Archief

Posts Tagged ‘Vrijmaking’

Geschiedenis als wapen

De kennis van de geschiedenis schijnt in Nederland niet erg goed ontwikkeld te zijn. Uit onderzoeken komt naar voren dat leerlingen in het middelbaar onderwijs soms de meest elementaire feiten uit de Nederlandse geschiedenis niet kennen. Of dat een typisch Nederlands verschijnsel is, weet ik niet. Het zal in andere Westeuropese landen met de kennis van de eigen geschiedenis wellicht niet substantieel beter zijn.

Geschiedenis lijkt in het bewustzijn van moderne burgers geen rol te spelen. Daarom werd in de jaren ’90 van de vorige eeuw met verbazing naar de ontwikkelingen op de Balkan gekeken. Gebeurtenissen uit het verleden, soms zelfs van eeuwen her, speelden een wezenlijke rol bij politieke beslissingen en konden zelfs aanleiding zijn tot militair optreden. In West-Europa konden maar weinigen zich voorstellen dat historische gebeurtenissen tot zoveel emoties konden leiden.

Maar de afstand tot de mentaliteit van de bewoners van de Balkan is niet zo groot als die lijkt. Publicaties over de Tweede Wereldoorlog geven nog geregeld aanleiding tot debatten, waarbij ook de emotie niet geschuwd wordt. En in politieke en maatschappelijke discussies kan het zomaar gebeuren dat naar de oorlog of een gebeurtenis uit die tijd verwezen wordt ter ondersteuning van het eigen standpunt dan wel om de opvatting van tegenstanders verdacht te maken.

In kerkelijke kring is de aandacht voor de geschiedenis traditioneel groter. Dat geldt misschien niet meer voor de jongere generaties – zeg 30 jaar en jonger -, maar nog wel voor mensen van middelbare leeftijd en ouder. Terwijl in het Nederlandse maatschappelijke en politieke debat de Tweede Wereldoorlog als een soort ijkpunt geldt – waarbij mensen en situaties bij voorkeur gekwalificeerd worden als “goed” of “fout” -, zo bestaan ook in kerkelijke kring gebeurtenissen die als zodanig functioneren. Zeker tot de jaren ’60 van de 20e eeuw was binnen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) de Vrijmaking zo’n ijkpunt. In de daarop volgende decennia werd die steeds meer vervangen door de breuk die zich in de jaren ’60 in die kerken voltrok en die tot het ontstaan van de Nederlands Gereformeerde Kerken heeft geleid. Ironisch genoeg is juist het conflict dat tot de breuk leidde, een voorbeeld van het hanteren van de Vrijmaking als ijkpunt. Want de beoordeling van de Vrijmaking was één van de zaken waarover de meningen sterk uiteenliepen en die een niet onbelangrijke rol speelden in het conflict.

Nog altijd wekken geschriften over deze breuk de nodige emoties op. Dat is recent gebleken toen Wim Berkelaar, als historicus verbonden aan het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme van de VU in Amsterdam, een column schreef op Protestant.nl. De titel was ronduit provocerend: “Het religieuze geweld van professor Kamphuis”. Daarin betoogt hij dat Kamphuis zich schuldig maakte aan “gewetensdwang” en “religieus geweld”. Geen wonder dat dit tot heftige reacties leidde, zowel op de desbetreffende site als in het Nederlands Dagblad. Behalve de gebruikte kwalificaties wekte ook het moment van verschijnen van deze column verontwaardiging. Het was immers nog maar ruim een maand geleden dat Kamphuis was overleden.

