrete zaken niet in de preek aangesneden zouden kunnen worden. Het gaat in de AVG om de privacy van individuele personen, niet van groepen. Dus de voorganger mag gewoon de mannen, de vrouwen of de jongeren in de gemeente aanspreken en hen, wanneer hij dat nodig vindt, vermanen. Zijn opmerkingen zijn voor toevallige toehoorders immers niet te herleiden tot concrete personen. Het probleem ligt dan ook veel meer op het vlak van de afkondigingen en de voorbeden. Dat zijn dus twee vormen van pastorale zorg, één van de kenmerken van de kerk.

De afkondigingen – eventueel ook in de vorm van een inleiding op de voorbeden – zijn een middel om de gemeente snel op de hoogte te stellen van het wel en wee binnen de gemeente. Onderling meeleven en het daarmee verbonden dienstbetoon zijn een kenmerk van de christelijke gemeente, zoals uit de pastorale brieven in het Nieuwe Testament zonneklaar blijkt. Op dat punt mag de kerk dus geen compromis sluiten. Er mag best nagedacht worden over minder kwetsbare manieren om de gemeente te informeren, maar de mogelijkheden daartoe zijn wellicht beperkt. De voorbeden zijn de manier waarop de gemeente het onderling meeleven op de meest markante manier vorm geeft: ze brengt de nood bij God. De manier waarop de voorbeden gestalte krijgen, mag best aan een kritisch onderzoek worden onderworpen. Voorbeden zijn geen nieuwsbrief en enige wijze terughoudendheid is wel gewenst. Tenslotte weet de Geadresseerde precies waarover het gaat en wat de situatie is – beter dan wie ook. Maar de voorbede is het gebed van de gemeente en die gemeente kan alleen meebidden wanneer ze voldoende geïnformeerd is.

Zoals ik al opmerkte, het is vooral de toegankelijkheid van kerkdiensten voor ‘buitenstaanders’ die tot onzekerheid en bezinning leiden. Live streaming via internet is de meest prominente vorm van toegankelijkheid. Er wordt gesuggereerd bij de afkondigingen en de voorbede de microfoon uit te schakelen, zodat alleen de gemeente die kan horen, maar niet degenen die op afstand meeluisteren. Daarmee wordt het probleem echter niet fundamenteel opgelost. Want wanneer een dienst niet via internet te volgen is, betekent dat nog niet dat alleen de eigen gemeente hoort wat wordt meegedeeld. Zeker in deze tijd van mobiliteit is het heel waarschijnlijk dat in kerkdiensten regelmatig niet-leden aanwezig zijn, bijvoorbeeld familie van gemeenteleden of vakantiegangers. En kerken willen juist graag dat ‘buitenstaanders’ de diensten bezoeken, in het kader van evangelisatie. Men kan de aanwezige niet-leden moeilijk verzoeken vóór de afkondigingen of de voorbede de zaal te verlaten. Evenmin is het denkbaar hun te vragen vooraf schriftelijk te beloven niets van wat ze gehoord hebben, door te vertellen. Dat soort dingen passen niet bij de aard van de kerk en haar zondagse bijeenkomsten.

Nu zou men, met aanvaarding van deze beperkingen, kunnen overwegen in elk geval de toegankelijkheid van de diensten via internet te beperken tot de eigen leden, bijvoorbeeld via een inlogcode. Dat lijkt me een ongewenste maatregel, niet zozeer om praktische, maar vooral om principiële redenen. Ik wees al op het streven van kerken ‘buitenstaanders’ aan te trekken. Het is heel goed denkbaar dat de nieuwsgierigheid gewekt wordt doordat iemand via internet een dienst kan volgen. Zo’n contact biedt anonimiteit en veiligheid, wat voor mensen met een grote afstand tot geloof en kerk van grote waarde kan zijn.

Maar nog belangrijker is dat openheid en toegankelijkheid van de diensten voor de kerk principieel onopgeefbaar zijn. Nu kan men stellen dat kerkdiensten in de eerste plaats bedoeld zijn voor de leden van de gemeente. Dat lijkt me juist; dat zou consequenties kunnen hebben voor de manier waarop aan de diensten vorm gegeven wordt, maar dat is een ander verhaal. Hier is van belang dat de kerk, ook als ze de diensten vooral richt op de eigen leden, volstrekte openheid betracht over de boodschap die ze uitdraagt en elke vorm van geheimzinnigheid vermijdt. De kerk is tenslotte geen geheim genootschap. De apostelen gaan in hun brieven aan de diverse gemeenten uit van de openbaarheid van hun bijeenkomsten. Die openbaarheid sluit de voorbeden in. Want is de pastorale zorg niet juist één van de typische eigenschappen van de christelijke kerk? Laat ze juist daarin niet zien Jezus te willen volgen? Is dat niet een welsprekende onderstreping van de belijdenis dat de kerk een gemeenschap van heiligen is?

Wat de precieze gevolgen van de AVG voor de kerk zijn is nog grotendeels onduidelijk. Maar de kerk moet er geen misverstand over laten bestaan dat waar privacy en pastoraat botsen, het laatste het zwaarst zal moeten wegen. Menselijke regelingen, hoe goed bedoeld ook, zijn ondergeschikt aan wat zij, op grond van de Schrift, tot haar kerntaken moet rekenen.

Advertenties

In Jezus’ naam

Je hoort het tegenwoordig nogal eens zeggen: “in Jezus’ naam”. Dat gebeurt ook in gereformeerde kerkdiensten, aan het eind van een gebed. Dat is wel enigszins opmerkelijk, want gereformeerden zijn traditioneel nogal terughoudend met de naam Jezus en zeker met het zo direct verbinden van die naam aan hun gebed. Dat je het tegenwoordig regelmatig hoort, zou wel eens toe te schrijven kunnen zijn aan de toegenomen invloed van de evangelische beweging. Daar heeft men wat minder scrupules om iets te bidden “in de naam van Jezus”. Dat heeft zelfs wel eens iets dwingends, bijvoorbeeld bij genezingsdiensten, waarin iemand “in Jezus’ naam” als het ware gezond gebeden wordt.

De concrete aanleiding om hier iets over te schrijven is de recente discussie over het regeerakkoord. Nogal wat leden en sympathisanten van de ChristenUnie stak het als een graat in de keel dat het de CU-onderhandelaars niet gelukt was een verruiming van het kinderpardon te realiseren. Sommigen verweten de ChristenUnie dat ze dit punt hadden uitgeruild tegen andere. Als partij die politiek bedrijft “in Jezus’ naam”, schreef iemand, zou ze de onderhandelingen hebben moeten afbreken. Want de regeling zoals die nu is, staat volgens hem haaks op politiek “in de naam van Jezus”.

Nu ben ik geen lid van de ChristenUnie en ik lees niet alles, wat er geschreven wordt en hoor niet alles wat er gezegd wordt. Ik kan dus niet beoordelen in hoeverre de ChristenUnie of haar vertegenwoordigers inderdaad zeggen of schrijven dat ze politiek bedrijven “in de naam van Jezus”. Als dat wel zo is, lijkt me dat wel reden voor enige kritische kanttekeningen. Want met het verwijzen naar Jezus moeten we wel oppassen, in de politiek, maar ook in ons – persoonlijke of gezamenlijke – gebed.

Want wat doen we eigenlijk als we bijvoorbeeld ons gebed besluiten met “in de naam van Jezus”? We maken onze zaak tot de zijne. Let wel – niet omgekeerd. Dat laatste is niet minder dan onze plicht: als christenen maken we zijn zaak tot de onze. Dat wil zeggen: we laten ons in onze gedachten, woorden en daden door hem leiden en door zijn wil, zoals we die in de bijbel leren kennen. Dat is ook de strekking van het Onze Vader: zijn naam, zijn wil, zijn koninkrijk staan in het middelpunt van onze verlangens. Dat gebed is gericht tot de Vader, maar de Vader en de Zoon zijn één en de Zoon identificeert zich met de wil van de Vader.

Maar als we ons gebed besluiten met de bede “in Jezus’ naam” doen we wat anders. We identificeren onze verlangens met die van hem. We gaan er zonder meer vanuit dat wat wij aan verlangens hebben uitgesproken, overeenkomt met zijn wil. Maar is dat ook zo?

Daar moeten we dus wel even goed over nadenken. We mogen aan God voorleggen wat we op ons hart hebben. Dat kan van alles zijn: een baan, genezing van ziekte, heling van breuken die tussen mensen geslagen zijn, vrede in de wereld, leniging van hongersnood – om maar een paar dingen te noemen. Maar: zijn dat allemaal dingen die Jezus ook wil? Dat hangt er maar vanaf. Natuurlijk mag je bidden om genezing, van jezelf of van iemand anders. Maar we kunnen er nooit zeker van zijn dat dat ook de wil van Jezus is. God kan met mensen een andere weg gaan dan ze zelf graag zouden willen. In veel gevallen weten we niet, wat Gods wil is.

De gereformeerde geloofsleer heeft altijd onderscheid gemaakt tussen de geopenbaarde wil van God en zijn verborgen wil. De eerste kennen we uit de bijbel, de tweede blijft naar zijn aard voor de mens verborgen. Dat moeten we in ons gebed ook respecteren. Het Onze Vader is een voorbeeld van een gebed dat we zouden kunnen besluiten met de frase “in Jezus’ naam”. Want daarin leren we de wil van God kennen.

Maar in geval van een ‘vrij gebed’ is het oppassen geblazen. We kunnen dan wel iets bidden “in Jezus’ naam”, maar dan moeten we ons wel steeds afvragen of wat wij willen wel strookt met zijn wil. Dan moeten we dus bij de Schrift te rade gaan. Daarin staat wel meer over Gods wil dan wat we in het Onze Vader vinden. Soms kunnen we ons beroepen op specifieke uitlatingen van bijvoorbeeld de apostelen in het Nieuwe Testament. En uit het Oude Testament hebben we de Tien Geboden, die, zoals we met de Heidelbergse Catechismus belijden, nog steeds ten volle van kracht zijn. Maar zodra we wat concreter willen worden en wat we uit de bijbel als wil van God hebben gedestilleerd, willen toepassen op concrete situaties in het hier en nu, wordt het lastiger. Want God gaat soms een andere weg dan wij logisch vinden. En wat in onze ogen helemaal verkeerd is, kan door God toch worden gebruikt voor zijn doel. Zoals het weleens gezegd wordt: God kan met een kromme stok een rechte slag slaan. We hoeven hier alleen maar aan het boek Rechters te denken.

Hetzelfde geldt, maar dan nog in sterkere mate, voor allerlei activiteiten op maatschappelijk en politiek gebied. Daarbij kunnen – en moeten – christenen zich laten leiden door de wil van God, zoals die uit de Schrift is te kennen. Maar als dat concreet gemaakt wordt, is meestal een vertaalslag nodig. En dat is een voluit menselijke activiteit, met alle nadelen van dien. Bovendien moeten we altijd in rekening brengen dat het Oude Testament – waar heel veel maatschappelijke voorschriften te vinden zijn – geen scheiding tussen ‘kerk’ en ‘staat’ kent. Het is dus niet altijd evident of een voorschrift betrekking heeft op de samenleving als geheel dan wel vooral – en misschien zelfs uitsluitend – iets zegt over de omgang tussen gelovigen, dus binnen wat wij nu ‘kerk’ noemen. Het kan nauwelijks toeval zijn dat we in het Nieuwe Testament vrijwel geen voorschriften vinden die op de samenleving als geheel betrekking hebben. De overheid behoort niet meer tot de ‘kerk’ en de gelovigen spelen in de samenleving een hooguit marginale rol. Ethiek is in het Nieuwe Testament dus vooral persoonlijke ethiek: hoe moet een gelovige omgaan met andere gelovigen, met niet-gelovigen of met diegenen die hen zelfs vervolgen?

Uit de bijbel – Oude èn Nieuwe Testament – leren we dat het kwaad bestraft moet worden: de overheid draagt het zwaard niet tevergeefs, schrijft Paulus. Maar dat levert geen pasklare antwoorden op ten aanzien van de vraag, wanneer wel en wanneer niet gestraft moet worden en hoe gestraft moet worden of hoe zwaar. Pleidooien voor het recht de doodstraf toe te passen worden vaak op de zojuist aangehaalde uitspraak van Paulus gebaseerd. Maar dat is een hachelijke zaak, want het zwaard is niet per definitie een wapen om te doden, maar kan ook als verdedigingswapen en als afschrikking worden gebruikt. In de Hof van Gethsemane slaat Petrus een soldaat het oor af met zijn zwaard, maar doodt hem niet. Over zaken als tbs, lengte van gevangenisstraffen en resocialisatie kun je op grond van de Schrift geen verregaande uitspraken doen. Mensen die zich door de Schrift willen laten leiden, kunnen daarover van mening verschillen.

Christelijke politici mogen “in Jezus’ naam” er voor pleiten en er naar streven dat alle kinderen met het syndroom van Down geboren mogen worden. Maar de vraag of de NIPT-test voor alle zwangere vrouwen beschikbaar zou moeten zijn, is daarmee nog niet beantwoord. Daarover zijn onder christenen verschillende meningen mogelijk. Het zou niet goed zijn elkaar dan met bijbelteksten de maat te nemen, want daarvoor kun je de bijbel niet gebruiken.

Ook in de kerk is voorzichtigheid geboden. Zeker voorgangers moeten zich realiseren dat ze enige terughoudendheid moeten betrachten in het gebed dat ze namens de gemeente uitspreken. De vraag of iedereen het met elke bede eens is, doet niet ter zake, zolang die bede vanuit de Schrift beargumenteerd kan worden. Wanneer een gemeentelid daarvan dan afstand neemt, ligt het probleem bij hem. Maar een voorganger mag het gebed niet misbruiken om zijn eigen opvattingen te ventileren. En hij mag die al helemaal niet verbinden met de naam van Jezus, daarmee suggererend dat die bede zijn wil weergeeft.

We hebben in de geschiedenis genoeg voorbeelden gezien van mensen die Gods naam aan hun eigen zaakjes verbonden, die helemaal niet zo fris waren, om het voorzichtig uit te drukken. Ik hoef hier alleen maar te herinneren aan de kruistochten. In het derde gebod wordt ons het misbruik van Gods naam verboden. Dat betreft niet alleen het vloeken of onnadenkend gebruiken van zijn naam, maar ook het verbinden van zijn naam aan zaken die uit menselijke overwegingen voortkomen en niet stroken met de geopenbaarde wil van God.

Het is daarom zaak de formule “in Jezus’ naam” niet lichtvaardig in de mond te nemen. Dat geldt zeker voor activiteiten in de samenleving. Dat was de concrete aanleiding voor dit stuk. Er is geen reden afstand te doen van het begrip ‘christelijke politiek’, zoals sommigen bepleiten, maar dat moet wel met voorzichtigheid en verstand gehanteerd worden. Het zet ertoe aan zorgvuldig te zijn bij de formulering van politieke doelen vanuit een expliciet christelijke visie. Het brengt uiteraard ook grote verantwoordelijkheid mee voor degenen die zich voor christelijke politiek inzetten. En de formulering “in Jezus’ naam” kan maar beter achterwege gelaten worden. Die is te pretentieus en te kwetsbaar. Want christelijke politiek is en blijft mensenwerk.

Feestdagen onder vuur?

De christelijke feestdagen liggen onder vuur. Tenminste, als je kranten als De Telegraaf en het AD moet geloven, die graag de spreekbuis willen zijn van iedereen die zich zorgen maakt over de Nederlandse identiteit. In de aanloop naar Kerst was het eerstgenoemde, die suggereerde dat op allerlei niveaus verwijzingen naar Kerst moesten plaatsmaken voor algemene aanduidingen voor de tijd van het jaar, zoals feestmaand (en, naar analogie daarvan, feeststol). In de week voor Pasen kwam het AD met een artikel waarin beweerd werd dat op christelijke scholen het Paasverhaal werd aangepast of zelfs verzwegen om islamitische leerlingen en hun ouders niet te mishagen. In beide gevallen waren het vooral VVD en PVV die daaruit politieke munt probeerden te slaan.

Zowel ten aanzien van Kerst als van Pasen werd al snel duidelijk dat de alarmistische verhalen grotelijks overdreven waren of ten dele uit de duim gezogen. Zelfs hoofdredacteur Nijenhuis van het AD leek zich van de berichtgeving in zijn eigen krant te distantiëren door in een commentaar de onrust “geroeptoeter over een vermeende aanval op Pasen” te noemen. Het is ook eigenaardig dat seculiere media zich zo druk maken om de vraag of en zo ja, op welke manier scholen aandacht besteden aan Pasen. Let wel, het gaat hier om christelijke scholen, dus om bijzonder onderwijs, waarvoor media als De Telegraaf en AD zich nooit bijzonder sterk hebben gemaakt. Dat Tweede-Kamerleden van de VVD over het Paasverhaal van het AD schriftelijke vragen meenden te moeten stellen, geeft ook te denken. Zij zouden toch moeten weten dat de overheid en de politiek in het algemeen geen zeggenschap hebben over het al dan niet vieren van religieuze feesten op bijzondere scholen. Het gaat hier om intern beleid; alleen ouders van leerlingen hebben het recht te klagen.