Dat een publicatie over het conflict van de jaren ’60 veel emoties wekt valt te begrijpen. Veel mensen die het bewust hebben meegemaakt, zijn immers nog in leven. Velen hebben aan die periode emotionele verwondingen overgehouden. De onmiskenbare emotie waarmee Berkelaar schrijft, is minder begrijpelijk. Zelf is hij opgegroeid in de Gereformeerde Kerken (synodaal) en dat in een tijd waarin het conflict tussen ‘vrijgemaakten’ en ‘synodalen’ allang van zijn scherpste kantjes was ontdaan. In het Nederlands Dagblad van 28 januari schrijft hoofdredacteur Peter Bergwerff dat hij Berkelaar heeft gevraagd wat hem heeft bewogen op zo’n felle toon Kamphuis aan te klagen. “Die existentiële betrokkenheid van Berkelaar kwam voort uit zijn individualisme en zijn afkeer van groepen en groepsdwang. Die afkeer was gevoed door zijn intensieve studie van het communisme. Het doet hem gruwen van alle collectivisme. Ook in de kerk.”

Het is goed wanneer een historicus warm loopt voor de geschiedenis of voor een bepaald onderwerp in het bijzonder. Daardoor is hij geneigd echt te gaan graven om alles te weten te komen wat wetenswaardig is. Maar er schuilt ook een gevaar in, zeker wanneer hij zich identificeert met een bepaalde persoon of een bepaalde kant in een conflict. Daardoor kan de evenwichtigheid in het onderzoek ernstig in gevaar komen. Er zijn niet weinig historische studies verschenen, waarin de auteur niet de neiging heeft kunnen onderdrukken naar de door hem gewenste uitkomst toe te schrijven en te weinig aandacht te besteden aan wat die conclusies zou kunnen ondergraven.

Neutraliteit bestaat niet. Elke historicus heeft opvattingen die een rol kunnen spelen in zijn onderzoek. Dat hoeft geen probleem te zijn, zolang hij zich daarvan bewust is en bereid is zich door collega’s te laten corrigeren. Recentelijk zijn we nog eens met de neus op de wenselijkheid daarvan gedrukt door de manipulaties van onderzoeksgegevens door de Tilburgse psycholoog Stapel. Dat moet eens te meer huiverig maken voor onderzoek vanuit vooropgezette doelstellingen.

Berkelaar maakt het nog bonter. Het is ironisch dat hij aan het eind van zijn column pleit voor de instelling van een ‘waarheidscommissie’ door de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt). Uit de door hem geformuleerde doelstelling blijkt dat voor hem de ‘waarheid’ al vaststaat: “om het geweld van de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw in kaart te brengen”. Het gaat er dus niet om vast te stellen òf van “gewetensdwang” en “religieus geweld” sprake was, maar hoe die werden uitgeoefend. Zelfs de vraag wie zich daaraan heeft schuldig gemaakt heeft Berkelaar in zijn column al beantwoord.

De eerste taak van de historicus is niet een oordeel te vellen over mensen. Hij moet vooral zoveel mogelijk relevante feiten opsporen, die analyseren en met elkaar in verband brengen en het geheel vervolgens in een bredere context plaatsen. Het eerste doel van historisch onderzoek is, kortom, het inzicht in een bepaald onderwerp te vergroten. Een eerlijk oordeel is immers alleen mogelijk wanneer alle relevante feiten gewogen en in hun betekenis begrepen worden. Ook de politiek stelt soms een onderzoekscommissie in, zoals bijvoorbeeld naar de gebeurtenissen in Srebrenica. Het rapport van die onderzoekscommissie zou elke waarde hebben verloren wanneer de onderzoekers al bij voorbaat te kennen hadden gegeven dat bepaalde hoofdrolspelers zich volgens hen zouden hebben schuldig gemaakt aan onaanvaardbaar gedrag. En wanneer een historicus op grond van zijn onderzoek een oordeel wil vellen, dient hij wel duidelijk te maken wat de maat is waaraan hij gebeurtenissen en personen wil meten.

Berkelaar heeft zich zelf geen kandidaat gesteld voor een uit te voeren onderzoek naar de breuk van de jaren ’60. Daarvoor heeft hij zich in elk geval al bij voorbaat gediskwalificeerd. Maar ook zijn reputatie als historicus in het algemeen staat op het spel. Hij velt oordelen zonder ervan blijk te geven dat die gebaseerd zijn op gedegen onderzoek en begrip van het onderwerp. Zijn oordelen zijn bovendien gebaseerd op een maatstaf waarover de lezer in het ongewisse wordt gelaten.