Merkwaardig is ook dat mensen zich sterk lijken te maken voor een feest waarvan ze zelf meestal afstand nemen. Dat blijkt al daaruit dat ze als symbolen van de christelijke feesten uitgerekend die dingen noemen, die met de betekenis van die feesten niets van doen hebben, zoals in het geval van Pasen de paashaas en paaseieren. Terecht reageerde iemand op Twitter: “Bij secularisatie gaat in NL de vlag uit. Behalve als je er de mohammedaan mee om z’n kop kan slaan. Hypocriet.” Ook Anton de Wit, hoofdredacteur van het Katholiek Nieuwsblad, reageerde to the point in zijn column in het Nederlands Dagblad van 15 april j.l.: “[De] verwatering van het paasfeest is al decennia gaande. Enthousiast aangemoedigd door het bedrijfsleven dat zulke tierelantijnen beter vermarkten kon dan een kruis en een leeg graf, en de ontkerkelijkte goegemeente die stellig meende dat het maar eens gedaan moest zijn met die verderfelijke christelijke invloed op onze samenleving. Maar nu hijst diezelfde goegemeente zich collectief in het driedelige maatkostuum van de heilige verontwaardiging, en gaat parmantig rondrijden op een fiets die ouder is dan zij zelf zijn, kort door alle bochten, op de racefiets van de christelijke waarden. (…) Als christenen hun geloofstaal afzwakken om autochtone seculieren te behagen, kraait er geen haan naar. Als ze hetzelfde doen om allochtone moslims te behagen, is het land (en vooral ook Twitter) te klein.”

Ook door christelijke politici werd kritisch gereageerd op de bezorgdheid van hun seculiere collega’s. Kees van der Staaij, fractievoorzitter van de SGP in de Tweede Kamer, twitterde: “Uit betrouwbare bron vernomen dat maar weinig PVV- en VVD-kamerleden van plan zijn met Pasen naar de kerk te gaan. Ik overweeg kamervragen..” De ironie van deze tweet ontging de meesten die hierop reageerden. Kennelijk associeert men zoveel frivoliteit niet met een SGP-politicus. Zijn ChristenUnie-collega Gert Jan Segers reageerde iets serieuzer: “Als iedereen die dit erg vindt voortaan wekelijks naar de kerk gaat, dan zal Pasen echt gewoon Pasen blijven. It’s up to us, mensen..” Hieraan kan nog worden toegevoegd dat al gauw bleek dat nogal wat lieden die zich zo boos maken over de teloorgang van de christelijke feesten, zelf nauwelijks weten waarover die precies gaan. Hier wreekt zich dat die feesten niet meer exclusief christelijk zijn, maar tot nationale feestdagen zijn geworden – of verworden, wat in deze context een betere term lijkt. Ik heb daarover hier al eens uitvoeriger geschreven.

Diverse media controleerden de beweringen in het AD. De conclusie: er was geen reden aan te nemen dat christelijke scholen het paasverhaal helemaal verzwegen. Wel pasten sommigen het verhaal enigszins aan de leerlingenpopulatie aan of probeerden een link te leggen naar de islam, want in de regel gaat het om scholen met een substantieel aantal moslimleerlingen. Daarbij noteerde de Volkskrant (12.4.17) wel enkele uitlatingen die te denken geven. “Het is niet meer zoals vroeger, waarbij kinderen gesloten werden opgevoed tot christenen”, zegt Kees Terdu, voorzitter van de stichting Protestants-Christelijk Basis- en Orthopedagogisch Onderwijs (PCBO) in Rotterdam-Zuid. “Wat wij doen, is vanuit christelijke waarden een betere samenleving proberen vorm te geven. Juist Pasen is een feest dat een brug kan slaan naar iedereen in de samenleving.” Op traditionele christelijke scholen zal meer nadruk liggen op het eigen geloof, zegt Terdu, “maar de betekenis van de christelijke feesten is universeel”. Aan de hand van het thema ‘opstaan’ behandelen zijn scholen dit jaar Pasen. “We praten over opstaan uit de dood, maar ook opstaan tegen onderdrukking en onrecht”, zegt de stichtingvoorzitter. “Kinderen met een islamitische achtergrond herkenning zich hier net zo goed in als christelijke kinderen.” Hiermee wordt Pasen wel van zijn unieke betekenis ontdaan. Maar laten we vooral niet denken dat dit specifiek gerelateerd is aan de aanwezigheid van moslimkinderen. In feite is dit niet veel anders dan de manier waarop niet-gelovigen naar de Matthäus-Passion van Bach luisteren. Vertolkers die zelf ook niet gelovig zijn geven er niet zelden een zodanige draai aan dat het lijkt alsof dit werk iets anders – iets minder specifiek christelijks – tot uitdrukking brengt dan Bach voor ogen stond. Maar daar valt niemand over.

Mag uit het bovenstaande geconcludeerd worden dat er wel reden is tot zorg? Ik zou eerder zeggen: reden voor bezinning. Maar dan wel in een heel andere zin en in een andere richting dan door seculiere politici en media wordt bepleit. De vraag is niet of het christelijk onderwijs ‘nationale waarden’ uitdraagt, maar: hoe christelijk is het christelijk onderwijs nog?

Dat heeft in eerste instantie niets met de islam te maken. Uit de berichten wordt niet duidelijk of de ouders van moslimkinderen bezwaar maken tegen het vertellen van het paasverhaal. Wanneer ze daartegen bezwaar zouden maken, zou de eerste vraag moeten zijn: waarom stuurt u uw kind naar een christelijke school? Hadden ze niet verwacht dat die school zijn christelijk karakter serieus zou nemen? Misschien hebben ze dan niet goed opgelet bij hun oriëntatie op het karakter van de school, maar het is ook mogelijk dat de school zelf daarover niet voldoende duidelijk is geweest. Dat moet die school zich dan aantrekken.

Wanneer de school uit eigen beweging het paasverhaal verzwijgt of substantieel wijzigt zodat het christelijk karakter grotendeels verloren gaat, dringt de vraag zich op of die school nog wel gemotiveerd is om echt christelijke school te zijn. Wanneer de school en/of zijn leerkrachten zelf geen waarde aan het christelijk geloof hechten, kun je van leerlingen en hun ouders niet verwachten dat zij dat wel doen. Wanneer van het christelijk karakter van de school nooit iets blijkt, is het niet vreemd, wanneer geprotesteerd wordt, als ineens het paasverhaal wordt verteld. Dat is dan een vlag op een modderschuit.

Dat er gerede twijfel kan bestaan aan het christelijk karakter van sommige scholen vindt zijn oorsprong niet in de eerste plaats in de aanpassing van het paasverhaal. De oorzaak ligt bij het gebrek aan overtuiging van de school en de leerkrachten. Dat is het logische gevolg van een beleid waarin van leerkrachten niet verlangd wordt dat ze zelf gelovige christenen zijn en dat ze de kerk vaker van binnen zien dan alleen één keer per jaar met Kerken Kijken. Als leerkrachten zelf niet in de lichamelijke opstanding van Jezus geloven, kunnen ze de paasviering beter achterwege laten. Maar dat is niet de kern van de zaak. Het christelijk karakter van een school komt niet in de eerste plaats tot uiting in de aandacht voor christelijke feesten, een paar keer per jaar. Het moet het totale onderwijs en het klimaat op school doortrekken.

Wie zich zorgen maakt om het verval van de christelijke feesten, moet niet met de beschuldigende vinger naar moslims wijzen, maar aan zelfonderzoek doen. De grootste bedreiging van de christelijke feesten is niet een groeiende invloed van de islam, maar de interne secularisatie van het christendom. Het slechtste wat christenen in deze situatie kunnen doen is gemene zaak maken met politici van PVV en VVD, die de christelijke feesten – maar dan in geseculariseerde vorm – misbruiken voor hun nationalistische agenda. Met zulke ‘vrienden’ hebben christenen geen vijanden meer nodig.

Niets anders dan recht doen

In de aanloop naar de verkiezingen voor de Tweede Kamer worden de verkiezingsprogramma’s nagevlooid. Ze worden vanuit allerlei verschillende invalshoeken bekeken, bijvoorbeeld de economie, het beleid ten aanzien van de pensioenen of de opvattingen over de zorg. Daar komen interessante lijstjes uit. Kortgeleden werd ook een onderzoek gepubliceerd vanuit de vraag hoe de verschillende partijen met de rechtsstaat omgaan. Worden er voorstellen gedaan die een inbreuk maken op de rechtsstaat of staan in de verkiezingsprogramma’s plannen om die rechtsstaat te versterken? Het beeld was niet verheffend. Vrijwel alle partijen doen voorstellen die de rechtsstaat in meerdere of mindere mate verzwakken. Eén partij sprong er positief uit. De Christenunie doet geen enkel voorstel dat de rechtsstaat aantast, maar komt daarentegen met verschillende voorstellen die deze juist sterker maken.

De Christenunie is trots op deze uitkomst en met recht. Het gaat hier bepaald niet om een bijzaak, al zullen veel christelijke kiezers andere onderwerpen belangrijker vinden. Mijns inziens is er alle reden de bescherming van de rechtsstaat als een kerntaak van christelijke politiek te beschouwen.

Wat is precies een rechtsstaat? Op de site van Prodemos vinden we deze definitie: “Een rechtsstaat is een staat waarin vrijheid, rechtszekerheid en rechtsgelijkheid voor de burger heel belangrijk zijn. Bovendien geniet de burger bescherming van zijn rechten en vrijheden, tegen medeburgers én tegen de overheid.” Verschillende elementen zijn essentieel voor de rechtsstaat. Het eerste is dat het recht het hoogste gezag heeft. “In het woordenboek wordt de rechtsstaat omschreven als een ‘staat die het recht als hoogste gezag handhaaft’. De rechter bepaalt of iemand zich aan de wet heeft gehouden of niet. Als iemand de wet heeft overtreden, dan kan de rechter een straf en/of een verbod opleggen.” Vervolgens gaat het om vrijheden en grondrechten: “In een rechtsstaat wordt de macht van de overheid beperkt door wetten, regels en gewoonten. De inwoners van die staat hebben fundamentele vrijheden en grondrechten.” De burger wordt beschermd tegen machtsmisbruik: “Het doel van de rechtsstaat is om de burgers te beschermen tegen machtsmisbruik van de overheid. Ook de overheid moet zich aan de wet houden en mag dus de vrijheden en rechten van de burgers niet zomaar beperken of afpakken.”

Vervolgens worden de vier belangrijkste onderdelen van de rechtsstaat opgesomd: grondrechten, scheiding van de machten, legaliteitsbeginsel en onafhankelijke rechtspraak. Die worden vervolgens nader uitgewerkt. Wie daarover meer wil weten, kan op de desbetreffende site terecht. Mij gaat het hier nu om de vraag waarom de verdediging van de rechtsstaat voor een christelijke politieke partij een kernpunt zou moeten zijn.

Je kunt dit beargumenteren vanuit eigenbelang. Veel christenen zullen er op die manier tegenaan kijken. Juist minderheden hebben veel profijt van de rechtsstaat, omdat die hun rechten en vrijheden garandeert die het gevaar lopen aangetast te worden wanneer een anders-godsdienstige of seculiere meerderheid die maar lastig of onzinnig vindt. Het wordt al wat anders wanneer hun er op gewezen wordt dat diezelfde vrijheden dan ook aan andere (godsdienstige) minderheden toekomen. Daarvoor krijgt een christelijk politicus wat minder handen op elkaar. Toch is dit een direct uitvloeisel van wat Jezus zijn leerlingen voorhoudt: behandel anderen zo als je zelf behandeld wilt worden. Dat is dus positief geformuleerd en niet vanuit zelfbehoud, in de zin van: wat u niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook anderen niet.

Maar christelijke politiek gaat niet over belangen van een bepaalde groep burgers. Een christelijke partij is geen belangenpartij of zou dat in elk geval niet moeten zijn. Christelijke politiek streeft naar het goede voor alle mensen. Dat is in overeenstemming met de boodschap die de profeet Jeremia aan het Joodse volk in Babylonische ballingschap voorhield. Wie zich realiseert dat christenen zich in een vergelijkbare situatie bevinden – zij het in overdrachtelijke zin – kan hieraan de motivatie ontlenen om een beleid te ontwikkelen met het oog op de hele samenleving. Niet voor niets noemde het voormalige GPV – één van de partijen die opging in de Christenunie – haar politiek ‘nationaal gereformeerd’. Dat had niets met nationalisme te maken, maar daarmee wilde die partij duidelijk maken dat ze het belang van de gehele bevolking op het oog had.

De bescherming en verdediging van de rechtsstaat moet daarom uitgaan boven het eigenbelang. Er zijn goede principiële argumenten aan te voeren voor de stelling dat dit een centraal element van christelijke politiek moet zijn. Rechtvaardigheid, gerechtigheid, recht doen – die begrippen vormen een rode draad door het Oude Testament. Vooral in het optreden van de profeten komt dit herhaaldelijk naar voren. Eén van de bekendste teksten is Micha 6,8: “Er is jou, mens, gezegd wat goed is, je weet wat de HEER van je wil: niets anders dan recht te doen, trouw te betrachten en nederig de weg te gaan van je God”. Deze tekst wordt vaak gebruikt om te pleiten voor een rechtvaardiger verdeling van de welvaart in de wereld. De zogenaamde Micha-campagne heeft om die reden zijn naam met deze profeet gesierd. Maar het belang van deze tekst reikt verder. Je zou deze tekst als een oudtestamentische samenvatting van de Tien Geboden kunnen beschouwen.

Als we het over rechtvaardigheid hebben gaat het niet maar alleen om economische en sociale rechtvaardigheid. Micha spreekt over “recht doen”: dat heeft alles met de inrichting van de staat en de samenleving te maken. Recht doen betekent ervoor zorgen dat iedere burger letterlijk tot zijn recht kan komen, dat wil ook zeggen: zijn recht kan halen. In de zogenaamde mozaïsche wetgeving – de wetten en regels die Mozes namens God voorhoudt als kenmerken van het goede leven – vinden we allerlei concrete aanwijzingen hoe elk mens recht gedaan moet worden. Mozes vermaant het volk in de rechtspraak de rijke niet naar de ogen te zien en de arme niet voor te trekken. Dat kan worden vertaald naar één van de principes van de rechtsstaat: iedere burger is gelijk voor de wet. Dat raakt in de eerste plaats de manier waarop recht gesproken wordt, maar ook de toegang tot het recht. Heel concreet betekent dit dat geen financiële belemmeringen mogen worden opgeworpen die tot gevolg hebben dat wie over onvoldoende financiële middelen beschikt, niet dezelfde juridische mogelijkheden heeft als wie wat beter in de slappe was zit.

Er zit nog een kant aan. Rechten en vrijheden gelden in gelijke mate voor alle burgers. Grondrechten, zoals de vrijheid van godsdienst – inclusief de vrijheid daaraan publiek uiting te geven – en de vrijheid van onderwijs zijn niet tot bepaalde groepen in de samenleving beperkt. Wie deze vrijheden voor christenen verdedigt kan niet tegelijkertijd ervoor pleiten die aan andere minderheden, zoals moslims, te onthouden. Vanuit dit principe is er ook geen reden van immigranten die de Nederlandse nationaliteit willen ontvangen, te verlangen een participatieverklaring te ondertekenen terwijl geboren Nederlanders daarvan gevrijwaard blijven.

De zojuist genoemde aspecten betreffen vooral de grondrechten. Wie de politieke en maatschappelijke discussies van de laatste jaren heeft gevolgd, zal weten dat deze nogal onder druk staan. Maar ook een ander substantieel element van de rechtsstaat wordt bedreigd: de onafhankelijke rechtspraak. Politici reageren op hun politiek onwelgevallige rechterlijke uitspraken door de onafhankelijkheid van de rechters ter discussie te stellen. Daarmee wordt maar niet de positie van specifieke rechters ondergraven, maar het fundament van de rechtsstaat. Juist in een sterk verdeelde samenleving zou de onafhankelijke rechtspraak een bindmiddel moeten zijn. Wanneer (belangen)conflicten ontstaan, kan een beroep op de rechter gedaan worden om recht te spreken volgens de normen die de wet daarvoor aanreikt. Doordat wetten door een democratisch gekozen parlement zijn vastgesteld, bezitten ze legitimiteit. Natuurlijk valt niet uit te sluiten dat rechterlijke uitspraken door de politieke opvattingen van rechters gekleurd worden. Maar onze rechtsstaat kent allerlei mogelijkheden van beroep, waardoor eventuele eenzijdigheden kunnen worden gecorrigeerd. Het is dus van groot belang dat de mogelijkheden tot een beroep op hogere rechters niet wordt beperkt. Van even groot belang is dat de burger die zich tekort gedaan voelt, een beroep op bovennationale organen kan doen, die toetsen of wetten de rechten van individuele burgers of groepen van burgers niet aantasten. Dat is een belangrijke verdedigingslinie tegen de aantasting van bijvoorbeeld de godsdienstvrijheid.

Ieder mens is een schepsel van God. Daarin ligt de uiteindelijke motivatie om aan hem of haar recht te doen. Recht is meer dan politiek; het is ook ethiek. In het recht doen aan alle mensen komt tot uiting of we nederig de weg van onze God willen gaan.

De secularisatie van de Amerikaanse evangelicalen

Wat maar weinig mensen verwacht hadden is dan toch gebeurd: Donald Trump is gekozen tot 45e president van de Verenigde Staten. Het was tegen alle verwachtingen in, die vooral gebaseerd waren op opiniepeilingen, maar ook op de aanname dat een kandidaat die in zoveel opzichten afwijkt van de mainstream toch nauwelijks realistische kansen zou hebben om de presidentsverkiezingen te winnen. Goed, hij had – ook tegen de verwachtingen in – de nominatie van de Republikeinse partij binnengesleept. Maar van die partij zijn we de laatste jaren wel wat gewend, als het om extremisme gaat. De kandidaten tegen wie Trump het in de voorverkiezingen moest opnemen, waren in veel opzichten weinig beter dan hij. Maar, zo was de gedachte, de Amerikaanse kiezers zullen toch wel wijzer zijn, zeker nadat de ene na de andere onthulling ernstige karakterfouten en zelfs grensoverschrijdend gedrag aan het licht brachten. Aan zo iemand zouden de Amerikanen toch in meerderheid niet het vertrouwen geven? Dat was een misrekening. Weliswaar kreeg zijn tegenstander, Hillary Clinton, een kleine meerderheid van de stemmen, maar heel indrukwekkend was het verschil niet. Dat ook aan haar wel de nodige smetjes kleefden, werd niet als een ononverkomelijk obstakel gezien, zeker ook niet door haar partij, die niet serieus naar een alternatief zocht, dat minder weerzin opwekte.