Wie zich als historicus door zijn persoonlijk vooroordeel laat leiden en alles en iedereen langs die meetlat legt, misbruikt de geschiedenis als wapen in zijn persoonlijke strijd. Dat staat anderen vrij, maar een historicus kan dat alleen maar doen ten koste van zijn geloofwaardigheid.

Advertenties

Kerk en politieke partij (2)

11 oktober 2011 1 reactie

We hebben de vorige keer gezien dat het ontbreken van een binding van een politieke partij aan één kerk haar niet vrijwaart van de gevolgen van kerkelijke onenigheid. Ik gebruikte in de eerste plaats de SGP als voorbeeld, die zich niet aan één bepaalde kerk bindt, maar wel de effecten van de ontwikkelingen op het erf van de ‘bevindelijke’ kerken en stromingen ervaart. En ik wees op het probleem rond de positie van mensen met een homosexuele relatie in de Christenunie, die de – kerkelijke – achterban van de partij verdeelt.

Nu zou men in het laatste geval erop kunnen wijzen dat die verdeeldheid het logische gevolg is van de veelkleurigheid van de kerken waaruit de Christenunie haar leden betrekt. En daaraan zou dan de vraag gekoppeld kunnen worden: zou de Christenunie dat probleem ook gehad hebben, wanneer ze zich aan één bepaalde kerk of eventueel enkele kerken zou hebben gebonden? Het lijdt geen twijfel dat een probleem als dat van de Christenunie zich zo’n 40 jaar geleden binnen het GPV niet zou hebben voorgedaan. En dat kan inderdaad op het conto van de kerkgebondenheid geschreven worden. Iemand als Monique Heger zou, als ze van een vrijgemaakt Gereformeerde Kerk lid geweest was, door haar kerkenraad onder censuur zijn gesteld. Dat zou, bij volharding in haar levenswijze, uiteindelijk tot afsnijding hebben geleid dan wel tot haar onttrekking aan de kerk. Daardoor zou ze niet meer hebben voldaan aan één van de voorwaarden voor een plaats op de kandidatenlijst: het lidmaatschap van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) (GKV).

Maar dan hebben we het wel over de GKV van 40 jaar geleden. Dat is niet meer de GKV anno 2011. Monique Heger mag dan lid zijn van de Nederlands Gereformeerde Kerken, het zou onjuist zijn met de beschuldigende vinger naar dat kerkgenootschap te wijzen alsof de daar kennelijk legitieme opvattingen rond homosexuele relaties het probleem zouden hebben veroorzaakt. De reacties op het recente ontslag van een onderwijzer aan de gereformeerde basisschool in Oegstgeest, nadat hij een homosexuele relatie was aangegaan, laten zien dat ook binnen de GKV niet weinigen van mening zijn dat zo’n relatie aanvaardbaar is. Daaruit mag niet zonder meer de conclusie getrokken worden dat kerkenraden die mening delen en daarom censuurmaatregelen achterwege laten. Maar het is duidelijk dat slagvaardigheid op dit punt wordt ondermijnd wanneer het grondvlak hiervoor geen enkel begrip meer kan opbrengen. Ten aanzien van andere zaken is de relatie tussen wat nog aanvaardbaar wordt geacht en het beleid van kerkenraden niet te ontkennen.

Dat betekent dus dat de Christenunie het uiteindelijk dan zelf maar moet uitzoeken. Maar daar zitten nogal wat haken en ogen aan. Zoals in de eerste aflevering al opgemerkt heeft de Christenunie een grondslag die identiek is aan die van veel christelijke kerken. Om het toe te spitsen op het onderhavige probleem: de Nederlands Gereformeerde Kerken verschillen in grondslag niet van de Christenunie. Stel dat het bestuur van een locale afdeling van deze partij tot de conclusie komt dat voor een partijlid dat een homosexuele relatie heeft, geen plaats op de kandidatenlijst is. Wat betekent dat dan voor de kerk waaruit de betrokkene afkomstig is en vooral voor andere leden van die gemeente? Wanneer dit standpunt wordt beargumenteerd vanuit de opvatting dat een homosexuele relatie onverenigbaar is met de grondslag, moet dan de conclusie niet zijn dat de betrokkene ook in strijd handelt met de grondslag van zijn eigen kerk? Je zou misschien zelfs kunnen zeggen dat hier sprake is van een omgekeerd ethisch conflict.