In deze weblog gaat het me vooral om een merkwaardig fenomeen dat al heel wat pennen en tongen, zowel in de Verenigde Staten als in ons land, in beweging heeft gebracht. Trump kreeg de steun van de overgrote meerderheid van zogenaamde ‘evangelische christenen’, en dan vooral het blanke deel daarvan. Want onder de Afro-Amerikaanse christenen zag het beeld er wat anders uit, hoewel ook daar nogal wat weerstand was tegen Hillary Clinton, vooral vanwege haar liberale standpunten in ethische kwesties. Nu kan het op zichzelf niet verbazen dat blanke evangelische christenen in overgrote meerderheid geneigd zijn een Republikeinse kandidaat te steunen. Dat is al decennia lang het geval. Beide grote partijen in de VS zijn ideologisch en religieus gemêleerd. Beide kennen een waaier van opvattingen, van rechts tot links. In de loop van de laatste decennia hebben beide partijen wel een ideologische wending laten zien. De Republikeinse partij wordt gedomineerd door rechts, de Democratische door links. In beide gevallen bepaalt dat het beeld dat men van deze partijen heeft.

Ook op ethisch vlak verschillen beide partijen. Tegenstanders van een vrije abortuspraktijk – om maar eens één van de heetste hangijzers te noemen – zijn in beide partijen te vinden, maar in de Republikeinse partij krijgen zij meer voet aan de grond. Daarentegen zijn er onder de Republikeinen nogal wat die op dit punt een veel liberaler standpunt innemen maar zich vanwege het economisch beleid of uit buitenlands-politieke overwegingen bij die partij thuis voelen en het overheersende anti-abortusstandpunt op de koop toe nemen.

Voor veel evangelische kiezers in de VS zijn abortus en zaken als het homohuwelijk van doorslaggevend belang, zo komt uit de media steeds naar voren. Maar juist dat roept nogal wat vragen op. Want Donald Trump heeft nooit de indruk gewekt dat dit soort zaken hoog op zijn prioriteitenlijstje staan. Hij heeft ook helemaal geen bindingen met het evangelische deel van de Republikeinse partij. Zijn uitlatingen over het christelijk geloof en de betekenis die dat voor hem heeft lieten vooral ongemak zien en konden nauwelijks overtuigen. Het zegt veel over het kennelijk gebrek aan geloofwaardige alternatieven dat men bereid bleek dit door de vingers te zien of er een bepaalde draai aan te geven waardoor Trumps uitlatingen in een gunstiger licht kwamen te staan. Dat moet ook de reden zijn geweest dat men wilde geloven dat Trump zijn beloften op ethisch terrein zou waarmaken. Of dat ook het geval is, staat bepaald niet vast. Wat dat betreft zouden de evangelicalen nog wel eens van een koude kermis thuis kunnen komen.

Was de steun voor Trump vanwege zijn achtergrond en zijn uitlatingen over het geloof al enigszins dubieus, het werd nog vreemder toen duidelijk werd dat zijn levensstijl in veel opzichten haaks staat op wat door evangelicalen als christelijk ideaal wordt uitgedragen. Kan iemand die zich herhaaldelijk heeft misdragen en blijk geeft van een gebrek aan moreel besef, met name in zijn opstelling ten opzichte van vrouwen, een geloofwaardige kandidaat van christenen zijn? Een aantal christelijke leiders en opiniemakers distantieerde zich van Trump. Sommigen deden dat al voor die onthullingen, waarbij ze ook wezen op eerdere uitlatingen ten aanzien van minderheden, zoals Afro-Amerikanen en latino’s, en religieuze minderheden, met name moslims. Anderen keerden zich van hem af als direct gevolg van de genoemde onthullingen. Maar vele evangelische leiders bleven Trump steunen.

Daarvoor zijn twee verklaringen.

De eerste is dat men de zonden van Trump weliswaar erkende, maar tegelijk het gewicht ervan bagatelliseerde. “We zijn allemaal zondige mensen”, werd gezegd, daarmee een christelijke waarheid gebruikend om het straatje van de zondaar schoon te vegen. Bovendien was niet de levensstijl, maar waren vooral de politieke ideeën van de kandidaat van belang. Daarbij schroomde men niet de bijbelse koning David als voorbeeld te gebruiken. Ook diens levensstijl was bepaald niet smetteloos maar desondanks was hij een “man naar Gods hart”. Hier valt niet alleen de inconsequentie op – politici van een andere politieke oriëntatie mogen op heel wat minder coulantie rekenen – maar ook het misbruik de Schrift voor politieke doeleinden. Ik kom daar wellicht binnenkort nog afzonderlijk op terug.

De tweede verklaring is meer politiek van aard. In het politieke denken van de Amerikaanse evangelicalen speelt het Hooggerechtshof een doorslaggevende rol. Al lange tijd scheiden zich de geesten over de interpretatie van de grondwet. Omdat die uit een andere tijd stamt, geeft die niet op alle vragen een pasklaar antwoord. Dus moeten de leden van het Hooggerechtshof – die voor het leven worden benoemd door de president, overigens na instemming van het Congres – steeds zoeken naar een zodanige interpretatie dat aan de bedoeling van de grondwet recht gedaan wordt. Hierbij staan twee lijnen tegenover elkaar. De conservatieve lijn is dat de grondwet moet worden geïnterpreteerd naar de bedoeling van de opstellers. De liberale lijn is dat rechters de bestaande maatschappelijke opvattingen moeten verdisconteren. In het eerste geval is de grondwet statisch, in het tweede geval dynamisch.

Uiteraard zijn de evangelicalen voorstander van de eerste lijn. Zij zien daarin een garantie dat christenen optimale godsdienstvrijheid behouden, die hun het recht geeft in hun persoonlijk leven en in hun beroepsuitoefening zich te distantiëren van wat door anderen – misschien zelfs de meerderheid van de bevolking – als normaal wordt beschouwd. Ook zien ze in de conservatieve interpretatie van de grondwet een middel om de legalisering van het homohuwelijk tegen te houden dan wel terug te draaien en een vrije abortuspraktijk te beteugelen. Uit uitlatingen van evangelicale leiders die Trump door dik en dun steunden, bleek steeds weer dat de personele bezetting van het Hooggerechtshof van cruciale betekenis werd geacht. Niet alleen moet Trump één van de opengevallen plaatsen bezetten, maar gezien de leeftijd van een aantal rechters is de kans groot dat hij tijdens zijn ambtstermijn nog één of meer benoemingen zal moeten doen. Daarom zien evangelicalen dit als een uitgelezen kans om voor jaren of zelfs decennia het Hooggerechtshof naar hun hand te zetten.

Dit laat zien dat de evangelicale beweging in de VS in hoge mate gepolitiseerd is. De volledige concentratie op macht en machtsuitoefening laat allerlei andere factoren naar de achtergrond verdwijnen. In feite wordt de persoonlijke ethiek van politieke ambtsdragers – in dit geval de president – geheel ondergeschikt gemaakt aan de mogelijkheid politieke macht uit te oefenen. Dit is om meerdere reden een fatale vergissing.

Alles mag dan politiek zijn, maar politiek is niet alles. Men vergist zich wanneer men denkt met machtsmiddelen maatschappelijke ontwikkelingen te kunnen keren; daarvoor is een verandering van mentaliteit nodig. Wanneer christenen het denken over ethische kwesties, zoals abortus, willen veranderen, zullen ze het maatschappelijke debat moeten aangaan. Verscherping van de abortuswetgeving is slechts te bereiken wanneer daarvoor een maatschappelijk en vervolgens ook politiek draagvlak wordt gecreëerd. Ik haal hier met instemming Anton de Wit aan, die in een column op de site van de EO schreef: “Ik vind het zelfs meer dan kwalijk dat christenen het abortusvraagstuk tot hamvraag van de verkiezingskeuze hebben gemaakt. Niet omdat abortus niet belangrijk genoeg is om politiek te zijn, maar juist omdat het te belangrijk is om politiek te zijn. De grote makke van de pro-lifebeweging is dat het abortus zo heeft gepolitiseerd. Het is bijna puur een strijd om beleidsvorming en wetgeving geworden, waar het eigenlijk een strijd om de harten van mensen zou moeten zijn. Door Trump nu als dubieuze mascotte te kiezen, heeft de pro-lifebeweging zichzelf nog verder in de hoek van de hartelozen geduwd.” De strijd tegen abortus moet dan ook onderdeel uitmaken van een breed pakket aan maatregelen, o.a. op het vlak van voorlichting en hulpverlening, zoals we dat in Nederland kennen.

Op deze wijze wordt christelijke politiek van haar geloofwaardigheid beroofd. Wie pretendeert in de samenleving op te komen voor christelijke waarden, compromitteert zichzelf, wanneer hij tegelijk iemand te vuur en te zwaard verdedigt en zelfs als een geschikte kandidaat voor het presidentschap aanprijst, die een aantal van deze waarden met voeten treedt. Het verwijt van hypocrisie is dan geheel terecht.