Om even de geschiedenis op te halen: met ‘ethisch conflict’ werd in de jaren na de Vrijmaking bedoeld dat degenen die waren geschorst, niet in één partij (de Anti-Revolutionaire Partij) konden samenwerken met degenen die hen geschorst hadden of in elk geval hun schorsing hadden gebillijkt of zelfs gesteund. Het leven is immers één. Datzelfde probleem zou zich nu in omgekeerde zin kunnen voordoen. Kunnen twee leden van de Christenunie in de kerk samen aan de avondmaalstafel zitten, wanneer het bestuur van de partij over één van hen heeft uitgesproken dat hij handelt in strijd met de grondslag van de partij – en daarmee ook van zijn kerk?

Men zou kunnen denken dat deze situatie een ondersteuning is van de opvatting van iemand als prof. Douma, dat een politieke partij niet dezelfde grondslag moet hebben als de kerk. Hoezeer hij de gereformeerde confessie verdedigt en op haar waarde voor het kerkelijk leven niet wil afdingen – een politieke partij zou deze niet in haar grondslag moeten opnemen. Veel aspecten van die confessie spelen in de politiek immers nauwelijks een rol. In het vorige artikel gaf ik al een citaat van hem dienaangaande. En ook voor rooms-katholieken ziet hij plaats in de Christenunie, en die kunnen met de gereformeerde confessie natuurlijk helemaal niet uit de voeten. Maar zou daarmee het probleem waarmee de Christenunie worstelt, zijn opgelost?

Dat lijkt me erg onwaarschijnlijk. Ik ben geneigd te denken dat een oplossing dan helemaal achter de horizon verdwijnt. De Schrift is voldoende, hoor je mensen vaak zeggen. Dat zijn vooral degenen die niet veel van belijdenissen moeten hebben. Maar de belijdenisgeschriften zijn niet uit de lucht komen vallen. Ze zijn de resultante van ontwikkelingen die om een reactie vroegen. Wanneer de waarheid van de Schrift wordt aangetast, is het de taak van de kerk hiertegen in het geweer te komen. En dan kan een belijdenisgeschrift een goed middel zijn om samen te vatten wat de kerk van alle eeuwen in de Schrift heeft gelezen. De opvatting dat de Schrift voldoende is – op zichzelf een waarheid als een koe – komt meestal van hen die belijdenisgeschriften te beperkt vinden en meer vrijheid voor hun eigen opvattingen verlangen.

Juist de gereformeerde belijdenis is van wezenlijk belang om ervoor te zorgen dat een christelijke politieke partij bij de Schriftuurlijke les blijft. Dat geldt zeker ook ten aanzien van homosexuele relaties. Als iets duidelijk wordt uit de discussies over dit onderwerp is dat de Schrift eenzijdig gelezen wordt: bepaalde teksten worden tot niet relevant verklaard en uitgespeeld tegen andere teksten. Juist dan is de gereformeerde belijdenis van essentieel belang. Daarin worden expliciete uitspraken gedaan over de aard van de Schrift en haar gezag. En de manier waarop de kerk in die belijdenis de Schrift hanteert om tot geloofsuitspraken te komen kan als voorbeeld dienen voor de manier waarop moderne vragen vanuit de Schrift kunnen worden benaderd. Een tweede punt is dat in deze discussie het beeld van God in geding is. Christenen die van mening zijn dat een homosexuele relatie niet strijdig is met de wil van God hebben een beeld van Hem dat op z’n minst eenzijdig is. Hun beeld van God gaat fungeren als een mal: wat de Schrift over sexualiteit zegt wordt daarin geperst. Ook dat heeft alles te maken met de manier waarop de Schrift wordt gelezen.