Het streven via machtsmiddelen de samenleving weer op het ‘rechte’ spoor te krijgen is ook kortzichtig. Op korte termijn zal men wellicht bepaalde ontwikkelingen kunnen tegenhouden, maar veel meer dan vertraging zal het niet zijn, wanneer het draagvlak ontbreekt. Eén van de oorzaken van de radicalisering van delen van de Republikeinse partij en van een deel van de kiezers is de minachting voor hun opvattingen door wat men ‘de elite’ noemt, die men vooral bij de Democratische partij zoekt. Maar het radicalisme van de Republikeinen – waarmee men de Democraten met gelijke munt terugbetaalt – zal op termijn de tegenstellingen alleen maar verder verscherpen. Dan kan eventuele winst van een Republikeins presidentschap onder een volgende president zomaar helemaal te niet worden gedaan.

De onderschikking van de ethiek aan de politiek zou je als de secularisatie van het Amerikaanse evangelicalisme kunnen beschouwen. Maar wellicht zit het probleem nog veel dieper. Want tot nu toe zijn we er hier vanuit gegaan – en dat is de overheersende mening in de media, inclusief de christelijke – dat voor Amerikaanse evangelicalen de christelijke ethiek een doorslaggevende rol speelt en hun stemgedrag bepaalt. Maar er zijn redenen daar grote vraagtekens bij te zetten.

De Amerikaanse website Christianity Today publiceerde een interessante analyse van het stemgedrag en de motieven van verschillende groepen christenen. Daaruit zijn allerlei belangwekkende gegevens te halen, zoals het feit dat een substantieel deel van de aanhang van beide presidentskandidaten zich heeft laten leiden door afkeer van de andere kandidaat. Dat speelt altijd een rol, maar bij deze verkiezingen wellicht meer dan ooit tevoren. De cijfers laten ook allerlei opvallende verschillen zien, bijvoorbeeld tussen denominaties en tussen evangelicalen van verschillende etniciteit.

Daaraan zouden allerlei interessante beschouwingen gewijd kunnen worden. Maar op dit moment wil ik me beperken tot twee aspecten. Die zouden overigens wel eens kunnen samenhangen met het uit de cijfers naar voren komende verschil tussen voorgangers en wat ik maar ‘leken’ zal noemen.

De eerste is de beoordeling van de kandidaat op de punten van geloof en persoonlijke ethiek. In 2011 antwoordde 64% van de blanke evangelicalen bevestigend op de vraag of het voor hen belangrijk was dat een presidentskandidaat een “sterk geloof” heeft; in 2016 is het percentage gedaald tot 49. Dit verklaart voor een deel dat een substantieel deel van hen Trump steunde, terwijl niet minder dan 48% van degenen die zich born again Christians noemen, van mening was dat noch Clinton noch Trump als authentic Christian kan worden beschouwd.

Ten aanzien van de persoonlijke ethiek tekent zich een vergelijkbaar patroon af. In 2011 vroeg Christianity Today of iemand die in een publiek ambt gekozen is, ethisch kan handelen terwijl hij zich in zijn persoonlijk leven immoreel heeft gedragen. Daarop gaf 30% een bevestigend antwoord; in 2016 is dat percentage gestegen tot 72 en niet minder dan 42% antwoordt dat een buitenechtelijke affaire geen verschil zou maken voor het stemgedrag.

Wijst dit op een fundamentele verandering in opvattingen in de richting van een scheiding van geloof en politiek? Of moeten we dit vooral interpreteren als een pragmatische opstelling of een poging het eigen stemgedrag te rechtvaardigen? Je kunt moeilijk zeggen dat onethisch gedrag een verhindering is een bepaalde kandidaat te steunen en dan vervolgens iemand in het Witte Huis kiezen die in onethische gedragingen grossiert.

Er is nog een statistiek die van belang is en misschien komen we dan dichter bij de kern van de zaak. De tiende vraag die Christianity Today aan de geënquêteerde evangelicalen voorlegde was, welke kwesties voor hen het zwaarste wogen. De lijst met percentages is hoogst interessant. Want wie denkt dat zaken als abortus en het homohuwelijk wel hoog zullen scoren, komt bedrogen uit. De economie scoort het hoogst, gevolgd door nationale veiligheid. Wanneer we dan naar de cijfers voor de blanke evangelicalen kijken, is de lijst nog onthullender. Bovenaan staan terrorisme, de economie en – ex aequo – immigratie en buitenlandse politiek. Deze worden gevolgd door gun policy – wat geïnterpreteerd moet worden als het recht een wapen te dragen – en benoemingen voor het Hooggerechtshof. Waar staat abortus? Op een elfde plaats – dit issue haalt net een meerderheid van 52% van de ondervraagden als ‘heel belangrijk’ bij de keuze voor een bepaalde kandidaat. Het zegt iets over de prioriteiten van blanke evangelicalen dat economie, immigratie en het recht een wapen te dragen hoger scoren dan abortus. Het zegt ook veel dat de behandeling van raciale en etnische minderheden slechts 51% scoort en het milieu een magere 34%. Veel Amerikaanse (blanke) evangelicalen lijken daarmee in de eerste plaats geïnteresseerd te zijn in het eigen (materiële) welbevinden, meer dan in de publieke moraal. Ook nationalisme speelt een belangrijke rol, zoals uit het gewicht van immigratie blijkt.

Als bezwaar tegen christelijke politiek in de VS is vaak ingebracht dat die wordt versmald tot enkele kwesties: abortus, gezin, Israël. Maar de hier aangehaalde cijfers laten zien dat de situatie veel ernstiger is. De genoemde kwesties zijn voor veel evangelicale leiders en opiniemakers – degenen die zich in de media manifesteren en ons beeld van de Amerikaanse evangelicale wereld in hoge mate bepalen – wellicht inderdaad doorslaggevend. Maar voor veel evangelicale ‘leken’ lijkt christelijke politiek niet meer dan een masker waarachter zich politieke standpunten verbergen die met het christelijk geloof weinig tot niets van doen hebben of daar zelfs haaks op staan. De gekozen vice-president Mike Pence beweerde dat hij in de eerste plaats christen was en pas dan Amerikaan. Het is niet aan mij om dat te beoordelen. Maar wie naar de cijfers kijkt kan niet anders dan concluderen dat veel Amerikaanse evangelicalen eerst Amerikaan zijn en pas dan christen. Het valt overigens te vrezen – en dat is misschien nog erger – dat velen daartussen geen verschil zien en die met elkaar vereenzelvigen.

Op grond van de hier gereleveerde gegevens lijkt me de conclusie gewettigd dat een substantieel deel van de Amerikaanse evangelicalen – en dan vooral het blanke deel daarvan – in sterke mate geseculariseerd is. Dat de VS een in hoge mate door het christendom gestempelde samenleving zou zijn, krijgt steeds meer de trekken van een mythe.
De te pas en te onpas gebruikte wens “God bless America” verandert daar niets aan.

Orgaandonatie: Wie zwijgt stemt toe?

Met enige regelmaat is orgaandonatie een onderwerp van politieke en maatschappelijke discussie. Ook recent werd daarover weer van mening gewisseld in de Tweede Kamer en in de pers. Politiek gezien draait alles om een voorstel van D66 een ‘actief donorregistratiesysteem’ in te voeren. Het is in de Tweede Kamer niet tot een stemming gekomen. Aangezien de CDA-fractie het voorstel unaniem afwees, was op voorhand duidelijk dat er geen meerderheid voor was. Dat het nu – opnieuw – afgewezen is, wil niet zeggen dat het op termijn niet weer op tafel komt. D66 zal ongetwijfeld blijven proberen dit systeem ingevoerd te krijgen. Zoals het er nu naar uitziet zal dat alleen lukken wanneer deze partij bereid is het voorstel substantieel te wijzigen. Maar de komende verkiezingen kunnen ook roet in het eten gooien. De PVV is bijvoorbeeld een tegenstander van het D66-voorstel en wanneer die bij de komende verkiezingen een substantiële winst zou behalen, zal de steun voor het D66-plan nog verder afkalven.

De problemen rond de donorregistratie zijn niet te ontkennen. Van overheidswege wordt gestimuleerd dat mensen laten weten of ze bereid zijn na hun dood organen voor transplantatie af te staan. Ze kunnen ook specificeren welke organen ze eventueel willen afstaan. Daarnaast is het uiteraard mogelijk ervoor te kiezen geen donor te zijn. Tenslotte kan men ook aangeven dat men de beslissing aan de nabestaanden wil overlaten. Maar desondanks zijn er nog heel veel mensen die geen keuze maken. Dat is de reden dat D66 het over een andere boeg wil gooien. Haar voorstel houdt in dat iedere burger op enkele momenten wordt gevraagd te laten weten wat zijn beslissing is. Hij kan dan dezelfde keuzen maken als in het huidige ‘geen-bezwaar-systeem’. Het verschil is dat wanneer hij geen keuze maakt – opzettelijk, uit slordigheid of vergeetachtigheid – hij geacht wordt toestemming te geven zijn bruikbare organen na zijn dood voor transplantatiedoeleinden te gebruiken.

Ook in christelijke kring is het nodige over dit onderwerp geschreven. Het belangrijkste argument ten gunste van orgaandonatie is het gebod tot naastenliefde. In een recente weblog schrijft ds. Ernst Leeftink: “Volgens mij moeten christenen in deze diskussie de woorden van Jezus onze Heer uit Matteüs 7:12 en Lukas 6:31 zwaar laten wegen: Behandel anderen steeds zoals je wilt dat ze jullie behandelen (NBV) / Alles nu wat gij wilt, dat u de mensen doen, doet gij hun evenzo (NV’51).” Wat opvalt is dat hij hier spreekt over “zwaar laten wegen”. Dat suggereert de ruimte om ook andere elementen in de overwegingen te betrekken. Hij trekt uit dit gebod ook niet de conclusie dat iedereen bereid moet zijn zijn organen na zijn dood ter beschikking te stellen. Daarvoor lijkt me ook weinig grond, al was het maar dat in bijbelse tijd orgaantransplantatie helemaal niet bestond. Er zijn allerlei onderwerpen die in de tijd dat de Schrift ontstond nog buiten beeld waren. In zulke gevallen moeten christenen die de bijbel als richtinggevend voor hun leven beschouwen, een vertaalslag maken. In dit geval betekent het dat gekeken moet worden hoe bijvoorbeeld over het lichaam en de dood wordt gesproken en over de relatie tussen mensen.

Vanuit dit perspectief is het dan wel merkwaardig dat Leeftink in een ander verband wel de term ‘onchristelijk’ gebruikt. Dat doet hij in het kader van zijn kritiek op het standpunt van de ChristenUnie. Die wil – kort samengevat – wel dringen maar niet dwingen. Leeftink merkt op: “Op http://www.donorregister.nl kan iedereen invullen of men wel of geen orgaandonor wil zijn. Maar het heeft onvoldoende geholpen. Na tien jaar neemt bijna 60% van de Nederlanders nog steeds niet z’n verantwoordelijkheid.” Door het D66-voorstel af te wijzen “stimuleert ze laksheid en ongeïnteresseerdheid. En bevordert ze gebrek aan naastenliefde.” Eerder schreef hij: “Die laksheid vind ik onchristelijk”. Kort gezegd: niemand is, ook niet op grond van de Schrift, verplicht zijn organen na zijn dood beschikbaar te stellen, maar wel om een keuze te maken. Dat is een vreemde positiekeuze. Hoe kan vanuit de Schrift het maken van een keuze als morele plicht gekwalificeerd worden? Wie van mening is dat het ieders vrijheid is eventueel ook orgaandonatie af te wijzen, kan niet hard maken dat het maken van een keuze – welke dan ook – een christelijke plicht is.

De crux van de kwestie zit in de consequentie van het niet maken van een keuze. In het D66-voorstel betekent dit dat uitgegaan wordt van toestemming. Oftewel: wie zwijgt, stemt toe. Leeftink vindt dat een logische stap. “Maar als iemand gewoon de moeite niet neemt om na herhaalde oproepen het donorregistratieformulier in te vullen, is het een hele logische stap om te zeggen: ‘Wie zwijgt, stemt toe'”. Mij ontgaat die logica. Want we raken hier aan de vraag wat de bevoegdheid van de overheid is en hoever die reikt. In Nederland is de overheid over het algemeen erg terughoudend in te grijpen in het persoonlijk leven van mensen, vooral als hun identiteit en diepste overtuigingen in het geding zijn. Polio is een uiterst besmettelijke ziekte en de overheid stimuleert de inenting van kinderen daartegen. Maar zoals bekend zijn er kringen in Nederland die op godsdienstige gronden zo’n inenting afwijzen. Zij worden daartoe niet gedwongen. Na de laatste uitbraak van polio werd opnieuw gepleit voor dwang. Maar tot nu toe heeft de overheid die aandrang altijd weerstaan. De overheid dringt wel maar dwingt niet. Er moeten hele zwaarwegende redenen zijn om tot dwang over te gaan, bijvoorbeeld wanneer de nationale volksgezondheid of de openbare orde in gevaar zijn. Zolang daarvan geen sprake is, ontbreekt een grond voor dwang.

Het leed van degenen die dringend een orgaan nodig hebben, mogen we niet onderschatten. Maar de nationale volksgezondheid is hier niet in het geding. Hier komen we bij een essentiële vraag die nogal gevoelig ligt maar niet over het hoofd gezien mag worden. Kunnen degenen die een orgaan nodig hebben, daarop wel aanspraak maken? Uiteraard hebben zij, net als elke zieke, recht op optimale zorg en op middelen die verlichting geven of zelfs tot genezing kunnen leiden. Wanneer er bijvoorbeeld dure kunstorganen of behandelmethoden zijn, komt in principe elke patiënt daarvoor in aanmerking. Hier mag geen onderscheid gemaakt worden op grond van draagkracht of sociale status. Maar daaruit vloeit niet het recht op menselijke organen voort. Vanuit belangenorganisaties wordt de indruk gewekt dat er een morele plicht bestaat voor mensen om na hun dood organen af te staan aan hen die ze nodig hebben. Maar zo’n recht bestaat niet. Juridisch uiteraard niet maar ook ethisch niet. Wanneer zelfs christelijke ethici in dit verband niet van een morele plicht durven spreken, valt niet aan te nemen dat er andere gronden te vinden zijn die zo’n opvatting rechtvaardigen. De ethicus Jochem Douma schreef eens: “Wie in elk mens een uniek beeld van God ziet, heeft niet voldoende respect voor het uniek persoonlijke, als hij het vanzelfsprekend vindt dat het lichaam na de dood ten bate van de gemeenschap gebruikt moet worden.”

Binnen de kerk mag en moet het onderwerp van de orgaandonatie aan de orde komen. Niet om daaruit dwingende conclusies te trekken. Bij een vertaalslag moet je altijd een slag om de arm houden. Maar wanneer we vanuit het bijbelse liefdegebod de bereidheid tot het afstaan van organen na het sterven als een daad van naastenliefde aanbevelen en niet meer dan dat, kan de overheid niet een stap verder gaan en dwang toepassen. Het is de verantwoordelijkheid van elke burger op grond van eigen levensbeschouwing een keuze te maken. Die kan de overheid voor niemand invullen. Het overheidsbeleid gaat altijd van een bepaalde ethiek uit, ook al wordt die zelden expliciet gemaakt. Die is dan de grond onder concrete overheidsmaatregelen, bijvoorbeeld ten aanzien van sociale zekerheid of de opvang van vluchtelingen. Maar die ethiek kan niet aan de burger worden opgelegd. De overheid kan ertoe besluiten vluchtelingen op te vangen maar mag niet van individuele burgers vragen hun huis of hun tijd daarvoor ter beschikking te stellen. Na de recente aanslag in Orlando (VS) liep het storm bij de bloedbank. Het is mooi dat zoveel burgers bereid waren bloed te geven om de levens van gewonden te redden. Maar de overheid zou haar bevoegdheden ver overschrijden wanneer ze burgers zou dwingen bloed af te staan.

In onze democratische rechtsstaat staat het iedere burger vrij zich bij een organisatie aan te sluiten, zoals een politieke partij of een vakbond. Maar ieder is ook vrij dat niet te doen. Iedere stemgerechtigde burger mag bij verkiezingen zijn stem uitbrengen maar is ook vrij van dat recht geen gebruik te maken. Opkomstplicht, laat staan stemplicht, zijn in strijd met de burgerlijke vrijheden. De overheid moet met heel sterke en zwaarwegende argumenten komen om burgers te dwingen tot keuzen die hem in zijn persoonlijk leven raken. In het geval van orgaandonatie zijn die argumenten er niet.

Confrontatie met de vraag naar organen en drang om een keuze te maken is een goede zaak. Maar met dwang overschrijdt de overheid haar bevoegdheden. “Wie zwijgt stemt toe” is geen basis voor overheidsbeleid. Juist een christelijke partij moet zich tegen die dwang verzetten in het belang van een rechtsstaat die de individuele vrijheden respecteert.

Feesten zonder franje

11 april 2016 1 reactie

Hebt u ook zo genoten van uw vrije tweede Paasdag? Het zou best eens één van de laatste geweest kunnen zijn. Tenminste, als we Roelof Bisschop, Tweede-Kamerlid van de SGP, moeten geloven. Hij suggereerde het einde van de tweede christelijke feestdagen, toen hem om een reactie werd gevraagd op het besluit van minister Plasterk de zondagswet in te trekken. Op zichzelf heeft het één niets met het ander te maken. Maar Bisschop plaatste de intrekking van de zondagswet in een breder kader. Hij ziet het als onderdeel van het streven van de inmiddels seculiere meerderheid in de politiek de samenleving te ontdoen van alles wat aan haar christelijke wortels herinnert. Daarin staat hij niet alleen zoals blijkt uit enkele interviews van Gert-Jan Segers, politiek leider van de Christenunie. Frank van den Heuvel, lid van het CDA, schreef een artikel in Trouw waarin hij stelt dat liberalen alles wat naar religie riekt, willen uitbannen. Dat ze op z’n minst een gevoelige snaar raken blijkt wel uit de nogal gepikeerde reacties van vertegenwoordigers van VVD en D66.