De gereformeerde belijdenis is geen criterium voor het lidmaatschap van de Christenunie. Ze kan dat ook niet zijn en hoeft dat niet te zijn. Zelfs binnen de Gereformeerde Kerken hebben kerkleden altijd vrijheid gehad op allerlei punten die in de belijdenis aan de orde komen afwijkende opvattingen te koesteren. Wie de kinderdoop afwijst komt niet onder censuur te staan. Het probleem ontstaat wanneer hij zijn kind niet ten doop wil houden. En uiteraard kan hij geen ambt vervullen, want van een ambtsdrager mag worden verlangd dat hij de gereformeerde leer in al haar onderdelen onderschrijft en die uitdraagt en verdedigt. Maar binnen de Christenunie moet de belijdenis wel de maat zijn waaraan de politieke opvattingen worden gemeten en waaraan ook de argumentatie in het politieke debat moet worden getoetst.

Dat betekent bijvoorbeeld dat, wanneer rooms-katholieken al een rol in de Christenunie gaan spelen, zij zich voor een standpunt niet mogen beroepen op uitspraken van de paus of van concilies (vgl. artikel 7 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis). Het betekent ook dat men in zijn argumentatie niet het Nieuwe Testament tegen het Oude mag uitspelen, wat zowel in rooms-katholieke als in evangelische kringen voorkomt. En ook voorkomt de gereformeerde belijdenis dat naast de Schrift persoonlijke openbaringen en ingevingen komen te staan – wat zeker onder evangelischen geen zeldzaamheid is.

Zónder belijdenis zal de Christenunie, zo valt te vrezen, overgeleverd zijn aan de neiging de Schrift in de mal van de emotiecultuur te persen. Mét belijdenis in haar grondslag is ze nog niet van haar probleem af. Het blijft dubieus wanneer een politieke partij een oordeel velt over de levenswijze van een potentiële kandidaat, zeker wanneer die levenswijze op zichzelf het uitdragen van het programma van de partij niet noodzakelijkerwijs onmogelijk maakt. Uiteindelijk kan de Christenunie niet verder springen dan haar kerkelijke polsstok lang is. De bal ligt daarom in het speelveld van de kerken. Die zullen toch eens kleur moeten bekennen – desnoods door middel van een belijdenisuitspraak – en moeten ophouden met pappen en nathouden. Maar dat kan alleen als ze eerst de emotiecultuur buiten de deur zetten.

De doop als keuze?

24 november 2010 4 reacties

Wie gedacht mocht hebben dat de doop – en speciaal de kinderdoop – geen onderwerp van discussie meer is voor christenen van de 21e eeuw heeft de afgelopen weken gemerkt dat hij zich heeft vergist. Zoals bekend was dit ook één van de centrale kwesties ten tijde van de Vrijmaking. Die mag dan inmiddels meer dan zestig jaar achter ons liggen, ze is nog bepaald geen geschiedenis, ook al is de discussie over de doop van destijds niet zomaar met die van nu te vergelijken.

Mijn vorige bijdrage schreef ik naar aanleiding van een artikel in het Nederlands Dagblad van 12 november, waarin naar voren kwam dat leden van reformatorische kerken er soms van afzien hun kind te laten dopen vanwege hun moeite met de kinderdoop. Ook bleek uit dat artikel dat er nogal wat verschil bestaat in de manier waarop kerken met zulke leden omgaan.

Op dat artikel zijn nogal wat reacties gekomen, zowel in de krant zelf als ook op het lezersforum. Sommigen keren zich rechtstreeks tegen de kinderdoop. Gezien het feit dat het Nederlands Dagblad ook lezers uit evangelische en baptistische kring heeft, is dat niet verbazingwekkend. Niet uit te sluiten valt overigens dat sommige schrijvers ook tot een gereformeerde kerk – in brede zin – behoren. Die positie heeft in elk geval het voordeel van de duidelijkheid. Je weet waar je aan toe bent.

Problematischer is de halfslachtige houding van sommige voorgangers uit reformatorische kerken. In het artikel kwam al zo iemand aan het woord. Ds. René de Reuver (PKN) zegt: “Zelf kies ik toch voor de kinderdoop, omdat ik hierin meer collectief dan individueel denk: in het geloof van de gemeente en van de ouders zijn de kinderen opgenomen.” In een artikel in het ND van 20 november schrijft ds. Johan van der Hoeven, voorganger van de samenwerkingsgemeente van GKV en CGK in Harlingen: “Zeker, ook ik heb m’n handtekening gezet onder de Drie Formulieren van Eenheid. Ook ik ga mee in de theologische keuze voor de kinderdoop.”

Dat zal wel als geruststelling bedoeld zijn. Maar geruststellend is het allerminst. Beide wekken de indruk dat de kinderdoop een kwestie van persoonlijke keuze op grond van een persoonlijke overtuiging is. Dat die overtuiging van het label ‘theologisch’ wordt voorzien doet er niets aan af dat hier de kinderdoop facultatief wordt verklaard. Ds. Van der Hoeven keert zich expliciet tegen de wat hij noemt “exclusivistische” benadering van de kinderdoop. “Ik kan leven met een uitspraak en een benadering tegenovergesteld aan de exclusivistische, namelijk: de Bijbel gebiedt noch verbiedt de kinderdoop of de volwassendoop.” Deze uitspraak is direct in strijd met wat de Gereformeerde Kerken in zowel hun belijdenis als hun doopsformulieren als de leer van de Schrift formuleren.

Ds. Van der Hoeven wil christenen die voor de geloofsdoop kiezen niet veroordelen. Hij wil ook niet dat de aanhangers van de geloofsdoop de voorstanders van de kinderdoop veroordelen. Maar hij zelf spreekt impliciet wel degelijk een veroordeling uit, namelijk van degenen die ervan overtuigd zijn dat de Schrift de kinderdoop gebiedt.

Nu is er niets tegen wanneer de leer van de kerk, zoals verwoord in de belijdenis en de liturgische formulieren, tegen het licht gehouden wordt. Maar, zoals ik in de vorige bijdrage al schreef, dat moet dan wel het licht van de Schrift zijn. En dan moet het toch opvallen dat elke Schriftuurlijke argumentatie in het artikel van Van der Hoeven ontbreekt. In een ingezonden in het Nederlands Dagblad van 24 november legt ds. Adrian Verbree de vinger op de zere plek. “Draagt hij voor deze verandering van opstelling exegetische argumenten of hermeneutische inzichten aan? Nee. Heeft hij een bezwaarschrift tegen de ‘exclusivistische visie’ van zijn kerkverband ingediend? Hij vermeldt het niet. Vanwaar dan dit independentisme?”

Hij wijst ook op het motief dat aan de opstelling van Van der Hoeven ten grondslag ligt. “Het zit zo: Van der Hoeven heeft te veel andersdenkende medechristenen ontmoet die hem dierbaar zijn op Bijbelse gronden. (…) Hier komt een van de lekken in zijn verhaal boven: sinds wanneer kunnen ‘andersdenkende medechristenen’ niet dwalen? Ik hoop dat, bijvoorbeeld, mijn baptistische broeders en zusters mij niet op de manier Van der Hoeven zullen behandelen. Als ik iets fout zie, zeg het me dan.”

Van der Hoeven formuleert zijn overweging zo: “[G]eef ruimte om genuanceerd te kunnen discussiëren. En sta de eenheid van oprechte christenen niet onnodig in de weg. Zeker niet in deze tijd. We zijn ‘de luxe’ echt voorbij!” Het is een argument dat vaker wordt gehanteerd: in een tijd waarin christenen een slinkende minderheid zijn, kunnen we ons geen verdeeldheid veroorloven. En dan worden allerlei zaken waarover christenen met elkaar van mening verschillen, tot ‘middelmatige zaken’ verklaard.