De vrees van Bisschop lijkt me niet erg realistisch. De meeste Nederlanders hechten zeer aan hun vrije dag op tweede Paasdag en tweede Pinksterdag. Zelfs de VVD, voor wie de economie altijd op de eerste plaats komt, heeft zich er tot nu toe niet aan gewaagd deze vrije dagen ter discussie te stellen. Dat valt ook daaruit te verklaren dat die vrije dagen bepaalde sectoren van de economie veel opleveren, niet alleen de toeristenindustrie maar ook meubelboulevards en tuincentra, om maar eens wat te noemen.

Maar als die vrije dagen zouden vervallen, zou dat nu een reden voor treurnis zijn? En zouden christenen daartegen in het geweer moeten komen? In het Nieuwe Testament kunnen we geen aanwijzingen vinden dat aan de heilsfeiten bijzondere aandacht werd besteed. Daaruit valt ook te verklaren dat Calvijn een verklaard tegenstander van een aparte viering van Kerst was. Er zijn allerlei historische en religieuze oorzaken aan te wijzen waardoor in ons land Kerst, Pasen en Pinksteren en daarnaast nog enkele dagen, zoals Goede Vrijdag en Hemelvaartsdag, op de kalender van de vrije dagen terecht kwamen en dat voor de drie eerstgenoemden meer dan één dag werd gereserveerd. Tot 1773 kenden we in Nederland, net als in het protestantse deel van Duitsland, zelfs drie Kerstdagen. Uiteindelijk werd in de Zondagswet van 1815 officieel vastgelegd welke dagen als vrije dagen golden*. Als aparte feestdagen voor de heilsfeiten al niet geworteld zijn in de Schrift, dan de tweede feestdagen al helemaal niet. Er is dus geen enkele reden al te dramatisch te doen over de eventuele afschaffing van deze dagen als vrije dagen. De eerste feestdagen zijn niet in gevaar. Omdat Pasen en Pinksteren op zondag vallen, heeft het overheidsbeleid daarop geen invloed. Kerst is de uitzondering, maar dat feest heeft zo’n status dat aantasting daarvan bijna als heiligschennis zal worden gezien.

Er is wel een andere tendens voorstelbaar: dat Pasen en Pinksteren uit het publieke bewustzijn gaan verdwijnen. In de Verenigde Staten zijn verwijzingen naar Kerst al lang een flink strijdpunt. Strijdbare seculieren zijn van mening dat zulke verwijzingen – bijvoorbeeld door het plaatsen van een kerstboom op publieke plaatsen of in openbare gebouwen en vooral de benaming Christmas tree – in strijd zijn met de scheiding van kerk en staat. Sommige fundamentalistische christenen betreuren het wanneer traditionele verwijzingen naar Kerst, bijvoorbeeld in de reclame, gaan verdwijnen. Dat beschouwen ze als knieval voor diegenen die alles wat naar het christelijk geloof verwijst, uit de openbare samenleving willen verbannen.

Vergelijkbare conflicten kennen we bij ons niet. Zou dat ook daarmee te maken kunnen hebben dat – zoals ook uit het recente rapport God in Nederland blijkt – christenen in Nederland een slinkende minderheid zijn? Daarmee zijn verwijzingen naar christelijke feesten onschuldig en leiden ze niet tot noemenswaardige opwinding, zelfs niet bij de meest ideologisch gedreven seculieren. Het is de vraag of dat een goed teken is.

In zekere zin maken we bij ons het omgekeerde mee. In de aanloop naar Pasen kwam de Hema met een reclamefolder die repte over ‘verstopeieren’ en ‘voorjaarsfeest’. Daaruit werd de conclusie getrokken dat de Hema niet langer naar Pasen wilde verwijzen. Dat werd direct uitgelegd als een knieval voor de islam. In de sociale media – de moderne variant van het aloude volksgericht – werd de Hema over de knie gelegd. Daarbij verdwenen – één van de kenmerken van sociale media – de nuances uit het zicht, zoals het feit dat elders in de gewraakte folder wel degelijk naar Pasen werd verwezen, door middel van de paashaas en paaseieren.

Uitgerekend Halbe Zijlstra van de VVD meende de Hema hierover te moeten kapittelen. Je zou juist van hem enig begrip mogen verwachten voor een bedrijf dat zijn reclame aanpast aan de maatschappelijke ontwikkelingen en probeert op die manier de verkoop te bevorderen en de winst te vergroten. Zijn reactie is een voorbeeld van het overspannen klimaat ten aanzien van de islam en zijn positie in de Nederlandse samenleving. Het zegt ook iets over de angst van de VVD voor de concurrentie van de PVV die zich uiteraard niet onbetuigd liet bij de openbare terechtstelling van het winkelbedrijf.

Nog verbazingwekkender is dat ze bijval kregen uit christelijke kring. Van die kant zou je iets meer nuance en een groter respect voor de feiten mogen verwachten dan van de PVV, die zich specialiseert in fact free politics. Maar het is vooral verbazingwekkend omdat men kritiek heeft op een mogelijke ontwikkeling, die men eerder zou moeten toejuichen. Want partijen als VVD en PVV geven er zelden of nooit blijk van dat ze enige interesse hebben in of waarde hechten aan de echte betekenis van de christelijke feesten. Ze beschouwen die als onderdeel van de Nederlandse cultuur. Die voorzien ze van het etiket ‘joods-christelijk’, vooral in het kader van de strijd tegen de zogenaamde ‘islamisering’. De wens de christelijke feesten te handhaven is dus vooral een stok om de islamitische hond te slaan.

Al eeuwenlang maken de christelijke feestdagen deel uit van de ‘nationale kalender’. Dat was geen probleem zolang die kalender sterk door het christelijk geloof gestempeld werd. Inmiddels is de kennis van de betekenis van de christelijke feestdagen goeddeels verdwenen. Dat komt ook tot uiting in de verwijzingen naar die feesten. De verwijzingen naar Pasen bestaan vooral uit paaseieren en de paashaas. En in de Kersttijd maakt steeds vaker de Kerstman zijn opwachting en wordt het geven van cadeautjes een steeds gangbaarder verschijnsel. Vanuit christelijk perspectief is dat niet iets om blij mee te zijn. De Kerstman en cadeautjes hebben niets met de geboorte van Christus te maken en de paashaas en paaseieren niets met zijn opstanding. Wanneer de Hema dit soort trivialiteiten uit haar reclameuitingen zou verbannen, zouden christenen het bedrijf daarmee moeten complimenteren. Kerstmannen, paaseieren en paashazen roepen vooral gêne op en leiden af van waar het echt over gaat.

Nu zou men kunnen beweren dat verwijzingen naar de christelijke feesten – hoe vervormd en overwoekerd door irrelevante onzin ook – een verbinding leggen tussen de christelijke minderheid en de seculiere meerderheid. Zou het feit dat Kerst en Pasen zich op allerlei manieren in de samenleving manifesteren – van een mediaspektakel als The Passion tot het kerstliedjesgekweel van draaiorgels tussen Sinterklaas en Kerst – geen aanknopingspunten kunnen bieden om ‘de wereld’ met de heilsfeiten en hun betekenis te confronteren? Het schijnt dat The Passion leidde tot een sterke toename van zoekopdrachten in Google naar het verhaal van Goede Vrijdag en Pasen. Maar wijst dat op echte belangstelling of is dat alleen maar nieuwsgierigheid naar iets dat even in het nieuws is? Te vrezen valt dat verreweg het meeste zaad in onvruchtbare aarde of op de stenen valt. De passietijd leidt ook, vooral in Nederland, tot een hausse aan uitvoeringen van Bachs Matthäus-Passion. Maar het is zeer twijfelachtig of dat resulteert in enig besef van de betekenis van wat daarin wordt beschreven. Een recente radiouitvoering van Bachs passie werd beloond met een ovationeel applaus. Dat wijst erop dat de luisteraars de ernst van het verhaal niet tot zich hebben laten doordringen en al helemaal niet in verband brachten met hun eigen leven. Ingetogen bijval of – beter nog – een bedremmeld zwijgen zouden meer op hun plaats geweest zijn.

Christenen hebben geen enkele reden treurzangen aan te heffen wanneer de christelijke feestdagen uit het publieke bewustzijn verdwijnen. Hoe minder reclamefolders naar Kerst en Pasen verwijzen hoe beter. Kerstmannen en paashazen onttrekken de echte betekenis van die feesten aan het zicht. Waar de franje verdwijnt kan die weer aan het licht komen.

(*) Informatie hier over vindt men in een artikel op de site van het Meertens Instituut.