Het is waar dat christenen zich geen verdeeldheid kunnen veroorloven. Maar dat konden ze in het verleden ook niet – dat kunnen ze nooit. Want de Schrift gebiedt eenheid tussen gelovigen. In die zin verschilt onze tijd helemaal niet van welke andere tijd ook. Zeker, christenen worden soms gescheiden door kwesties die als ‘middelmatig’ moeten worden bestempeld. Maar zaken als de doop of de vraag of het ambt wel of niet openstaat voor de vrouw – iets wat Van der Hoeven ook noemt – behoren daar niet toe.

Van der Hoevens benadering van kwesties die christenen verdeeld houden, onthult een biblicistisch Schriftgebruik. “[Z]olang niet ergens in een grot een Bijbelboek wordt teruggevonden dat ons gebiedt de ene doop toe te passen en de ander uit te sluiten, zolang pleit ik voor het bestaansrecht van beide.” Deze manier van omgaan met de Schrift is fundamenteel anders dan die waarop de gereformeerde belijdenis is gebaseerd.

Maar met dit Schriftgebruik wordt het fundamentele verschil tussen gereformeerden en baptisten ten aanzien van de doop onder het kleed geveegd. Ds. Verbree legt het in zijn ingezonden nog eens glashelder uit. “Voor gereformeerden is het afwijzen van de kinderdoop een dwaling. Om nog maar eens duidelijk te maken hoe groot en onoverbrugbaar de kloof is die hier gaapt tussen baptisten en gereformeerden, citeer ik prominent baptistisch predikant Orlando Bottenbley (het citaat is door hem zelf als correct weergegeven aangemerkt): ‘Het gebaar van het besnijden van een kind, het gebaar van het dopen van een kind, het gebaar van het opdragen van een kind is eigenlijk in alle drie de situaties dat de ouders tegen God zeggen: God, mag mijn kind er bij horen?’
Besnijdenis en kinderdoop een gebaar van ouders… En voor het bestaansrecht van zo’n visie moeten wij ruimte geven? We zijn hier in een totaal andere wereld dan die van het gereformeerde belijden dat de kinderdoop een sacrament is dat in opdracht van God moet worden bediend aan de gelovigen en hun kinderen.” Daaraan valt niets toe te voegen.

Verbree stelt niet alleen het gebrek aan Schriftuurlijke argumentatie van Van der Hoeven aan de kaak. Hij laat ook de term independentisme vallen. En dat is terecht. Binnen de Gereformeerde Kerken zijn duidelijke afspraken gemaakt over de manier waarop bezwaren tegen de leer van de kerk aan de orde moeten worden gesteld. Die afspraken zijn vooral gemaakt om te voorkomen dat iedere ambtsdrager gaat schrijven of roepen wat hem goeddunkt en daarmee de gemeente die aan zijn zorgen is toevertrouwd, in verwarring brengt.

De opstelling van Van der Hoeven is een treffende illustratie van wat ik in het vorige artikel schreef. Ik wees op de gevoelscultuur, en die komt in de argumentatie van Van der Hoeven duidelijk tot uiting: het gevoel van verbondenheid met andere christenen brengt hem ertoe het belang van verschillen van inzicht te bagatelliseren. Daarnaast wordt de moderne cultuur gekenmerkt door individualisme en dat wordt geïllustreerd door wat Verbree als independentisme karakteriseert. Iedereen meent het recht te hebben er zijn eigen opvattingen op na te houden en die ook desgewenst uit te dragen, zonder zich iets gelegen te laten liggen aan de gemeenschap waarin hij functioneert.

“Ik wens de kerkenraad van ds. Van der Hoeven veel wijsheid”, schrijft Verbree aan het slot van zijn ingezonden. Dat kan alleen maar onderstreept worden. Zijn kerkenraad heeft immers de taak de gereformeerde belijdenis uit te dragen en te verdedigen en erop toe te zien dat hij wat hij door zijn handtekening onder het ondertekeningsformulier heeft beloofd, ook nakomt.